…f
delk
d
ge
‘4
Ek nd
2
he ad
r
en
de
NATUUR
KONST
JANUARY en FEBRUARY
1719.
VERKLARING
ee F VANDE A LA
TITEL.PRENT.
De Hiftorie, dewelke hier met-vleugels
gitgebeeld word (om dat zy overal zelfs
tegenwoordig behoort te zyn ) befchryft de
groote Natuur „dewelke in het opgeflagen Boek
uitgedrukt. ftaat. Om dit overeenkomftig met
de zaaken, die zy befchryft, uit te voeren,
wofd zy verlicht door de Waarheid, terwyl de
natuurlyke fchepzels ontvouwten ontdekt wor-
den door de praefkuidige: Ervarentheid, de-
welke met haar eee voet op een proef-of
zoetfteen taat, en met een -paffer made wis-
Konftige Methode afmeet alles, dat doorde
beproeving van het. zuiverende vuur geloutert
is. Waar door de onwetende Waanwysherd
(met ezels oorex verbeeld )in het duifter geraakt,
daar dezelve zich met het blaazen van wizd-
bollen ophoudt en vergenoegt.
AN
ì
N
° 3 f 3 Res 5 <
EN A
ú De ês a
« d /
’
: CAS 8 4
if z * 5 * 4 \ . x
Js 6 Pen 6 8
é 5 ==
8 Ss Li = f
_ 5
b í
: E
md dee Pd be Kr Nr aimee Eee Ela
JE dad da sdi Eed
KABINET
DER
NATUURLYKE :
HISTORIEN,
WETENSCHAPPEN,
ONS T- EUN
EN 3
HANDWERKEN,
Geopent met de Maanden
JANUARY en FEBRUARY 1719.
Perciert enopgebeldert met Kopere
Plaaten.
Te AMSTERDAM,
Bv HENDRIK STRIK,
“Boekverkoper bezyden t Stadhuys. 1719.
…&
‚
he
es
„DEN Wer EDELEN GEsSTRENGEN
HD BR.
DEN HEERE
SUFFRIDUS van WESTERHUIS,
enz. enz.
WENSCHT
_W. V. RANOUW, M.D.
Gezontheid en Welvaren.
geze N de plaats van het Boek,
Si Ss handelende van het onder’ fcheid
GR 3 [Cà der aaloude en nieuwe Naátuur=
OE (yke Hiftorifchryvers 5 EE
welk ik over, zes jaaren de eere had
(half afgefchreven j aan U Wel-Ed: Ge:
ftrenge mede te deelen, en zedert we-=
derom heb ontfangen, met een beleefde
ordre om het zelve te voltoojen, zende
ik met U Wel-Ed: Geftr: permiffie het
eerfte ftukje van myn Natuur- en Kontt-
kabinet , geopent met de maanden Ja=
nuary en Hebruary 1719. met voor-
nemen om het zelve van twee maanden
tot twee maanden te vervolgen. Debe-
kende wysheid , doordringentheid van
oordeel , beleeftheid en _rechtvaârdige
goedheid van U Rn Geftr: zyn de
* 4 “ oor-
‚ oorzaaken van de vrymoedigheid „ de-
welke ik gebruike, in het toezenden van
een Boekje, welkers geringheid recht-
draats tegens de Grootheid van U Wel-
Ed: Geftr: Perzoon overftaat. Het. is
my bekent, Wel-Ed: Geftrenge Heer,
hoe zeer de hoogwichtige Sraats-bedie-
ningen en laftige oeffening der alder-
hoogfte Lands-regering U Wel- Edele
Geftrenge lange jaaren hebben: belem-
mert in de luft-oeffening- van” U Wel-
Ed: Geftrenge genegentheden, nament-
lyk de goede. Letteren , Natuurlyke
Hiftorien en Konften. Maar ik weet
ook te gelyk , en de werkdaaden zyn
luidruchtige getuigen , met welk een
luft. U -Wel-Ed: Geftr: haaré fnipper-
uurtjes befteet in deszelfs heerlyke Tui-
nen, Plantagien , Orangeryen , in de ocffe-
ning en voortkweeking der aldervremfte
gewaflen, en in ’taldernaauwkeurigfte on-
derzoek van andere natuurlyke W onderen.
Doen ik het geluk hadde van dage-
Wyks U Wel-Edele Geftrenge deugd-
zaame vriendelykheden te genieten ‚ en
de vruchten van een oprechte liefde zo-
danig te ontfangen, dat ik voor de zelve,
zo lang ik leef, U Wel-Ed: Gefir:
dankbaare Dienaar zal blyven, heeft U
_ Wel-Ed:.Geftr: in het befchouwen”van
EE myne
myne Natuurkundige Proeven ovérvloe-
dige blyken gegeven , en bewezen dat
ik op goede bevinding de waarheid fpreek.
Indien de tomeloze luft na myn Vader-
land, dewelke jaaren te vooren geboet
geweeft zoude zyn, had de de achting;
dewelke ik voor U Wel-Ed: Geftr: altyd
zal bewaren, my niet een geruime tyd
opgehouden; indien, zeg ik, deze luft
na Holland my van U Wel-Ed: Ge-
ftrenge niet hadde afgefcheurt , geen zaak
op de wereld zoude magtig geweeft zyn
om my van de delicaatheid en ’t geluk
van U Wel-Ed: Geftr: aangenaame om-
megang te berooven „ en ’t geen ik nu
in dit Boekje en de volgende met de pen
meene te verrichten , zoude ik dan noch
dagelyks mondeling hebben konnen doen.
Byaldien ik U Wel-Ed: aandacht met
een geringheid , dewelke dezelve on-
waardig is, mag ophouden, zal ik zeg-
gen, dar ik van voornemen ben, om in
elk tweemaandelyk Kabinet een uittrek-
zel te geven (gelyk U Wel-Ed: Geftr:
hier van Cajus Plinius fecundus ziet)
van deze of gene aaloude Natuurlyke
Hiftorifchryvers. Op deze wys, Wel-
Ed: Geftr: Heer , zal uit de Fontei-
nen der beroemde Aaloutheid zelfs van
yder een konnen gezien-wroden „ hoe
{5 dit zeer
zeer de Aaloude Zeyprifche ; Griekfches
Romeinfche en andere Volkeren in de
Natuur en defzelfs fchepzels, inde We-
tenfchappen, Konften en Handwerken
gevordert zyn geweeft, mitsgaders wat
in de latere eeuwen tot huiden op
dezen dag van de Nakomelingen daar ss
bygevoegt ‚ en hoe ver wy hedendaags
in dezelve gevordert zyn , wat van de
Aaloutheid verloren is , en wat van de late=
re Eeuwen is uitgevonden; dewyl in elk
tweemaandelyk Kabinet ook zal gehan=
delt worden van eenige aanmerkelyke
Natuurlyke Schepzels , en van dienftbaare
Konften en middelen, waar door dezel-
ve ontdekt moeten worden, benevens
achter elk tweemaandelyk Kabinet een
Konft of Handwerk „ deflelfs gewrochten;
werktuigen , gereetfchappen en derzel-
ver gebruik. De vruchten, dewelke wy
(als wy deze onderzoekingen en befchou=
wingen tot nut en gebruik overbrengen)
daar uit plukken , zyn de alderuitmun-=
tenfte vanalle de voordeelen onzes levens.
Want als wy begrypen, dat God onze
goes Vader door drie verfcheide Boe=
ken , zyne Heerfchappy, vrywillige Rege-
ring, Grootmachtgheid, Heerlykheid,
onbegrypelyke Natuur, Liefde, Goed
heid , en hondert andere zaaken , dewelke
Wy
wy daar door van onze lieven Schepper
konnen afnoemen , heeft believen teont-
dekken, en zover, als nodig is om hem
aan te bidden ven te gehoorzaamen; te
openbaaren , zouden wy niet met een
tomeloze begeerte aangedaan worden,
om dezelve te doorbladeren, en daar uit
door duizend onwraakbaare getuigeniffen.
alles van ons Hoogfte Goed te achterha-
len en te leeren , dat wy van het zelve
te wéten konnen koomen ? U Wel-Ed:
Geftr: zal antwoorden van ja. Welaan
dan ; Wel-Ed: Geftrenge Heer , deze drie
Boeken zyn: 1. De Hailige Bladeren.
z. De Natuur, met alle defzelfs wonder-
baarlyke Schepzels. 3.De Konft met al-
le haare Konftftukken voortgebracht
door onbegrypelyke vermogens, dewel-
ke de menfchen daar toe van Godt heb-
ben ontfangen. In deze drie Boeken is
het waarachtige Charaëter Divinus of
Goddelyk merkteken ingeftempelt , en
van yder, dewelke zoekt en in dezelve
aandachtig leeft, over al te vinden; dat
is een Oceaan van zaaken „ dewelke voor
het menfchelyk verftand ondoorgronde-
lyk en onverftaanbaar zyn ‚ enechter uit
duizend monden haar eigen aanzyn ge-
tuigen. Maar welk een nut, Wel-Ed:
Geftr: Heer , is uit het onderzoek en
oh oeffe-
oeffering der Natuur en Konft voor onze
tydelyke welftand niet te haalen? Daar is
geen een eenig menfch in deze wereld,
dewelke deze zaak niet aangaat, alle
moeten wy dezelve betrachten en naja-
gen. Waar word iemant gevonden , de-
welke tot zyn tydverdryf, lief hebbery ,
Wetenfchappen, Konften en Handwer-
ken, geen voordeel uit de befchouwing
van Natuur en Konft zoude trekken?
Ik heb al lang geoordeelt, dat de Na-
tuur en de Konft door de Natuur-be-
fchryvers te ver van malkanderen afge-
fcheiden worden ; het iseen misflag (be-
houdens de goede achting dezer voor-
treffelyke Lieden) dat zy in het befchry-
ven van elk Natuurlyk Gewrocht daar niet
byvoegen een naauwkeurige Befchryving
van allede Konften, Ambachten , Hand-
werken,uitgevonde Konftftukken, W erk-
tuigen en Gereetfchappen, dewelke uit
dit Natuurlyk Gewrocht of Schepzel
zyn voortgekomen, of het zelve tot haar
onderwerp en ftof hebben, of betrek-
king op het zelve hebben. Zouden wy
de aart, hoedanigheden en betrekkelyke
eigenfchappen van een metaal, mineraal,
berg-erts, fteen, hout, gewas „enz. niet on-
eindigmaal beter weten, en naauwkeuriger
konnen befchryven, als wy behalven her
uiter-
uiterlyk natuurlyk onderzoek ons wilden
vernederen , en: intreden in de groote
werkhuizen en winkels der Konftenaars,
ambachtslieden , werklieden en arbeiders?
Deze menfchen ( gelyk de groote Ro-
bertus Boyle in zyn tyd wel aangemerkt
heeft ) hebben menigmaal haar geheele
leven gewerkt, en vervolgens zomtyds
vyftig jaaren eú langer proeven en
waarnemingen gedaan in een enkeld ot
zeer weinige natuurlyke gewrochten of
fchepzels , daar een Natuur-befchryver
noch tyd noch gelegentheid toe gehad
heeft. Deze zaak aan de andere zyde
befchouwt zynde, wat zoudende konfte-
naars, ambachtslieden en werkmeefters
veel licht in haare konftoeffeningen en
werkdaaden ontfangen, als voor haar
verklaart en opgeheldert wierden door
een Geleert Naruraliff de natuurlyke-
fchepzels of ftoffen en onderwerpen,
daar zy haare konftftukken van moeten
bereiden ? De onnozelheid en onkunde,
dewelke ik dagelyks in deze lieden ont-
dekke, is zo groot, dat zy haar eigen
konftes onderwerp niet kennen. Van
zommige dingen, dewelke by de Engel-
Jchen, Îtalianen en andere Natien by de
ftraat te zien zyn, maaken onze luiden
uit louter onkunde groote «geheimen.
| CORE:
Als iemant haar vraagt na het Vaderland,
de voortkweeking , oefening, foorten en
diergelyke voor haare weten{chap noodza-
kelyke omftandigheden van haar konft-
onderwerp of werk-ftof,ftaan zy verzet,en
antwoordenals of deze zaaken aan haar
niet behoorden. Daar behoorde geen
Konft of Ambacht te zyn, hoe gering
hetook macht wezen, of daar moett een
omtftandig boek van gefchreven worden,
benevens een natuurlyke befchryving en
verklaring van de natuurlyke fchepzels „
dewelke deze konft of dit ambacht tot haar
onderwerp en werkftof hebben, Wanneer
de kenm{fle der Natuurlyke Hiftorien „
der Schepzelen , der Konften en Ambach-
ten in malkander verknocht, gemeender
en meer bekent waren, welk een vrucht
de hooge Regenten des Landstot welftand
van haare ingezetenen daar uit zouden
konnen trekken , is genoeg gebleken door
’t kloek beleid van Lodewykde XIV , en
noch hedendaags door de Hoofd-regenten
van Eugeland, dewelke door deze weg
haare ingezetenen met geluk en welvaart
overftroomen, gelyk de uitvindinge der
Koninglyke Maatfchappyen en Academien
van Konften en Wetenfchappen volmon-
dig getuigen. Kooplieden , Fabrigueurs ;
Zuveuteurs ‚ Winkeliers en duizend andere
men-
menfchen zouden door deze kennifle
vruchten trekken, dewelke nu by haar
onbekent zyn. De Heilige Bladeren
krielen alom van aldaar aangehaalde Na-
tuurlyke zaaken, konften en handwer-
ken, maar hoe onkundig zyn de uitleg-
…_gers der Goddelyke Waarheden, als wy
haar over deze zaaken lezen of hooren
leeraaren. Daar behoorde geen plokje
lands of ftad te zyn, daar het onderfcheid
der gronden, die onze fpys voortbren-
gen, en welker uitwaafleming wy gedu-
rig inademen, het onderfcheid derzelver
verfcheide wateren, daar wy onze dran-
ken van bereiden, onze fpys in kooken,
en veele konftgewrochten door moeten
bereiden, de verfcheide hoedanigheden
des dampkringachtigen luchts’, dewelke
daar op ftaat en altyd op drukt, en daar
wy door moetenleven, niet op het alder-
naauwkeurigfte onderzocht en aangete-
kent wierd. Ik ben verzekert, dat de
Geneesheeren van zodanig een land of ftad
veel klaarder denkbeeld van duizend by-
zondere omftandigheden haarer zieken
zouden hebben, om haare genezingen
verfcheidentlyk na te richten,voornament-
lyk als deze lieden door geen algemeen-
heden mifleidt, nog ook niet alte wys
waren , om daar uit te willen leeren. Het
is
is naauwlyks uit te drukken, hoe “zeer
het cene Natuurlyk fchepzel als ook konft-
gewrocht verklaart en opgeheldert word
door de kenniffe der andere fchepzels en
konftftukken , en de eene-konft of ambacht
verrykt word door de kennifle der andere
konften of ambachten. Ik blyve enz.
N A-
ns Pag
_N AT U U-R-
Waor EN,
_KONST-K ABINET,
Geopent met de Maanden —
JANUARY en FEBRUARY.
in AE
Godt is Schepper en Onderbouder van de
Natuur , en de Menfch van de Konft.
L
MAES Odt Onzer aller Vader, On-
l 2 nd derhouder en Hoogfte Goed ,
EN Ds 5 die de geheele Natuur, ofhet
Seed gefchapen Heel-al uit niet
heeft voortgebragt , fchynt de menfch in
deze wereld geftelt te hebben tot een:
Onderkoning en volflagen Regent: want
„als wy aanmerken, dat de Natuur van
Godt, en de Konft van de menfch,door be-
hulp vande vermoogens , dewelke hy van
_ Godt ontvangen heeft, is voortgebragt „
konnen wy licht begrypen , hoe nood-
Ä zaake-
z Natuur-en Konft-Kabinet,
zaakelyk de menfch (die WVice-regent der
fchepfelen) voor de natuur, om de zelve
te verbeteren en te verheerlyken, by een
iegelyk , die aandachtig is, geacht moet
worden. Wat zal dog de Natuur zyn
zonder. de konft, een verlaten wildernis,
daar de naarheid , kommer, ongemak en
elende haar woonplaats houden ?
E
Gelyk de geheele Natuur, zonder de
Konft aangemerkt) een enkelde woefty-
ne ‚ ontoegangkelyk bofch , ongenaak-
baare berg ‚ en al-verflindende zee ver-
beelt, zo is ook elk natuurlyk fchepfel,
het zy in het Koningryk der mineralen,
het zy in het Koningryk der gewaffen „
het zy in het Koningryk der levendige
dieren , eenigzins woeft , ongepolyft,
met veel ruigte behangen.en begroeit ,
en tot in zyn uiterfte volmaaktheid on-
toegangkelvk en ongenaakbaar, als het
zelve niet door de konft der menfchen
word uitgemeubelt , gezuivert , geloutert,
in gebruyk gebragt , geleert en onder-
wezen.
3.
Zo ras als de arbeidzaame Konft in de
Kabinetten der natuur intreet , ontdekt
zy aldaar een onuitputtelyken Rykdom,
een
SJannary en February 1719. 3
een bron en geduurige welle vol mildtda-
digheid, en een overvloed van natuurly-
ke eigenfchappen , daar zy zig zelve in
verlieft, en nooit ten einde kan werken.
“Als een GEen gek een goed On-
derkoning der natuur, door behulp van
zyn vernuft en konft, verftandig en regt-
fchapen zal regeren, is het noodzaake-
lyk , dat hy de zelve eerft wel leert ken-
nen; want welke Regent of Koning zoude
een Gemeene-beft ordentlyk konnen be-
ftieren, deszelfs gebreken verbeteren en
vervullen , dewelke geen kennifle van
zodadig een Republyk hadde „ en des volks
eigenfchappen, hoedanigheden , vermoo- ,
gens, betrekkingen onder en op malkan-
deren en ook op alle zyn gebuurige en
andere volkeren, nooit hadde onderzogt
nog geleert ?
Daar zyn veel rid reen ‚ dewelke het
hart hebben van zig zelven Natuurkun-
dige te noemen , om dat zy haare hars-
fenen vervult vinden met /ubtiliteiten
en ftrikken van de twift-kunde. Deze
ontwerpen een regering over de natuur
(dewelke zy niet kennen) in haare phan-
tazy „ die belachelyk is, en ftellen met
ie Plato
4 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Plato een Gemeenebefts- Regering , die
nimmermeer te vinden zal zyn. Andere
willenuit eenen diepen grend van haare
onkunde, zig al mede als Regenten der
natuur aanftellen , dezelve bewerken ,
en door konft regeren „ terwyl zy de
Natuur zelfs voor haaren Godt groeten en
eeren. Eylieve let eens hoe klugtig zy
willen haaren Godt regeren, en zyn ge-
breken verbeteren !
6.
De eerfte algemeene kenniffe, dewelke
iemant van de groote Natuur kan ver-;
krygen, word gebooren, als hy dezelve
befchouwt als een fchepfel ‚ een gewrogt
en cen voortgebragt goddelyk konttftuk ,
daar hy de grootheid, magt en regering
van deszelfs Schepper en goeden Onder-
houder , door noodzaakelykheid van ge-
volg wit ontdekt , en deszelfs volftrekt
onderfcheidentlyk beftaan uit gewaar
word , mitsgaders de noodzaakelykheid
van deszelfs beftaan uit leert.
„8
De tweede kennifle , dewelke een
menfch van de natuur kan verkrygen, is
door de natuurlyke Hiftorie , of door een
naauwkeurige en net overeenkomftige
befchryving, zo van de geheele Natuur,
voor
january en February 1719. 5
‚voor zo verzy zig laat befchouwen, als
van elk byzonder natuurlyk fchepfel , in
haar uitwendig beflag , even he een
Regent of Koning het volk, dat hy zal
regeren „ kan leeren kennen , door ’t
lezen der Hiftorifchryvers , die haa-
ren aart, zeden, manieren , gewoontens,
eigenfchappen en verrigtingen zelfs heb-
ben waargenomen ,„ en getrouwelyk en
naauwkeuriglyk befchreven.
Byaldien nu iemant de groote natuur
en de natuurlyke fchepfelen , uit der zel-
ver befchryving of hiftorie zal leeren
kennen , moet noodzaakelyk deze be-
fchryving geenzins’ uitde phantazy , maar
van de natuur en de natuurlyke fchep-
fels zelf afgeleid worden, datis , de Na-
tuur of het natuurlyk fchepfel moet het
waaragtig voorwerp van zodanig een na-
tuurlyk Hiftorifchryver zyn geweeft.
Het is een conditie , zonder dewelke
het nooit wel gefchieden kan , dat zoda-
nig een Schryver van de natuur of van
een natuurlyk fchepfel niets anders be=
fchryft, als dat hy zelfs, of de Schry-
versdie hy gebruikt, waargenomen „ ge-
zien, getaft en beproeft hebben. Al wat
hy ons befchryft , daar deze toetfteen
NE niet
6 Natuur-en Konft-Kabinet ,
niet overgeftreken is, zal hem in gevaar
ftellen, van alle zyne achting, die wy
anders voor hem zouden hebben, te ver-
liezen, wanneer wy ontdekten, dat hy
door ligtvaardigheid dwalende, ons ook
in dwaling hadde gevoert. Daarom is
het noodzaakelyk , dat een Hiftorifchry-
ver van de natuur aan ons bekent maakt ;
welke zaaken hy zelfs gezien, beproeft
en ondervonden heeft , en wat voor zaa-
ken hy, op enkelde berigten en vertellin-
gen fteunende , mede deelt, of uit welke
boeken en uit welke geloofwaardige
Schryvers hy deze of andere zaaken ont-
leent heeft.
Io.
Daar is tot nog toe hiemant zo ftout-
moedig geweeft, van een algemeene His-
torie der groote Natuur en alle deszelfs
medefchepfels in een werk te befchry-
ven ; als Cajus PrrNius SECUNDUS ;
een Romein. Deze heeft de geheele we-
reld , voor zo ver dezelve van hem ge-
kent of ingebeelt wierd, in een werk ;
’t welk hy aan den Keifer Ve/pafianus
opdroeg, befchreven, en aan ons nage-
laten. Maar dat Plinius, hoe naarttig
en geleert hy ook was, de conditie van
een regtfchapen Hiftorifchryver van de
natuur
january en February 1719. 7
natuur niet heeft waargenomen, blykt
onwederfprekelyk uit zyn eigen belyde-
nis, dewyl hv zelfs in de Voorreden van
deze zyne natuurlyke Hiftorie verhaalt,
dat hy twintig duizent zaaken heeft ver-
gadert , uit het lezen van twee duizent
Schryvers, waar van de meefte Boeken
niet veel bekent, en zelfs by de Lief heb-
bers raar waren.
Van de Natuurlyke Hiftorie van
Cafus Plinius Secundus.
Ï.
P dat de Lezer een ruuwe fchets
van de natuurlyke Hiftorie zoude
konnen vormen, zal ik , zo beknopt als
het my doenlyk is, een kort begrip van
Plinius zyn geheele werk mede deelen , de-
wyl een onkundige , door een enkelde de-
finitie of korte bepaaling van de natuur-
lyke Hiftorie, al te fchraalen denkbeeld
van die zaak zoude verkrygen. Ik zal
maar alleenlyk voor af zeggen, dat Ca-
Jus Plinius Gecilius Secundus , die een
Neef van onzen natuurlyken Hiftorifchry-
ver Casus Plinius Secundus was, van hem
getuigt in een brief aan Marcus, dat hy
na den eeten, of des zomers als hy inde
A 4 zon …
8 Natuur-en Konft-Kabinet,
zon leide telezen , aantekende en uitkipte”
’t geen hem beft behaagde; en uit deze
aantekeningen , behalven eenige zaaken
dewelke hy zelfs bevonden heeft, is deze
Befchryving van de geheele Natuur inde
wereld gekoomen. En ten tweeden zal ik
aantekenen , dat Plinius de Oude , behal-
ven deze natuurlyke Hiftorie , een groo-
te menigte andere boeken, die verloo-
ren zyn» heeft gefchreven, die van de
jonge Plinius zyn Neef in de zelfde brief
aan Marcus worden opgetelt, en aldaar
nagezien konnen worden; en waar door
‘wy ook verzekert zyn, dat wy alle de
Bocken over de natuur van Plizius zyn
Oom hebben overgehouden, dewyl hy
het getal dezer boeken op zevenendar-
tig , gelyk wy dezelve ook bezitten ,
heeft bepaalt. En ten laatften zal ik de
berugte dood van die grooten Man aan
den Liezer mede deelen.
2: k
Tacitus verzogt aan den jongen Plinius
dat hy het fterfgeval van zyn Oom Ca-
Jus Prinrus Secunpus, dewyl hy me-
de op die reis tot Mifenum tegenwoordig
was geweeft , aan hem wilde bekent
maaken, om het zelve in zyne jaarboeken
te {tellen en te vereeuwigen. Het welk
onzen
Janvary ep February 1719. 9
onzen.Cajus Plinius Caecilius Secundus byna
met de volgende woorden (a) verhaalt:
Myn Oom was tot Mifenum , daar hy in
perzoon tegenwoordig de vloot geboodt.
In ’t begin van de maand November
omtrent ’s morgens ten zeven uuren maakt
myn moeder ( zyn zufter) aan hem be-
kent , dat zig een wolk van een onge-
woone foort en grootte vertoonde, myn
Oom ftaat op van de grond daar hy leide te
lezen „fchiet zyne zoolenaan, en klimt op
een hoogte, van waar hy dit wonderftuk
zeer klaarlyk konde befchouwen , want de
toekykers wiften van verre niet, uit welke
berg (die naderhand voor de Vefuwius be-
kent wierd) deze wolk zyn oorfprong had.
De wolk verteelde van gedaante een pyn-
boom,dewelke uit een ronde en regte ftam,
na om hoog ryzende,zyne takken verfprei-
de, waar van zommige takken wit, en
andere vlekagtig , en met vuiligheid ver-
mengt waren, na de aarde of de as de-
welke opgeworpen wierd , en dewyl die
uitmuntend geleerde Man oordeelde ,
dat deze zaak naderby van hem behoorde
befchouwt te worden, ftapten hy ineen
vaartuig, en voer regt toe regtaan, dat
AAR alles
(a) Caj. Plinü Caeciliì Secund, Lib. VIe Ebift. XVL
Tacito fuo, |
Lo Natuur- en Konft-Kabinet ,
alles trilde en beefde wat by hem was, en
dat zo naby , dat de as op het vaartuig
vloog, dewelke , hoe nader hy kwam;
hoe heeter en zwaarder wierd, dan zelfs
eens puimfleenen , dan eens uitgebrande en
Zwarte keyen ; dan wierd hy eens gedreigt,
dat het geheele gevaarte , ’t welk op uitge-
brande en verteerde oevers half en half
{teunde, haar overftelpen zoude. Aan land
getreden zynde, namen zy haar verblyf
in de verlatene en half verbrande huizen ,
terwyl zuitt de Wefuwvins wyt en breed
met een nieuw vuur en ligt alles in ligter
lagen brand zette, en het vertrek , daar
nyn Oom in was, zodanig met as en
puimfteen opvulde, dat hy daar niet uit
. hadde konnen ontkoomen’, byaldien hy
niet datelyk ’t zelve verlaten hadde. Hy
beraadflaagde met die gene, dewelke by
hem waren , of zy onder ’t dak zouden
blyven, of zig onder den blauwen He-
mel betrouwen, want de daken en huizen
ftonden te waggelen, en fcheenen alle
ogenblikken in te zullen ftorten. Einde-
lyk uit twee kwaden het befte nemende,
verkooren zy. de bloote lugt onder een
regen van ligte puimfteenen , een gloed
van blixem , dewelke by beurten van
uitgebraakt vuur en damp } dan kn de
alder-
Sfanuary en February 1719. Ir
…_alderligtften dag, en in een ogenblik de
alderduifterfte nagt veroorzaakten ; Zy
hadden haare hootden bewonden, en ee-
nigzins overdekt. Het behaagde myn
Oom verder , omde boorden , daar de zee
op afftuite „ nader en naauwkeuriger te
befchouwen , om te ontdekken welke
bolwerken daar overgelaten waren, die
de zee haaren invloet keerden, en het
gevaarte onderfteunden, op dat het niet
mogt inftorten en opgezwolgen wierd.
Daar ruftende,en tegens de heete lugt kout
water geeifcht en ingedronken hebbende;
komt een fchiclyke reuk van zwavel-
damp, een voorbode van nieuwe opko-
mende vlammen, voor dewelke zy alle,
behalven mynOom , de vlugt naamen ,
dewyl hy verzogt zynde opftond , en
fteunende op twee flaven nederzeeg , ge-
fikt door een dikke en heete zwaveldamp ;
na ik gifle, dewyl zyn geheele lichaam
ongekwetft is bevonden. enz.
In het eerfte Boek vinden wy de voor-
reden aan den Keifer Titus Vefpafianus,
daar hy onder andere zegt, dat niemant
onder de Grieken of Romeinen voor hem
ondernomen heeft , de geheele natuur
met alles wat daar in is in een werk te
“_be-
12 Natuur-en Konft- Kabinet ,
befchryven. Ook hebbeik, vervolgt hy,
de naamender Schryvers, dieik gebruikt
hebbe, voor af laaten gaan , want ik oor-
deele dat het vol betaamelykheit en ze-
delyke fchaamte is, openbaarlyk te be-
kennen, door wien wy in onze weten-
chappen gevordert zyn. Nadeze voor-
reden geeft Plinius een regitter van de
volgende zesendartig boeken , namentlyk
wat ineen iegelyk Boek, en in iegelyks
Boeks Kapittel verhandelt word, bene-
vens de naamen zo wel der Latynfe als
vremde Schryvers achter elk Boek ge-
plaatft , met welk Regitter het eerfte
Boek gefloten word.
Dewyl ik in hef toetakelen van dit
tweemaandelyk Kabinet der natuurlyke
Hiftorien, Wetenfchappen, Konften en
Handwerken, door geen eenige methode
of fchool-trant van verdecling in Boeken
of Kapittels, of geflagten offoorten van
materie enz. my al te naauw kan laa-
ten bepaalen , en geenzins begeere de
‘natuurlyke hoedanigheid van myn geeft,
met alle deszelfs gebreken door blanketfel
van opgefmukte methode, of uitgekipte
woorden en gemaakte hoogdravende
ichryfftyl, of iets, dat my niet natuur-
lyk
January en February 1719. 13
lyk eigen is, te vermommen, maar al-
lezins een vrye en ongebonde fchryf-trant
meene te gebruiken, zal ikeen Aanmer-
king mede deelen, dewelke my op het
lezen van dit eerfte Boek van Plinius
in de gedagten fchiet.
Hoe hera loffelyk moet het
alle Lezers, die eerlyke lieden zyn;
voorkoomen , dat Plinius achter elk Bock
Zyne Auteuren zo trouwhertiglyk aante-
kent „ en dat nog zodanige, waar van
veele zeer raar , en uit de handen zelfs
der Liefhebbers geraakt waren. Byal-
dien alle, en voornamentlyk onze heden-
daagfe Schryvers (uitgenomen eenige Bra-
ve en deugdzaame geleerde mannen } zulks
in acht hadden genomen, wy zoudenzo
niet verbyftert zyn in de kennifle der
waaragtige uitvinders van nieuwe oritdek-
kingen, gezigten en zaaken; en wy Zou-
den veel Boeken uitfchiften, en derzel-
ver Schryvers verachten , en als letter-
dieven brandmerken. _ Alsiemant AZuzeur
van een nieuwe ontdekking of van nieu-
we gezigten is ‚ verdient hy tot in alle
eeuwigheid meer. lof , met een enkeld
blad daar van aan ons mede te deelen, en
aan zyne nakomelingen na te laaten , als
een
14 Natuur-en Konft-Kabinet
een onregtvaardig Uitfchryver, dewel-
ke zyne Auteuren verfwygt ‚ met twaalf
groote folianten toe te takelen. Auteur
te zyn, is iets te geven ; dat de geleerde
wereld nog ontbeert, en alle de Schry-
vers, dewelke dat vermogen niet bezit-
ten, konnen wy zeer wel miffen, ja zy
zyn voor de Geleerden een grooten bal-
laft, en verdrukken en begraven, door
haar opftapeling , de regtfchapene en goe-
de Schriften. Wat dunktu Lezer, zou-
de het niet een groote zotheit van my
zyn, als ik voor Auteur wilde geacht
worden van alles , dat door de tyd, als
ik leve, in dit Kabinet zal bekent ge-
maakt worden ‚ dewyl aan een Verftan-
dige datelyk zoude blyken , dat een
menfch, al leefden hy hondert jaaren
naauwelyks het duizentfte deel van ’t geen
wy hoopen te melden , zoude konnen uit-
vinden , behalven dat een man van ge-
leertheid datelyk myne onregtvaardigheid
en letter-dievery zoudeontdekken ? Daar-
om kunt gy verzekert zyn , dat ik myn
Auteur altyd getrouwelyk en opregtelyk
zal melden, en daar geen Auteur gemelt
wort ‚ zal my hoe fober het ook zyn
_ mag in eigendom toekoomen.
Her
den
e
January en February 1719. Is
6,
Het tweede Boek van Plinius zyne na-
tuurlyke Hiftorie handelt van de wereld ,
vande zaaken des Hemels, aarde, water
en lugt, en beftaat uit hondert en negen
Kaputelst Door de wereld verftaat Hy
het Geheel-al, dat alles in zig behelft.
Hy oordeelt (als een Heiden) dat het bil-
lyk is, dat het voor een Godt gehouden
word, hy noemt dit geheel-al eeuwig,
onmeetlyk, ongefchapen en onvergang-
kelyk: en te onderzoeken wat buiten dit
heel-al is (vervolgt hy in ’t midden van
zyne blindheid) raakt de menfchen niet,
en kan door de gifling van de menfche-
Iyke geeft niet bevat worden. Zommige,
zegthy, willendeeen verbeelding maaken
van ’t geen buitendit geheel-al gevonden
word, hebben nog meer werelden ver-
zonnen, even al eensof de zelve zwarig-
__heid niet overbleef , dat wy al wederom
een alderuiterft buiten zouden konnen ftel-
len, daar wy in moeften beruften. In het
derde Kapittel ftelt hy vaft, dat de we-
reld in vierentwintig uuren met een on-
__uitdrukkelyke {nelle beweging omdraait.
In het vyfde Kapittel , daar hy wan de
‚vier Elementen handelt, gelooft hy (daär
in de Epicuriften navolgende } dat de ftar-
Ten _
16 Natuur- en Konft-Kabinet
ren ende geheele blauwen Hemel uit vuur
beftaan : tuflchen Hemel enaarde, zegt
hy in het VL. Kapittel, hangen in de-
zelfde vuurgeeft de Planeten , die om haar
beweging de dwalende Hemel-ligten ge=
naamt worden, en in het midden van de-
zelve de Zon, die de Regent van detyden
van het geheele aardryk , en zelfs van al-
le de Hemel-ligten is, en de geeft of lie-
ver de ziel van de geheele Wereld, en
deszelfs Godtheid. In het VII Kapittel
{preekt hy van Godt, en telt een groote
menigte van Heidenfche- Afgoden, de-
welke hy verwerpt. Tot aan het XXI
Kapittel handelt hy van het onderfcheid,,
de beweging en afpellen „ en coleurenenz.
der Hemel-ligten. In het XXIII Ka-
pittel van de hoogte der wolken, van
de Aarde, en van de hoogte der Maan
en der Zon, alles by ffadien van hondert
en vyfentwintig treden uitgerekent , dog
alles zeer verwart, onkundig en volftrekt
onzeker. Waar uit een Verftandig Le-
zer het onmeetlyk onderfcheid der oude *
Starrekunde, en die der hedendaagfe,
met vermaak kan nazien. Tot aan het
XXXVII Kapittel handelt hy van de
hemel-ligtjes, van de ftaart-ftarren , he-
melfche verfchynfelen „ lampen , vlam-
men ,
January en February 1719. I7
menslichten, balken , verfcheide coleuren ,
het verfchynen van ’t meer-getal van zon-
nen en maanen, van het dag-licht en de
nagt enz, Tot aan het LXII Kapittel
befchryft hy-de lugt, de faizoenen, van
de kragt der lugt in de hondsdagen, van
de oorzaaken der flag-regens ‚winden
en wolken, donder, blixem, vande ver-
fcheide winden, van ftormen, orcanen,
van het regenen van melk , bloed ,
vleefch, yzer, wol enz. (het welk hy in
de Roomfche Jaarboeken aangetekent
hadde gevonden) van ’t gekraak der wa-
penen en veldflagen in de lugt gehoort,
van de donderfteenen, van de hagel,
Íneeuw ; ryp, mift en daauw, en vande
beelden der wolken.
Wanneer een naauwkeurig en opmer-
kend Lezer deze dingen by Plinius na-
ziet zal hy aanftonds ontdekken, dat
- Plinius meer een nieusgierig man, alseen
voorzigtig en. verftandig Hiftotifchryver
der natuur is geweeft , dat hy in de mee-
_— fte gevallen niet geweten heeft, waar en
op wat wyze hy zyne verwondering
behoorde te gebruiken; dat hy meer be=
‚hagen heeft gehad , in het by een ver-
zamelen van ongehoorde wonderen, ver-
PD | tellin=
18 _ Natuur-en Konft-Kabinet ,
tellingen en verzierde Fabulen , als in het
onderfcheidentlyk onderzoek der waare
gefchapenheid der natuurlyke zaaken :
gelyk de meefte van onze Reizigers, die
meer vermaak vinden in ’t vertellen van
wonderen, monfters , en ongelooflyke zaa-
ken,dewelke zy nooit gezien hebben,en die
haar door deze of gene bygeloovige land-
aart op de mouw gefpelt zyn,als in de naau-
keurige waarneeming en befchryving der
natuurlyke dingen , bergen , wateren,
aarde, zeên, gewaflen, faizoen , land,
dieren, vogelen, villen, gronden, vrug-
ten, kruiden , wortelen , winden, gom-
men, harflen, mineralen , enz. dewelke
haar overalomringen , en met haare voe-
ten vertreden worden.
8.
Van het LXTII Kapittel tot aan het
einde van dit tweede Boek, vervolgt P/i-
nius de befchryving van de aarde, vande
Antipodes of tegenvoetige menfchen, van
de fchipvaart door zeên en ftroomen ,
welk gedeelte des aardryks bevaaren en
ter zyner tyd bewoont wierd , van de
fchaduwe der zon-en uur-wyzers, vande
langfte en kortftedag, vande oorfprong
der verfcheide natien , van de aardbevin-
gen en opfpalkingen der aarde, van het
ver-
Jannaryen February 1719. ER)
werzinken en -weder-opborrelen van ei-
landen, bergen, meeren en-binnenlandfche
wateren „ van altyd bevende gronden,
dryvende eilanden , van de. wonderen
zommiger landen, van vloed en ebbe der
zee, en de wonderen der zee fonteinen
en rivieren „ van het zee-zout, van de
kragt der maan en zon op den aardbo-
dem, van dezee-vetten, olien „ bitumineufe
en (brandende ftoffen , en altyd branden-
de, plaatzen , en de wonderen des vuurs,
van de lengte en breedte der aarde enz.
Het derde Boek verdeelt in XXVI
Kapittels ‚van de verdeeling des aard-
bodems in Europa, Afia en Africa, en
eerft van Europa en vervolgens van des-
zelfs koningryken., landfchappen en pro-
wvintien, eilanden, wateren, zeeboezems
en rivieren enz.…na. desoude aardryks be-
fchryving gefchikt. old
aid one Cor
„Het vierde Boek is in XXII Kapit-
tels afgedeelt, en ‘handelt van Grieken-
land „de Griekfeheen andere eilanden „en
van (het overige van Europa.
mies IL.
___… Het vyfde Boek js verdeelt in XXX
Kapittels, en sbefchryft Africa, daar in
B 2 Mau-
26 Natuur-en Konft-Kabinet „
Mauritania , de provintie of 't wingeweft
‘Tingitania , Numidien , Cyrene , Lybien,
ZEthiopien , als ook Afa, Alexandria,
Arabien, Syrien , Palzeftina , Phoenicien,
Idumea , Samaria, Judea , Galilea ,
van de Jordaan, van’t Jodenpik; vande
‘Efleen , haar levenswys zonder vrouwen,
haare penitentie en ftrenge levensmanier ,
hoe zy vermenigvuldigen door navolgers,
haare woningen in Judea enz. Van Ty-
rus en Sidon, vandeberg Libanon, van
de Euphraat, van de Stad Palmyra ge-
legen tuffchen ’t gebied der Parthen en der
Romeinen, vande Indus, van Laodicea,
Apamien, Jonien en Ephefen , van 4o-
lis Troas by de Hellefpont en Pergamen,
vande vooreilanden van Afien, van Rho-
dus , Samus, Chius, van veel Afiatifche en
Griekfche Eilanden , van de Hellefpont ,
Mya, Phrygien, Galatie, Bithynie ende
Bofphorus. Hier uit-zal de Lezer klaar-
lyk bemerken , dat deze natuurlyke Hif-
torie van Plinius beter na een bondel
Adverfaria gelykt, als na een ordentely-
ke befchryving van de natuur: want de
menigvuldigheid van zaaken , dewelkein
elk Boek , en dikwils in elk Kapittel
worden voorgeftelt , verbeelt meer een
tafel of regifter der natuurlyke dingen,
als
January en February 1719. zt
als een Hiftorifche befchryving der zel-
ver.
12.
_ Het VI Boek beftaat uit XXXIV
Kapittels, en vervolgt de zelfde ftof van
de plaatzen, volkeren, zeên, fteden , ha-
vens, inhammen, zeeboezems, oude en
latere volkeren , van de Pont Euxin,
van de Paphlagonifche en Cappadofi-
_ fche volkeren, de verfcheide volkeren
van ’t landíchap Themiscyrenen , van
de Cimmerfche Bofphorus, en het Lac
Meotist, en de volkeren daar om heen
woonende, van de beide Armenicn, van
Albanien en Iberien , van de ontelbaare
volkeren gelegen aan de Scythifche
Oceaan , Cafpifche en Hynanifche zee,
van de Tarters of Scythen, en haar on-
telbaar verfcheide foort van volkeren , van
de vloed Ganges en de volkeren van In-
diën, van haare legers uit voet-en paarde-
haare en olyfanten , vande verfcheide le-
vens-manier der Indianen, hoe zommige
zig geneerden met de landbouw , ande-
re met de kryg te volgen, andere met
haare Koopmanfchappen na andere landen
_te vervoeren,en uitlandfche waaren in haar
vaderland te brengen : van haare rege-
ring en regtspleging , en koninglyke
Á 5. __hof-
22 Natnar- en Konft-Kabinet,
hof houding , van haare Godsdienften ‚en
verrigtingen met Olyfanten. Hy zotcert
dat in de Ganges een Eiland legt, daar
de Mogollen op woonen, van een groot
getal Koningen, welker magt van voet-
en paarde-volk en olyfanten hy befchryft.
Hy handelt van de groote vloed Indus,
van de volkeren en zatten omtrent dezel-
ve, het eiland Taprobane of ’*t heden-
daags Ceilon , van Karmania hedendaags
Kharmanvande Perfiaanfche enArabifche
zeeboezems, van het paarl-ryk eiland
Caícandius. Hy befchryft hier zeer naauw-
keurig de Ryken der oude Perfen of
Parthen , benevens haare grenffcheidin-
gen, alsook Medie , Mefopotamie , Ba=
bylonie, en Seleucie , ’t welk Sanf/on hee
hedendaags Bagdad oordeelt te zyn; van
de rivier de Tigres ; van Arabien , het
welk hy al vry wel befchryft, van de
boezem der roode zee enz. van de verfchei-
de en wonderlyke gedaantens der men-
fchen. In dit Kapittel heeft hy veele
zaaken ingelapt, met dewelke zyne na-
tuurlyke Hiftorifchryvers hem lelyk heb-
ben mifleid. -
/ 13.
Alhoewel Plinius veele onwaarheden
(door zyne Auteuren mifleid zynde) aan:
tekent ,
BEEZ
january en February 1719- 23
tekent, en veele zaaken om de ontelbaare
menigte zeer duifter voorftelt, moet ech-
ter een iegelyk kender en Lief hebber der
goede Letteren toeftaan , dat wy oneindig
aan ’s Mans vlyt en naarftigheid verpligt
zyn, dewyl wy een ongelooflyk getal
van koftelyke zaaken en waarheden des -
ouden tyds zouden verlooren hebben, in=
dien Plinius, (by dewelke veele zaaken,
die nergens anders te vinden zyn, ver-
haalt worden) dezelve niet voorde vraa-
tige eeuwe en roeft der tyden hadde inge-
zult en bewaart. Behalven dit, zo is Pli
nius Zodanig een grooten leugenaar niet
geweeft , als zommige onkundige daar
wel van getuigen. Hy was cen opregt,
eerlyk en deugdzaam Man, en is door
zyne Schryversen voornamentlyk de Grie-
ken in zommige gevallen maar mifleid. Ik
hebin de Griekfche Bibliotheek van Pho-
tus verfcheidene Auteuren en Griekfche
leugenaars gelezen, dewelke Plinius ge-
bruikt heeft : en de groote Fofeph Scali-
ger ftelt vaft, dat aande natuurlyke Hif-
torie van Plinius de laatfte hand nog gerf-
fchaaf geenzins geweeft is, maar dat het
maar verzamelingen zyn om een Boek
uit te maaken.
B 4 Na
24 Natuur. en Konft-Kabinet,
14.
Na dat Plinius met het zelfde Boek
een flot gedaan heeft aan zyne wereld-
en aardryks-befchryving, heeft hy in het
zevende Boek, dat uit LX Kapittels be-
ftaat , gehandelt van de meníchen des
aardryks, en van haare nationale en by-
zondere eigenfchappen en wonderlyke
hoedanigheden, haar verfcheide manier
van fpreeken , redenkavelen, haar ver-
fcheide taalen, haare oneindige verfchei-
dentheid van gedaantens, en wezens of
aangezigten, van de aanmerkelyke zaa-
ken der Tartaren, van de monftreufe mis-
geboortens , van de voorttelingen der
menfchen, en haar wonderlyke geboorte,
aanmerkingen over ’t menfchelyk lichaam
van elk menfch , byzondere en eigene
gewoontens of aanwenzels, der zelver
iterkte en rafligheid , van verfcheide krag-
tige menfchen en vlugge hartloopers, van
voorbeelden van groote geduldigheid en
geheugen : Hoe Koning Cyrus alle de
Soldaten van zyn geheele leger konde
noemen ‚ en hoe Mithridates, Koning
van twee en twintig watien, elk in haar
taal in ’t openbaar konde aanfpreeken.
Hoe Simon en Metrodorus de konft von-
d:n om alles te onthouden : De lof van
Jul
January en February 1719. 25
_ Sul. Gefar , die te gelyk fchryvenen le-
A
í
|
qd
zen en een ander voor differen konde
en daarenboven diffinét andere aanhooren:
De lof van Pompejus de groote, de lof
van Cato de eerfte. Onder de alderge-
lukkigfte vernuften telt onzen Plinius
Homerus en Alexander de groote. Hy ver-
haalt veel aanmerkelyke zaaken van P/a-
to, Ennius, Virgilius, Varro en M.Tul-
lus Cicero. Hoe in deftigheid van zee-
den by-de Romeinen uitgeblonken heb-
ben Catus bygenaamt Corculus, en by de
Grieken Socrates. Hy handelt vande eer-
baarheid , van de vroomheid, en hoeda-
nig Berofus heeft uitgemunt in de Star-
rekunde, Apollodorus in de Grammatica ,
Hippocrates in de Geneeskonft, Archime-
des in de Meetkunde en werktuig-en
bewegings-kragtkunde , Cref/phon Guos-
fius in de Bouwkunde om de heerlyke
Tempel van Diana van Ephefen: Phi-
Jon over het toeftellen van een wapen-
fchuilplaats tot Athenen voor duifend
fchepen. CGtefebius vermaart in watertuig-
en parf-kunde , veelderhande wonder-
lyke Konftítukken, fchilderyen en beelden
enz. De lof van den Keizer duguflus, van
de verfcheide en langfte levenstyden der
menfchen, van de wonderlyke ziektens
B 5 en
26 Natuur-en Konft-Kabinet ;
en fterfgevallen, van de ziel der men-
{chen en de geeften der afgeftorvene ;
van de eerfte uitvinders der konften ,
handwerken , wetenfchappen , konftítuk-
ken, en nieuwe zaaken en nuttigheden.
Is.
Het achtfte Boek beftaat uit LIX
Kapittels , en handelt van de dieren ,
dewelke het aardryk bewandelen : van
de olyfanten, haar leerzaamheid, voor-
zigtigheid ‚ verftand, geheugen, haare
tweegevegten; op welk een wyze zy in
de wilderniffen gevangen en getemt wor-
den: van de behendigheid der dieren,
van de ferpenten, het klein getal van dic-
ren in Tartarien, en van de eigenfchap
van elk land in het voortbrengen van by-
zondere dieren : van de leeuwen, pan-
thers; tygers, cameelen, cameloparden,
van de neushorens , wolven, van de cro-
eodil , zee-koe , en cen menigte Afri-
caanfche en Agyptifchedieren : van fte-
den en volkeren door klein gedierte uit-
geroeit. Hy verhandelt in dit Boek on-
telbaare dieren en diertjes, maar zonder
de alderminfte nettigheid of ordre.
16.
Het negende Boek verhandelt in
LXII Kapittels zeer veel merkwaardige
zaaken
eene
Sfanuiary en February 1719. 27
zaaken van de viflen; groot en kleine,
zee-en rivier-viffen, haar byzondere nar
vuur, monftreufe grootte , van de fchulp-
viffen , kwabben „ kreeften , en ontel=
baare foorten van kinkhorens, fchulpen
paarlen en waterfchatten. Van de purper-
vifch, en by die gelegentheid van de
verfcheide dierbaare coleuren by de Romer=
nen gebruikelyk. Vande zinnelyke ge=
waarwording der viffen, van de zee- grond 4
klip-en zeewater-gewaflen; van de ziek-
tens-der viflen, en derzelver verwonde
renswaardige voortteeling. Van de eyer=
leggende viflen, van het lang leven zom-
miger viflen, van de viffen dewelke te
gelyk op het land leven, van de vriend=
_íchap en vyandfchap der viflen.
17e
Met het tiende Beek befchryft Plinias ,
in LXXV Kapittelen, de natuur en ges
fchiedeniffe der vogelen, haare verfchei-
de naamen en hoedanigheden , haaré
voortteeling en eyeren, broeying en ver-
eeniging, haare ziektens en genees-mid=
delen enz. alles zodanig kort, enzo ryk
en overvloedig van zaaken dat alleen het
melden van elke zaak een boek zoude uit»
leveren,
Het
25 Natuur-en Konft-Kabinet ,
18.
Het elfde Boek is in LIV Kapittels
verdeelt , en in dezelve handelt onzen
Plinius van de infetten, of bloededlooze
en kruipende dieren en diertjes. Plinius
verdeelt dezelve in haare byzondere ge-
flagten en ioorten, en oordeelt dat ’er
veele verwonderens-waardige en aanmer-
kelyke zaaken in dit by uitftekentheid
klein gedierte voor de naauwkeurige be-
fchouwers te ontdekken zyn. Welkeen
beleiden wysheid , ‘welk een kragt, welk
een onoploflelyke volmaakte fabryk der
deelen vertoonen zig in dit nietige en
kleine gedierte, roept onzen Schryver
met verwondering uit! Hoe zoude dien
voortreffelyken Romein zig nu wel ver-
wonderen, indien hy opzag, en ter be-
fchouwinge kreeg cen geheele nieuwe
wereld van levendige fchepzeltjes, by zy-
ne Naneven door behulp der vergrootgla-
zen ontdekt? Hy fpreckt hier op ver-
fcheide plaatzen van haar geluiten ftem ,
van haare zinnen en gevoelige deelen,
van haar gezigt, gehoor, reuk, {maak -
en gevoel, van haar vernuft en kontt in
het weeven van netten toetakelen van
gebouwen ‚ woonplaatzen en magazpnen
voor haare winter-provifie, van de byen
en
E.
8
he
’
b __(#) Wagoge in Rem Herbariam:
id
#
January en February 1719. 29
en haare foorten, van haare ademhaling,
en van haar bloeden vogten, vande ver-
fcheide foorten van hooning en-waích ;,
haarë ziektens en geneesmiddelen, vande
“verfcheide {oorten van zywormen , haare
wonderlyke fchepzel-verandering en zy-
den, en vorder van veele andere in/eëten,
Ook maakt hy in dit Boek een buiten-
treding van een vergelyking van der men-
fchen ledematen met die derdieren. Van
de verfcheide foorten van bloed, van de
melk , kaas , nagelen , klauwen , tecl-
deelen enz.
19.
De voortreffelyken (a) JoserHus Prr-
TON TourNerorT heeft aangemerkt,
dat van alle de oude Romeinfche Schry-
vers, niemant de Kruidkunde meer ter
herte genomen heeft als onzen Plinius;
en de groote Natuurkender Gresrerus
heeft ontdekt, dat Plinius van het twaalf-
de Boek zyner. natuurlyke Hiftorie tot
aan het zevenentwintigfte Boek, vande
planten en gewaflen heeft gehandelt. Het
twaalfde Boek handelt in XXVII Ka-
pittels van de boomen, derzelver waar-
neming en voortplanting , geflagten en
foorten, van-haare vrugten ; ideen
ar=
30 Natuur- en Konft-Kabinef,
harffen , zappen, balzem, olien, catoe-
„nen, van de fpeceryen, zuiker, welrie-
kende vogten , bloemen en zaaden.
20.
In het dertiende Boek, dat uit XXV:
„Kapittels beftaat, handelt Plinius van de
zalven; Ámeerzels, ende boom-gewaffen
„die aan de zeekanten groeien, van het
welriekend koninglyk fmeerzel, en van
de overdaad der ouden omtrent de wel-
riekende zalvingen en {meeringen des
lichaams ender klederen. Paarlen, (zegt
hy) edele gefteentens en pragtige klede-
ren worden nog nagelaten aan de erfge-
naamen 5 maar zalt, fmeerzel , ftrykzel
verdwynt in de lugt, en die de welrie-
kende reuken by zig dragen , ruiken die
door de gewoonte zelfs niet. Hy verhaalt,
„dat zommige zig zodanig lieten met olie
befmeeren , dat haare voetftappen. een
fterke reuk nalieten, en andere gevlugt
zynde uit haare fchuilhoeken , beklapt
wierden door de fterke reuk van haar
‘befmeerde ledematen en kleederen. Hy
{preekt van de verfcheide foorten van
gommen, en van het papier, dat in de
poelen van ZEgypten groeide; hy ver-
„haalt,dat het papier gevonden is.na de overe
“winning van dlexander de Groot, datde
blade-
Jannary en February 1719. _3t
bladeren der palmboomen voor die tyd
voor fchryf bladeren verftrekten „ als ook
de bladeren van andere boomer: dat de
openbaarc monumenten in bladeren van ge-
klopt lood gefchteven wierdenjen zommi-
ge in daar toe bereid wafch, dat die van
Pergamen het parkement hebben uitge-
vonden. Hy {preekt van de bereiding des
Agypufchen papiers tot fchryf bladeren :
van de verfcheide {oorten- des fchryf-pa-
-piers, van ‘derzelver deugden en gebre-
ken en lymftoffen. Hy haalt ’t papiers
ouderdom veel hooger op ; als Varro,
die daar van gehandelt heeft, en toont
dat de Boeken van Koning Nwma gevon-
den zyn in fchryfpapier befchreven. Hy
handelt in dit Boek van verfcheide boo-
men en heefters van Afiaen Griekenland,
LExhiopien, den Atlas, van de boomen _
der roode en Indiaanfche zee , maar alles
zeer verwart en zonder ordre.
21.
Het veertiende Boek handelt , in XXII
Kapittelen , wan de wyngaarden, haare
… geflagten , oeffening , waarnemingen
onderfcheid na verícheide gronden en
danden , van de natuur des wyns, des-
zelfs groot gebruik: en misbruik. Hy
_ vertelt, dat Zwdrocydes , wermaart door
Wys=
32 Natuur-en Konft-Kabinet,
wysheid , aan dlexander de groot fchreef;
Koning, als gy wyn zult drinken, gedenk
dan, dat gy het bloed des aardryks in=
flurpt. Hy handelt van de volgeettige
wynen, van de ziltige wynen der Grie-
ken, van veertien foorten van zoete wy-
nen, van de waarneming-der wyn, en
van de wynen der ouden en derzelver
gebruik : vande nagemaakte wynen door
konft uit zaad, appelen, peeren, palm-
boomen, bladeren, vrugten; van ’t ho-
ning-water en de meê, van de pikken
en harflen om de matten te bewaren ,
van de azyn en wynmoer, van de wyn-
kelders. De geleerde Andreas Baccius
heeft een natuurlyke Hiftorie gefchreven,
van alle de verfcheide wynen en derzel-
ver bereiding van alle de bekende land-
{chappen des geheelen aardbodems, een
boek in folio ’t welk tegenwoordig zeer
raar is.
22. |
_In het vyftiende Boek zyn XXX Ka-
pittelen, dewelke handelen vande vrugt-
dragende tammeboomen, vande olyven,
het maaken van de oly, van andere ge-
par{te olien uit amandelen , laurierbeffen „
en van gekookte olien. uit gewaflen »
uit myrthebeflen , uit citroenen , Gaper
ens
Sfannary en February-1719: 33:
‘ fen; ‚ nooten; cederappelen; en;een me-,
nigte andere: van deappelen, ‚per zien,
peêren, pruimen, vygen , mifpels„ kas-
tanjen, karzen, zappen en andere ontel-
baare zaken.
Het zeftiende Boels” Ee enge uit XLIV
| een beftaat , befchryft ons de Boo-
men der boffichadien ‚ de grootte der
… Heroyn/the boflchen en wouden, de ei-
kels,-pynappelen „ -hafel- en okkernoo-
__ tenenz. Bladeren sfchorzen ‚ houten enz.
_en derzelver gebruyk tot mifting en
bouwkunde, maaken van korven, man-
dens, en huiscieraden en gereedfchappen ,
de verfcheide foorten der busboomen,
bhaare fappen , harflen , terpentynen ,
lymftoffen en gommen.
Dd:
In het zeventiende Boek „dat: in
XXVIII Kapittelen verdeelt is „ verhaalt
de Hiftorifchryver veel wonderlyke en
aanmerkenswaardige zaaken vande Boo-
men, van de getempertheid des lugts ,
met betrekking op de boomen, van de
_ hoedanigheid. der landfchappen in meer-
der of minder boomrykheid, van de ver-
_ fcheide foorten van aarde tot de boo-
| ak de verfcheide kleien en mergels,
(5 Mila
34 __ Nafunr-en Konft-Kabinet,
meft, zout; van de{noeying en inenting
der boomen, derzelver bepleiftering , van
de gebreken en geneezingder kwynende,
boomen.
25.
Het achtiende Beek handelt ryk_en
„overvloedig , in XX XV Kapittelen ,
over de land- en tuin- bouwkunde. Hier
brengt de Schryver zyn Lezer uit groote
en wytuitgefpreide boffchadien , in de
heerlyke en door konít opgetooide tui-
nen „ tuffchen de rype en nederwaarts
hangende vrugten , en perken gefchakeert
met bloemen van alderhande liefelyke
geuren en coleureg ‚ van honderderley foor-
ten en gedaante , aangenaame groene
gewaflen en planten, geoeffent tot nut,
vermaak en gezondheid der menfchen;
bekranffing en bewierooking der oude
Heidenfche Afgodenenz. Van daar treet
de Lezer met eene tred in de grafige wei
… den by de vette offen , melkkoeien,
fchaapen ; eenden , ganzen „ duiven 3
hoenders ; paarden ; jok-offen en ander
tamvee; ploeg, dorsvloer „ velden, ak=
kers beploegt, bezaaid of gekroont met
rype koornaaren. Op een andere plaats
heeft hy de lof van het landleven, eù
welke Komngen ; Prinffen ; Ee ö
Velt-
A
4
d
EN
}
|
January en February 1719. 35
Veltoverften en Burgemeefters van Ro=
men. daar oeffening en vermaak in gehad
hebben , en in de landbouw hebben uit-
gemunt. De gewoontender oude Land-
bouwers , het toetakelen der landen ,
hutten, boerchuizen; fchuuren en plaat-
zen, de bereiding der grond, en mefting
van land en dieren, de verfcheidentheid:
van koorn-enakker-bouw en landvrugten,
de koornmolens , de koornvrugten van
elk byzonder Landfchap. Van hetdeeg,
geft , brood ; bakken , kooken van de
tuin-keuken- en peul-vrugten. Wat in
elke maand op *t land en in de tuinen
moet in acht genomen en verrigt wor=
den, de faizoenen ; de waarneming der
maan, ftarren en winden, en: voorteke=
nen-der ftormen enz.
MIC 26.
„Het negentiende Boek heeft maar XIE
Kapittels, en fchynt: een aanhangzel van
het. voorgaande, het handelt van het vlas
en deszelts gebruik „ van de hennep, en
van de bereiding der tuinen en waarne=
ming der tuingewaffen.
gab 27
Het twintigfte Boek handelt, in
XXIV Kapittelen, vande geneesmidde=
len uit tuin-en-keuken-kruiden, en van
G.2 de
36 __Natuur- en Konft-Kabinet,
de waarneming der moeskruiden, kon-
kommers, falaadt ‚ toekruiden enz. alles
met een onbefchryfelyke kortheid , ryk-
dom en verandering, aan Plinius overal
eigen.
28. :
Behalven deze groote overvloed van
zaaken en natuurlyke fchepzels, vint de
Lezer ‚met een aangename verandering ,
’t geheele werk doorzaaid met keurlyke
Outheden en Hiftorien , alsby voorbeeld.
Het eenentwintigfte Boek handelt in
XXXIV Kapittelen van de natuur der
bloemen, en van die kruiden, bladeren
en bloemen, dewelke expres gezaaid en
geplant wierden, om. de bloemkranffen
(by de aaloude in ’t gebruik) te fchakee-
ren. Welke Volkeren eerft de bloemen
en bloemkranflen op haare feeftdagen
en heilige fpelen , op de graffteden en
begraafplaatzen ‚ en by haare huisgoderi
hebben gebruikt , dat dezelve in de plaats
van boomen met groote kroonen „ die
te voren gebruikt wierden , zyn inge-
voert. Van de groote overdaad , de-
welke in die kranflen , door het tuffchen
invoegen van plat geflagen goude en zil-
vere bladeren , en het beftryken mer wel-
riekende olie, tot Romen wierd gepleegt
van
®
January en February 1719. 37
_ van de cierlyke opkwik der met rofen en
__viool en andere bloemen beftikte klede-
ren, van de geneesmiddelen die uit de
bloemen gemaakt wierden, en der bloe-
_ men en welriekende kruiden medicinale
kragten.
29.
Het twee-entwintigfte Boek beftaat uit
„XXV Kapittelen. Het dricentwintigfte
Boek uit LX, Het vicrentwintigfte Boek
uit XIX. Het vyfentwintigfte Boek uit
XIII. Het zesentwintigfte uit XV Ka-
pittels. Het zevenentwintigfte Boek uit
XIII. Het achtentwintigfte Boek uit
XX. Het negenentwintigfte Boek uit VI.
Het dertigite Boek uit XVI Kapittels.
_ Het eenendertigfte Boek uit XI. Ln het
twee-endertigfte Boek uit XI Kapittels.
In-deze Elf achtereenvolgende Boeken
fchynt onzen Plinius veel eer een Ge-
neesheer , als een natuurlyk Hiftorifchry-
ver. Hy {preekt van de fappen der krui-
den, daar de Barbaarfche Volkeren, de
Sarmaten, Britten Enz. haar lichaam me-
de beftreken; van de medicinale kragten
der kruiden en gewaflen elk in 't byzon-,
der. Van de bereiding der enkelde en
\ Zamengemengde geneesmiddelen , van
‚ verfcheide ziektens en gebreken des lic=
Ie. 3 haams
38 Natuur-en Konfl-Kabinet,
haams en deszelfsdeelen , van het gebruik
der geneesmiddelen inde in-en uitwendi-
ge ziektens en toevallen des lichaams.
Van de Geneeskonft der aaloude en eerfte
Schryvers onder de Grieken en Latynen,
over de kragten der geneesmiddelen , van
de beeten der ferpenten en dolle honden.
Hy verhaalt, dat in Duitfchland aan
deze zyde des Ryns, na de zeekant een
Bron was, daar de Soldaten van’t Leger
van Germagicus uit drinkende , binnen
twee a drie jaaren de tanden van uitvie-
len, een ziekte by ons onder de naam
van Scheurbuik maar al te wel bekent.
Hy verhaalt,dat het zekerfte geneesmiddel
washet Herba Brittannica „en dat de Frie-
Jen, die in de Romeinfche Legers waren ;
dit kruid en deszelfs gebruik aande Ro-
meinen leerden. Hy'fpreekt van verfchei-
de ziekten haare naamen, en wanneer
zommige van dezelve haar onder ’t men-
fehelyk geflagt hebben beginnen te open-
baren, by welke volkeren eerft ontdekt ,
en op welk een wyze zy van ’t eene land
in ’t andere zyn overgebragt door be-
fmetting enz. Van de lof der eerfte en
vermaartfte Geneesheeren , van Zippo-
cratess Diocles , Caryfleus ‚ Praxagoras ;
Ghryfippus, Erafiftratus ‚ Heropbilus 5 vide
cle-
Sfanuary en February 1719. _ 39
Aftlepiades, die ten tyde ván de groote
__ Pompejus een nieuwe Geneeskontt ftigte ,
dewelke in exercitie des lichaams, ftry-
king der ledematen, en foberheid van
leven beftond, verbiedende het gebruik
van meeft alle inwendige geneesmiddelen.
Hy handelt van de geneesmiddelen, de-
welke haar oorfprong ‘hebben van de
dieren van alderlei foort en derzelver
deelen. Hy toont, dat de Geneeskonft
in de Trojaanfche oorlog, maar meeft de
Heelkontft in gebruik is geweeft, en van
dietyd af tot aan de Peloponefche oorlog in
een duiftere nagt is geweeft, enalleen be-
kent by de Tempelpaapen van Efculapius,
Aftlepiades genaamt. Dat Hippocrates ( uit
deze Societeit af komftig) haare gencesre-
gelen, waarnemingen en geneesmiddelen
der ziektens heeft uitgefchreven , en tot
Athenen en in geheel Griekenland door
zyne Schriften dezelve heeft bekent en
openbaar gemaakt. Hy fpreekt van de
oorfprong der T'overkonft, dat dezelve
uit de Geneeskonft en Waskonft is ge-
boren, en van derzelver uitvinders,enby
welke volkeren dezelve meeft is geacht
_geweeft. Hy handelt van de geneesmid-
ads
delen uit zeegewaffen en viflen , van de
kragten van verfcheide wateren , van veel
C 4 wonder-
49 Natuur-en Konft-Kabinet ,
wonderlyke, en medicinale fonteinen en
bronnen. «Van verfcheide foorten van
zouten ‚ en hy haalt zo ontelbaar veel
zaaken overhoop, en alles zo zeer door
malkander geflingert , dat overal zyne
onkunde van de waare geneeskon{t door-
fteekt. Hy befchryft alles na de opizie ,
dewelke de onkundige menfchen van de
Geneeskonft hebben , of alle die zich zelve
inbeelden, dat de geneeskontt beftaat in
de kennifle der remedien;, daar deze zo
genaamde kennifle maar een verachtelyk
deel van de geneeskontt is , en by de minfte
Apothekers jonge in een jaar geleert kan
worden. ‘De Geneeskonft kan niet ge-
leert worden uit de boeken alleen
van de Geneesheeren, dewyl een en de
zelfde ziekten door ontelbaare omftan-
digheden, zelfs in een en zelfde meních
voorvallende , alle ogenblikken dikwils
veranderen; en deze verandering moet
de Geneesheer kennen en ontdekken, door
’t opfpeuren van de veranderende om-
ftandigheden, dewelke hy nimmermeer
opfpeuren zoude, als hy niet door dienft-
baare wetenfchappen onderwezen „ alle
de zaaken in de grond onderzogt hadde,
die magtig zyn deze veranderende om-
ftandigheden te veroorzaaken. Als een
Ge-
January en February 1719. Ar
_ Geneesheer de veranderende omftandig-
‚heid ontdekt heeft, en nade omftandig-
heid ook zyn geneeswys verandert en
_ fchikt, isniets zo gemakkelyk voor hem,
als het medicament of ’t gereedfchap te
vinden, wantdat weet de minfte Apo-
theker wel. Maar al word dit duizend-
__maalaan de menfchen beduidt ( die bui-
ten deze dwaaze opinie anders dikwils zeer
wys zyn) vallen zy altyd weer op haar
“oude opinie „dat de geneeskonftis de ken-
nifle der recepten en kwakzalvers reme-
dien.
Be. 30.
‚ Het drieendertigfte Boek handelt , in
XIII Kapittels, van de natuur der Me-
talen, en eerft vanhet goud. Och roept
Plinius uit , konde doch het goud uit
het gebruik gebragt worden! wat leef-
dens, vervolgt hy, de meníchen in voo-
rige tyden gelukkig, en doe zy tentyde
der oude Trojanen de goederen en waa-
ren tegens malkanderen ruilden. Hy heeft
een vervloekt ftuk begaan, die de eerfte
goude ring aan zyn vinger tak. Goude
ringen te dragen , zegt hy „ is van de Grie-
ken by ons overgewaait , het is zeer lang
_ geweeft, dat zelfsde Senaat van Romen
niet gewoon was goude ringen te dragen ,
C | niet
42 Natuur-en Konft-Kabinet ,
niet als die in een Gezandfchap gezonden
wierd was dit toegeftaan, zodanig een
wierd een goude ring in ’t openbaar ge-"
geven. Hy verhaalt de oorfprong der gou-
de kroonen, en wanneer het goud, zil-
ver en kooper eerft tot gelt-fpecien ge-
munt zyn. Hy zegt, dat in zyn tyd
het goud gevonden wierd in de groote
vloeden, in de Zaag van Spanjen, in de
Po van Italien, in de Hebrus van Thra-
cien, in de Paflolus van Aften, en inde
Ganges van Indiën. Die het vergaderde,
fchepte het zand vande gronden der vloe-
den, en fpoelde het zelve zagtjes af, op
een wyze dat het goud overbleef. Hy
verhaalt, dat onder de regering van Ve-
ro, een groote menigte goud na boven
uit de grond in Dalmatien wierd uitge-
worpen, en dagelyks gevondén , en dat
uit de onvrugtbaare bergen van Spanje
goud wierd gegraven. Hy befchryft de-
ze mynen, en het bereiden van het dan
uit zyn minerale aarde en onreinigheid.
Hy zegt dat het meefte goud in Aftu-
rien, Gallicien, en Lufitanien of Portu-
gaal gevonden wierd : en dat in de goud-
mynen de Chryfocolla gevonden word,
dewelke van een vogt , door de goud-
aar heen vloeiende , in een fteenagtige har-
digheid
Na diend
he eme
ee ed
Sanuary en February 1719. 43
digheid ftremt. Zy wordook gevonden
_in de zilvere lootmynen, maar flegter als
die in de goudmynen groeit. De Chry-
focolla word ook door konft voortgebragt ;
zy werpen de geheele winter door water
in de goud-ader totde maard Juny door,
en als dit in July en Auguftus is wegge-
dampt, haalen zy deze Chryfocolla uit
die minder deugdzaam is als de natuur-
lyke, en geel van coleur. Zy ftampen,
ziften en maalen dezelve; zy fmelten ze '
in azyn , waffchen en droogen ze, en
vermengen daar onder en koleuren ze met
het kruid Wutea , Almen fchifum en Aluin.
Hy verhaalt de verfcheide foorten van de
Chryfocolla „en haar verfcheide bereiding ,
haar medicinaal gebruik , en datde goud-
{meden de zelve gebruiken om het goud
tefoudeeren.
31.
Het zilver , zegt onzen Plinius , word
nergens gevonden, als in de mynen, en
nooit zuiver, gelyk zomtyds wel het goud.
Deszelfs mineraal-aarde is of roodagtig of
asgrauw „ en het laat zig niet uit zyn ó-
neraal-aarde uitfmelten, als door /behulp
van loot of loot-mineraal-aarde. ‚Hy ge-
tuigt „ dat het zilver in zeer veel lan-
den wierd gevonden, maar meeft en zui-
verft
44 Natuur- en Konft-Kabinet;,
verft in Spanje op dorre , klippige en
bergagtige gronden. Hy verwondert
zich , dat deze Spaanfche zilver-mynen
zo oud zyn, dat zy al van de tyden van
Hannibal zyn geopent geweeit, en nog
haar zelfde naamen van haare ontdekkers
dragen; onder dewelke, zegt hy, isnog
een bergwerk hedendaags, dat Bebelo ge-
naamt word, dewelke voor Hannibal da-
gelyks driehonderd ponden zilver bezorg-
de. Hy verhaalt, dat de reuk, uit die
zilvermynen koomende, nadeelig is aan
meeft alle dieren, en voornamentlykaan
de honden. Hy {preekt ook van een
fteen, dewelke in de mynen gevonden
word, die kwikzilver uitlevert, dit zal
de natuurlyke cizaber of vermilioen zyn.
Hy fpreekt van verfcheide mineralon
dewelke in de zilvermynen gevonden
worden, en van derzelver gebruik.
32.
Plinius getuygt ook, dat de megie in
de zilvermynen gevonden wierd , dat de-
zelve by de aaloude Romeinen voor zyn
tyd in haare heilige oefteningen en feeft-
vieringen gebruikt wierd, dat zy op haa-
re feeften het aangezigt van het beeld van
Jupiter met menie bettreeken, gelyk ook
de lichamen van de zegepraalende Velt-
hee-
k
E.
Ì
4
e
h
4
__ daantens dezer fpiegels, en als ook de
January en February 1719. 45
heeren, dat zelfs Camillus op deze wys
hadde gezegepraalt. Hy verhaalt uit
Theopbraftus , dat de mente eerft gevon-
den is van Gallia van Athenen, dewelke
daar goud vit meende te kooken. P/i-
nis maakt tuflchen de Cizaber of menie
geen onderfcheid als in foorten, dewyl
hy de dingen ‚dewelke hy zelfs niet kent,
_ dikwils befchryft.
Als wy aires ‚ dat de meefte
halfbakke geleerde veele dingen voor
nieuw aanzien , of onlangs of van de
nieuwe wereld of ten minften over eeni-
ge weinige eeuwen gevonden, zal het
de moeite wel waardig zyn , dat wy haar
aanraden om Plinius te lezen, dewyldie
Schryver haar- beter onderrichten zal.
In dit zelfde boek fpreekt hy van de fpie-
gels van metaal, van de verfcheïde wy-
zen „op welke zy geflepen zyn, vande ver-
groöt-fpiegels, van de holgeflepene en
uitpuilde {piegels, van de drinkbekers,
die van-binnen als {piegels geflepen, aan
de gene dewelke daar in zag verfcheide
N uitbeeldingen vertoonden. Dat ’er zelfs
uitgevonden waren,dewelke monfters ver=
toonden. Hy befchryft de verfcheide ge-
Ípie-
46 Natuur-en Konf!-Kabinet ,
fpiegels uit gemengt metaal. Hy zegt
dat ten tyden van de grooten Pompejus
Praxiteles de eerfte was, dewelke deze
fpiegels van zilver maakte. Hy verhaalt
ook de onmetelyke pragt die door de
fpiegels met edele gefteentens , goud,
zilver enz. vertoont wierd; van de on-
uit{prekelyke rykdommen der Romein-
fche Grooten en Burgers, van de zilve-
re vaten, en de geduurige verandering
van de mode omtrentdezelve. Van haare
verfcheide rafelen ; derzelver pragtige toe=
ftel, en dat zommige zelfs de vaten „ daar
zy de fpys in heten kooken, van zuiver
zilver hadden. Van de levensgroote
praalbeelden van zilver. Hy ípreekt van
verfcheide {choone verwen, die in de
goud- en zilver-mynen gevonden wor-
den, als de lazuurfleen, daar wy de u/=
tramarin uit maaken, Het welk hy aan-
wyft, datby de oude ook al gefchiede en
bekent is geweeft, als ook deszelfs ver-:
fcheide foorten , en dat de fchilders het
gebruikten om de fchaduwe van het licht
te onderfcheiden. Dat het beproeft wierd
in’tvuur, dewylhet zomtyds vervalícht
wierd door blauw vioolzap en kryt.
34
Het vierendertigfte Boekisuit XVIII
Ka-
Ô
January en February 1719. 47
Kapittels te zamengeftelt, en handelt:
__ vam de Metale en Minerale aarde, van
koper, yzer, loot en tin. Het koper,
zegt Plinius, word uit de mynruitge-
„graven en gezuivert door kooking, en
word ook van een koperagtige fteen ge-
maakt, dewelke cadmia genaamt word.
Het’ word overvloedig gevonden inAfia ,
em voor dezen in Campanien „nu by on-
zen tyd, zege hy, aan de uiterfte gren-
zen van Ïralien, en na ’t gerugt gaat,
nu onlangs ook in Duitfchland. «In geen
zaak van de Natuur , dewelke Plinius be-
fchreven heeft ; is hy zo gelukkig ge=
weeft ; als in de Befchryving der Meta=
den en Bergftoffen, en het fchynt of hy
veele: bergftoffen zelfs onderzogt heeft.
Ik zoude myn Lezer hier veelinkonnen
onderrichten van de foorten der cadmia ,
van de: natuurlyke cadmia of cobalt, en
vän-de gemaakte cadria uit de kooking
des koopers voortgebragt; als ook van
ontelbaare zaaken; dewelke hier in zou-
dente pas koomen; dog dewyl ik maar
eet uittrekzel maak , om een ruuw
derikbeeld van een natuurlyke Hiftorie te
eden je zulks {paren tot dien tyd,
le sik cell natuurlyk, zamenftremzel ot
Schepzel zelfs befchryf„ en een Hiftorie
2 der
48 _ Natuur-en Konft-Kabinet „”
der natuurlyke wezens zal mede deelen,
met die omttandigheden en hoedanighe=
den, als de zaaken ons van tyd tot tyd
door naauwkeurige onderzoekers , en
volgens haar waaragtige en bekende na=> .
tuur zyn bekent geworden.
5
Daar is veel aangelegen , dat een Ge-
{chiedenisfchryver van perzonen, zaaken
en daaden, door dewelke eigentlyk her
Gemeen een Hiftorifchryver verftaat, de:
perzonen en zaaken niet verkeerdelyk,
maar zodanig befchryft,als zy geweeft zyn;
ende zaaken en daaden verhaalt, gelyk zy
gebeurt zyn ; op dat een iegelyk in de Re-
geerkonft,als ook in Oorlogs-bedryf en
Vrede, insgelyks in de verklaring zom-
miger Wetenfchappen en Geleertheden
enz. zig nuttiglyk van dezelve zoude kon-
nen bedienen , en uit voorgaande uitkom-
ften leeren, wat hem te-myden of na te
volgen ftaat enz. Maar inderdaad Lezer ,
daar is veel meer aangelegen , dat een
Hiftorifchryver van de Natuur en natuur-
lyke fchepzelen zeer naauwkeuriglyk,
zeer voorzigtiglyk en zeer getrouwelyk
de natuurlyke wezens befchryft, gelyk
als zy waarlyk zyn, en dat met zo veel
omftandigheden , dat onze Nakomeli zi
C-
|
|
|
Ee: »
ú
Sanary en February 1719. 49
de zelve uit dit waaragtig en omftandig
berigt zodanig leeren kennen, dat zy niet
het eene voor het andere neemen, gelyk
nu meer als vier eeuwen lang gebeurt
is, in dewelke. de Schryvers gedurig in
-haare fchriften met malkander hebben
moeten twiften, welke deze of een andere
zaak eigentlyk was dewelke de Oude
„met deze of een andere naam hebben be-
tekent. Demeette Oude, of niet naauw-
keurig genoeg, of op vertelling van an-
dere geruft geweeft zynde, hebben aan
veel zaaken naamen gegeven, dewelke
met alle de eigenfchappen vande zaaken ,
„daar wy dezelfde naamenaan geven, geen
„of „weinig gemeenfchap hebben. Z
hebben. buiten alle twyfel geoordeelt ,
dat de zaaken, die zy noemden en be-
__fchreven, alte bekent waren, en al te
gemeen , om der zelver hoedanigheden en
eigenfchappen naauwkeuriger te befchry=
ven. En zulks heeft haar duifter , en haa-
re Nakomelingen ongelukkig gemaakt ;
_ „want zo haaft alseen Natie door opkoo-
mende barbaarfche Volkeren verwoeft
word, geraakt de overleveringe der Konft-
en Natuur-kennis allenskens weg, door
inbreuk vanonkunde , vremde taalen ma-
nieren. Als dan de Nakomelingen dik-
wils
so Natuur-en Konft-Kabinct,
wils duizend jaaren daar na uit de barbaar-
{che duifterniffen weer allenskens weder-
om kicht beginnen te krygen, moeten zy
alle haar trooft in de overgeblevene boe-
ken zoeken, en als de zaaken daar niet
omftandig genoeg befchreven zyn, kon-
nen zy. dezelve uit die magere befchry-
ving niet leeren, en de naam kan haär
geen “dienft doen, dewyl de taal ws de
menfchen verloren en dood is.
36.
Dewyl de. Natuur de Schatkift is, en
de natuurlyke fchepzels de {chatten zyn’,
daar de Konften en Handwerken uit moe-
ten voortkoomen, moet ‘alles “verloten
gaan , als de kenniffe verloren is van de
natuurlyke fchepzelen. ‘Neemt tegen-
woordig tot uw voorbeeld geheel Africa,
dat nog zo onlangs zo vol konften en
weteníchappen was, geheel Griekenländ
en de landen der Oofterfche Chriften
Heerfchappyen, dan zult gy my klaar
genoeg verftaan. Door ’t verlies vände
kenniffe van een natuurlyk fchepzel, kon-
nen dikwils vyfentwintig en meer zo
konften als handwerken verloren gaan,
gelyk ik na dezen u klaarlyk zal toô-
nen.
37. Het
be”
4 January en February 1719. 1
Î
t
Het Kooper word ook gekookt, zegt
_ Plinius -in het zelfde vierendertigfte
__ Boek ; uit een andere fteen, dewelke zy
_„Ghakitis noemen in Cyprus, daar de al-
dereerfte uitvindinge van’t kooperis ge-
_fchiet. (Verftaat nu opmerkende Lezer
„door deze Ghalcitis de koperryke keifteen.)
_ «Nar de ontdekking van ’t kooper in Cy-
prus verhaalt Plinius, waar zulks van tyd
tot tyd naderhand. meer ontdekt is ge-
worden, en hy befchryft veelderhande-
foorten van kooper , en metalen door
_ «kooper gemeng®,. ook veel gebruik en
huiscieraden van kooper. .
BA
“
IE
Hy verhaalt, de de Aaloude voor zyn
«tyd een groote pragt in ’tkooper hebben
vertoont, dat haare drempels en-andere
_-zaaken. van haare Tempels van louter koo-
„per, de daken met kovper gedekt, en
„de Gapitelen der columinen van kooper , en
„dat zelfs by particulieren in haare huizen
„geheele koopere deuren. wierden gevon-
„den. Dat de drievoudige ruftbanken of
sdriclinia ;om aande eettafel mede te leg-:
„gen eeten, van kooper waren; datde
_fchenktafeltjes en zilvere fervies=tafeltjes
of de Ahact uit klink klaar kooper befton-
"5 D 2 den,
Sz Natuur-en Konft-Kabinet,
den, en dat haare eenvoetige tafels (#0-
nopodia) wan gedaante als onze heden-
daagfe thee-tafels, van kooper waren. Dat
haare drievoetige tafels, dewelke zy de
tafels van Delphos noemden, uit louter
kooper beftonden ; dat zy boven dit
alles ter zyner tyd groote hangende
kandelaars , gelyk onze kerkkroonen ,
in haare kerken van kooper hadden, waar
van zommige gemaakt waren als vrugt-
boomen, die met haare rype appelen fien-
den te pronken.
9.
Plinius verhaalt 3 dat het eerfte praal-
beeld van kooper , dat tot Romen gezien
is, een beeld van de Graangodin Ceres
was, dat de aaloude van wafch en andere
harftagtige ftoffen haare beelden plegen
te maaken, en met goud te bedekken.
Hy verhaalt om welke reden eerft beel-
den opgerecht zyn voor menfchen , en dat
de Overwinnaars inde Olympifche Feeft-
fpelen eerft in praalbeelden wierden uit-
gebootft , en de oude Atheziers haare
Alleenheerfchers eerft beelden hebben op-
gerecht. Dat het eindelyk zo ver is
verfpreit, dat zelfs de markten der fte-
den , die maar deel aan ’t Roomfche Bur- |
gerrecht hadden , met praalbeelden op-
ide
bi Jammary en February EIO. 3
_ gepropt wierden, op welker voetftukken
_ de lof der afgeftorvene te lezen ftond. Dat
__deze ode voortkruipende, eindelyk over-
{loeg in de huizen der particxliereen groo-
te Heeren , welker voorhuizen en voor-
zaalen met praalbeelden wierden opoe-
tooit door de gene, dewelke haar hof
by haar poogden te maaken. Hy ver-
haalt, dar de Grieken haare beelden meeft
naakt vertoonden, maar de Romeinen
gekleed, dewelke zy tot onderfcheid ge-
tabbaarde beelden noemden. Hy zegt
‚dat in zynen tyd op alle plaatzen de fte-
den krielden van beelden > hy fpreekt
_ van verfcheide Coloffes en beelden als to-
rens. Van de verfcheide opfchik der
beelden, en welke verfcheide zaaken zy
daar mede vertoonden. Van veel praal-
beelden, dewelke veel beroemde Man-
nen, wier daaden en roemruchtige ver-
richtingen hy aantekent, ter zyner tyd ver-
beeldden. Hy zegt , dat de konft van beel-
den vanleem of beflag (dewelke de Grie-
ken Plaffice noemden ) te boetzeeren ,
ouder, als de Beeldhouwers-konft was.
Hy telt opde allerroemruchtigfte Beeld-
houwers, als Lyfippus , en deszelfs leerling
SChares Ly:dius , dewelke de Apollo of
Goloffis van Rhodus van zeventig ellen of
/ D 3 cubiti
s4& Natuur-en Konfl-Kabinct
cubitì hoogte had gemaakt. De duim
van deze Colof/its , die door een aardbeving
ter neder gevallen was konde van een man
naauwelyks omvademt worden. Behal-
ven deze groote Golof/its waren inde zelve
ftad nog hondert kleine Coloffên. Hy
roemt ook Bryaxis ‚- maaker van vyf ver-
maarde beelden der Goden. Hy roemt $p.
Carnilins en Decius. De Prins van zyn
tyd, zegt hy, was Zenodotus , beroemt
door zyn beeld van Mercuur , daar hy
tien jaaren aan gearbeid hadde. Hy telt
in het achtíte Kapittel van dit Boek op
driehondert en zesenzeftig beroemde
Beeldhouwers, fteltelk in zyn levenstyd,
en verhaalt haare konftftukken , dewelke
ik mede zal deelen, als ik na dezen van
de beeld- giet- boetzeer- en houwkontt
ípreek. Hy befchryft veelderley ver-
menging der Metalen om beelden vante
gieten.
Oe
Dewyl Plinius pa het Eiland Cyprus
en overal de kooper- en metaal-fmelting
zelfs heeft wezen onderzoeken en be-
fchouwt heeft , is het de moeite wel waar-
dig om hem daar overte hooren. Daar
zyn veel foorten, zegt hy, van Cadmia;
want de fteen , daar ’t kooper uit gekookt
word »
Sanuary en February 1719. bx
“word (als hy te voren gezegt hadde )
wierd Cadmia genaamt. Wanneer deze,
zegt hy, door ’t vuur en defterke wind
gefmolten “word , vliegt her alderfynfte
gedeelte van deszelfs ftof aan de binnc-
_wandenen hoeken van't fornuis; het al-
derfynfte en lichtíte van: alle vliegt tot
in de mond van ‘het {melt-fornuis, en
word Capnitis genaamt of wit nief , dat
aan de opperfte dekking van ’t fornuis
blyft hangen; wat laager alsde Capzitis
noemden zy Botrytis oftutia ; en de der-
de foort, dewelke zo hoog niet opryzen
kan, maar aan de wanden der fornuizen
hangen bleef, noemdenzy Placitis, dat
als een korft zig vaft bakte aan de pot-
ten. Uit deze, zegt hy, vloeyennoch
twee anderefoorten , namentlyk r.Oxy-
chitis ‚ van buiten blauwagtig en van bin-
nen witagtig, cen {teen gelyk. En 2.
Offracitis „die geheel zwart is, en zeer bros
met aarde gemengt, en de flechtfte van
vyf foorten. “Hoewel onzen Plinius de-
ze zaaken wat verwart befchryft, gelyk
ik, als ik van die zaaken ‘in de koper-
fmeltingen en bereidingen handele, na-
der zal toonen , moet ik echter belyden,
dat hy veel’hedendaagfe Schryvers be-
__fchaamt.
D 4 Hy
56 Natuur-en Konft-Kabinet ,
41.
Hy fpreekt van de bloem des koopers
zelfs, daar onze hedendaagfe Schryvers
ook kragtig in dwaalen. Zy noemen (in
Cyprus) de bloem des koopers, zegt hy,
wanneer het gefmolten kooper (in andere
fornuizen overgegoten zynde) door ge-
duurig blazen daar uit {prenkelen druppels
als gerft-korreltjes, die zeer rood zyn.
Hy ípreekt ook van de kooper-{chubbet-
jes, dewelkeafvlogen , als het kooper aan
malkander geflagen wierd , door dewel-
ke, zegt hy, de bloem des koopers hier
in Romen word vervalfcht. Daar zyn
noch een foort van kooper-fchubbetjes ,
zegt Plinius, dewelke zy ffonoma noem-
den, anders kooper bruin genaamt. Hy
verhaalt ook, op welk een wyze het
fpaanfch groen of koperroeft door azyn ;
door droefem van de wynpers enz. van
’t kooper gemaakt wierd. Hy fpreekt
van zeer veel andere bergftoffen , dewel-
ke inde kooper-mynen gevonden worden
in zulk een menigte, dat wy een geheel _
boek zouden moeten fchryven, om die al-
le byzonderlyk te melden.
42.
Het is zeer aanmerkelyk , dat de Griek-
fche Dieftorides meeft alle deze zaaken op
de
;
Sfanuary en February 1719. _ $7
de zelfde wyze befchryft, en zommige
veel “naauwkeuriger als onzen Plinius.
Zommige geleerde lieden zyn van gedach-
ten, dat Plinius deze meêfte zaaken uit
Diofcorides heeft gefchreven; maar Sa/-
_mafins , een groot voorvechter van de
/ oprechtheid van Plinius, ontkent dit, om
dat Plinius Diofcorides nergens noemt,
en anders altyd zyne Auteuren melt. An-
dere geleerde zyn van gedachten, dat zy
beide een en de zelveSchryvers hebben ge-
_ bruikt en uitgefchreven, ik zalde gueftie
daar laten, maar op zyn tyd klaar toonen
uit onwederfprekelyke ftukken , hoeda-
nig het met deze zaak gelegen is.
4 ;
Onzen Schryver En de bergftof , daar
_ % yzer uit gekookt word, fprekende,
zegt, dat byna in allede deelen des wee
relds yzer-aarde gevonden word. Datin
het yzer een groot onderfcheid gevonden
word, zo ten opzigte van de grond als
lugt daar het groeit. Hy haalt van het
yzer veel overhoop, dat ik ter zynertyd
in eenandere ordre en klaarder zal mede
E deelen, en indit uittrekzel zal overtlaan ;
_ gelyk ook van het looten deszelfs ver-
_ fcheide foort, en ’t tin en de bergftof-
_ fen, die daar gemeenfchap mede heb-
È Dr ben,
Ko
F0
B:
ek 1
pe
58 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
ben; dewyl Plinius‘door zyn ontelbaare»
overvloed van’ zaaken ‘en uitftekende
kortheid zyn achting by myn lezer zoude
verliezen , als “ik valles vwilde “uittrekken
in de ordre, als hy gefchreven heeft.
4d.
Het vyfendertigtte Boek wan Plinius
handelt, in XIX Kapictels, de lof van
de Schilderkonft , deszelfs vermaarde
Konftftukken, en vande beroemtfte Schil-
ders, mitsgaders van de verfftoffen. On-
zen Schryver verhaalt, dat de Romeinen
zo verlekkert warensop de verfcheide
coleuren en aderen der marmerfteenen ,
dat zy door de Schilderkontt lieten ver-
vullen , daar de natuur in de gecoleurde
marmers en fteenen te kort kwam; en
dat dit marmeren onder de regering van
Claudius uitgevonden wierd. Hy befchryft
de outheid en verfcheidentheid der Schil-
derkonft, zo der aaloude als van zyn tyd,
en veele foorten van uitbeeldingen. Waar
uit de Lezer merken kan, dat hy overal
de hiftorie der natuur en de hiftorie der
konften tragt te paaren.
ai
De Mgyptenaars, zegt onzen Schry-
ver, geven voor, dat zesduizend jaar
vóor de Grieken, de Schilderkonft al by
haar
Á
EN
_SFannary en Februüry 1719. $9
haar gevonden zoude zyn, maar dit is
wiltzans zegt Plinius. De Grieken roe-
men, dat dezelve gevonden zoude zyn
tot Sicyon (dit is een hoofftad van een
klein landfchap gelegen tuflchen Corin-
then en Achajen). Andere getuigen tot
Gorinthen zelfs , maar inderdaad de oor-
{prong is onbekent. De oude vertellen ,
dat zy de fchaduwe van een menfch cerft
met Íinien omhaalden, en dus de Schil-
derkonft vonden , en naderhand deze li-
nien met coleuren vulden. De uitvinding
van de linien word toegefchreven van
Zommige aan Philocles de ZEgyptenaar;,
en van andere aan Cleantes van Corinthen.
Maar Gleophantes van Cotinthen heeft
uitgevonden deze linien te coleuren. Hy
fpreekt van eenigebeelden, die ter zyner
tyd van deze Schilders tot Romén gezien
wierden. Hy melt ook , dat de Schilder-
kont mede al vroeg tot Romen wierd
geoeffent , dat de oude familie van de
Fabien haar toenaam vande Pittoren door
de Schilderkonft hebben verkregen: Dat
de Prins van die eernaam zelfsde vrempel
des Heils heeft uitgefchildert int CCCCL
jaar van de bouwing van Romen en dat
deze fchildery by Plinius tyd nog overig
was. Nadezen, zegt hy, was zeer ver-
maart
B
60 Natuur-en Konft-Kabinet ,
maart de {childery van de Dichter Pacu-
vius (dit zal de Treurfpel-Dichter Pacu-
vius geweeft zyn) de Zufters zoon van
den Dichter Eunius. Plinius verhaalt,
dat Zurpilius een Roomfch Ridder ook
zeer beroemt was, en dat hy mer de lin-
kerhand fchilderde’t welk nooit voor hem
gezien was. De grootíie Prinffen van Ro-
men oeffenden de Schilderkonft , als
A. L. Preiorius , en Q, Pedius Neef van
Auguflus , door bevel vanden Keifer, om
dat hy ftom geboren was. Hy verhaalt,
dat de Roomfche Veldheeren haare over-
winningen lieten uitfchilderen, en in ’t
Capitvol ophangen. .Cefar , M. Agrippa
en Zuguftus hebben ce Schilderkonft tot
Romen zeer begunftigt, als ook 7iberius.
46.
Onzen Plinius {preekt wyd en breed
van de verfftoffen, en verdeelt dezelve
in natuurlyke en door konft gemaakte
verfftoffen : onder dezelve noemt hy de
menie, de armenie , de cinaber of vermi-
lioen, de chryfocolla of het berg- of fteen-
groen, de indicum purpuriffiun (dat een
purperlak der oude was) de fixopis dat is
menie van de Stad Sinope , roodaarde;
paretonium , melinim , eretria auripig-
ment ‚ oker , ceruis , fandaracha en Jaadyrs
dat
SYannary en February 1719. 61
__dat beide foorten- van auripigment zyn,
Scyrifche inkt. De plaatzen, daar deze
verffoffen of gegraven of gemaakt wor-
den , beneffens haar verfcheide foorten,
zyn mede by onzen ftofryken Schryver te
lezen. Hy befchryft de medicinale krag-
ten dezer verfftoffen, ende bereiding van
veele andere uit roet, uit gebrand elpen-
been, van verfcheide verf-aardens , en ge-
maakte verfftoffen. Hy telt een groote
menigte beroemde Schilders en Konftuk-
ken op, en de ftryd van verfcheide Schil-
ders om het meefterfchap , de bekende
Hiftorie van Zeuxis, dewelke de vogels
bedroog, en van Parafius , die Zeuxis
zelfs bedroog. Hy zegt, dat Pamphilus
van Macedonien de eerfte was, die de
geleerdheid by de Schilderkonft voegde,
en voornamentlyk de Rekenkonft en
Meetkonft , hy onderwees niemand als
voor een talent inde tien jaar , welk leer-
gelt aan hem betaalt hebben Apelles en
„Melantbius. -Ên door zyn authoriteit
„heeft de Schilderkonft in Griekenland
zo doorgefteeken, dat dezelve onder de
eerfte trap der vrye konften , in dewelke
zy de kinderen onderwezen, geftelt
wierd.
Apelles,
62 Natuur- en Konfl-Kabinet,
AR: 5 |
Apelles, zegt pihius, is eindelyk op-
gekomen, en heeft alle, dewelke voor
bem geleeft hebben, en die hem volgen
zullen, overtroffen. Hy leefde inde hon-
dert en twaalfde Olympiade , en heeft over
de Schilderkonft gefchreven. - Hy ver-
haalt dat de Schildery , daar de fyne linien
-van Ápelles-en Protogenes om ftrytin ge-
fchildert waren, van hem zelfsnog ge-
-zien was in ’t-Paleis van Ge/ar. Hy ver-
haalt de gemeenzaamen ommegang, die
Apelles met. Alexander-de Groot gehad
heeft „en hoe veel eer 4pelles van die
Vorft genoot. En Plinius melt veel be-
roemde konftftukken van Zpelles , dewel-
ke by zyn-tyd nog bekent waren.
8
48.
Ariftides van T heben word gelyk geftelt
met dZpelles, om dat hyde eerfte is geweeft,
die de neigingen en zigtbaare „werkdaa-
den van des menfchen geeft, de driften en
beroertens en kalmte der ziele , met co-
leuren en trekken wift uit te drukken,
maar zyn coloryt was ‘wat weerbarftiger
als dat van „Zpelles. De Koning: ditalus
heeft hondert talenten betaalt voor een
fchildery van driflides. Onzen Plinius
telt verfcheide andere Schilders op, de-
welke
SFamuary en February 1719. 63
_fwelke elk iets byzonders hebben uitge-
vonden , om de Schilderkontft te verheer-
dyken en te verryken en hy getuigt, dat in
“de T'rojaanfche tyden de Schilderkonft
_tBiee bekent is geweeft. Hy fpreekt van
‘herfchilderen in watch , en van de Emai/-
leer-konft , en dat zelfs de alderoudfte
Schilders de Emailleer-konft hebben
geoeffent, gelyk als Lyfippus, en Pam-
philns de Leermeefter van Apelles enz.
En dat Paufias van Sicyon „ook Leerling
van Pamphilus , inde Emailleer-konfteerft
heeft boven alle uitgeblonken.
5.
Plinius de Bedeker ‚ Beeldhouwers
en Schilderkonft afgehandelt hebbende,
gaat over tot de konft van leeme beelden
temaaken, bydeoude Plaflice genaamt.
Gelyk zy ook een leem- of kleybeelde-
maaker Plaftes noemden. Deze konft
zoude eerft uitgevonden, zyn door de Pot-
tebakker Dibutates van Sicyon tot Co-
_ vintben. En Eyfiftratus van Sicyon , de
Broeder van Zy/ippus, zoude aldereerft
uitgevonden ‘hebben een deeg van gibs
over het aangezigt der menfchen te leg-
gen, op dat het wezen daar in uitgedrukt
zoude worden, en daar naderhand wafch
ingegoten zynde ,-op deze’ wyze een
8 menfch
64 Natuur-en, Korft-Kabinets
menfch in een waflche beeld vertoont en
uitgeprent wierde. Ook zegt hy, dat
deze Boetzeer-konft, het zy, van wafch,
gibs ofaarde, eerder uitgevonden is alsde
Beeldhouwers- of Beeldgieters-konft, de-
wyl deze uitboetzeering voor af ging ‚en
daar na de metale beelden gegoten wiers
den, ende beelden gehouwen , zo dat de-
ze Boetzeerkonft als de moeder der giet-
en beeldhouwers konft is. Damopbilus
en Gorgafus, die te gelyk Schilders wa-
ren, hebben in deze Boetzeerkonft zeer
uitgeblonken. Dat Pois zo natuurlyk
druiven en viffen enz. in wafch uitbeel-
de of het natuurlyk was.
Ó.
Plinius {preekt van de fteen-en pan-en
tegelbakkery voor daken, badftoven en
gevels , vloeren; van de pottebakkers,
en het draayen van de kley door ’ rad,
Hy fpreekt van de verfcheide kley , en
roemt de Samifthe aarde of kley voor de
huisraats-potten boven alle, en de potte-
bakkers van Eretum in ’t land der SaZi-
nen by de Tiber achtienduizend paffen van
Romen. Hy roemt ook zeer *t aardwerk
van Sagunten in Spanjen, en van Perga-
men in Afia, en die van Zullienen Mu-
tine in Jtalien, Hy verhaalt ook de
kontt
SFanuùary en February 1719. 65
_ konft om gebroken aardwerk door kalk
aan malkander te lymen. Onzen Schry-
ver melt ook verfcheide leem-en kley-aar-
dens, die in ’t zeewater gelegt zynde,
in harde fteenen veranderden. Hy verhaalt,
hoe in Africa en Spangen van enkelde
ongebakken leem onvergangkelyke muu-
ren wierden opgerecht „ en ook wachttoo-
rensop hooge bergen, en bolwerken om
de Stedenenz. vanongebakkenfteen, die
__door de Zon als in malkander gebakken
engedroogt wierd.
. set :
Plinius befchryft zeer omftandig de
zwavel of folfer , en zegt dat zy zeer
_ overvloedig groeit in de (a) Zolifche bran-
dende’ Eilanden, maar dat de alderbefte
_ zwavel viel in *t Eiland Melos , dat by
Kretenin de Ageifche ofde Gretifche zee
legt. Datook de zwavel gevonden word
in Zfalien, en voornamentlyk in ’t gebied
‚ van Napels, als ook in Campanien by de
Leurogifcheheuvelen, daar veel zwavel-
Dg my=
‚ (4) De Zolifche Eilanden worden hedendaags de
_ Eilanden van Zipar: genaamt. Alst. Lipari. 2. Vol-
€ano. 3. Stromboli. 4. Saline. s. Panari. 6. Alicur.
7. Felicar en 8. Uftica. Zy zyn gelegen omtrent der-
tig mylen van de Noorder boorden van Sicilien, tuf-
fchen Sicilie en Italie. Vid. Baudrand Lexicon Geoz.
@XStrabon, Plin.Diod,C* aliis,
ed
HE
L ö zú
66 Natuur-en Konft-Kabinet,
mynen, en zeer veel zwavelbronnen en
medicinale wateren gevonden worden. Hy
befchryft vierderley foort van zwavel , en
haar verfcheide gebruik in de konften,
en in de geneezing der ziektens. Daar
isniets, zegt Plinius, dat eerder. vuur vat
en aan brand vliegt, daarom moeten wy
vaftftellen , dat het vol -vuur-voedende
deelen is : ook geven de Blixems en de
Donderflagen des lugts «een zwavelachti-
ge reuk van zich, en het licht des blix-
ems en der weerlichten is zwavelachtig.
- 2
Plinius oordeelt, dat aldernaaft aande
Zwavel komt het (a) Bitumen , of het
Afphalt of Jodenpik ; op de eene plaats ,
zegt hy, is die als een leem en op ande-
re plaatzen vals een aarde. Onder de
hoedanigheid van leem word het in * Joo-
den land gevonden; en als-aarde, na ’
zeggen van Plinius, in Syrien by Sidon
een zeeplaats.
in, Plinius.
(4) Bitumen-word van de Grieken „Afphalton ge-
naamt, miffchien van het Meir of de Poel Afphaltes
in Judea, welk Meir nu de doode Zee word ge-
naamt, alwaar eertyds Sodoma en Goïorra gelegen
hebben ; want uic dat Meir word: hedendaags de 4/-
phals gehaalt. Beha!ven dit groeit de. Afphalt zeer
overvloedig in» Afljrien en-Chaldeen, en word daar’
voor kalk, of eement: of leem gebruikt ; «om mede
te metzelen, ren onn SEG Edd Ate
January e Febraaryryio. 67
x ak 53e « abio uoda0T
Plinius {preekt ook van een Bitwmen ot
Jodenpik, dat,de Grieken Pif/afphalton
noemden , als een mengzel door de natuur
gemengt uit pik en uit Jodenpik of 4f=
phalt. Dit is een vloeibaar Jodenpik zegt
Plinius, daar-’t rechte. Jodenpik hart ss
_als cen hars; dit wierd gebragt uit Bu-=.
bilonien ‚ en uit andere plaatzen in zyne
tyd tot Romen, © Hy melt ook van een
vette oliachtige en vloeibaare ftof, de-
welke gevonden wierd in Sicilien by de
vermaarde Stad Agrigeutúnr, en opgewelt
wierd uit een bron, en dus zig inde ri-
vier verfpreide. De ingezetenen gebruiken
deze bitwmineufe vloeibaare {tof in de
_ plaats van oly-tot haare lampen ; ‘daar zyn
Schryvers, zegt Plinius, dewelke de (a)
Naphtha mede voor een foort van Bitus
men of Jodenpik aanzien. Kek:
ke IR un ggadontinks 980,
Van de Aluin handelt Plinius ook zeer
wytlopig, deze zegt hy is een’ zoutach=
tigheid van de aarde. Na zZyn-zeggen
_zouder veelderhande foort van aluin ge-
B zor em erttrgonden
(a) Naphth is de Petroleum, en werd blank en
Zwart gevonden. Van ailes, war bekent is, word
de natuur niets gevonden, dat zo ras vuurvat, en
z hartnekkig aan zich behout, als de Pezroly of de
Zwarte Naphtha, Vid, Lexicon alchem. Mart, Rulandà,
68 _ Natuur-en Konft-Kabinet ,
vonden worden , als in Cyprus witte en
zwarte Aluin. Zy word gemaakt, zegt
hy; uit leem, door behulp van water
en de Zon; voornamentlyk in Spangen s
LEgypten, Armenien , Macedonien , Pon-
tus, Africa, in de Eilanden Sardinien,
Melos, Lipara „ Strongyle; en de alder-
befte viel in LEgypten, en daar aan was
die van Melos. De foorten vande Áluin
zyn zeer veel , en ik zal na dezendezelve
op zyn tyd en plaats mede deelen.
Plinius {preekt vie pottebak=
kers en aardbakkers aarde, en voorpament-
lyk van de aarde van(a) Samos.De aarde van
Samos was , na zyn zeggen,tweederhande,
van dewelke de eerfte wierd Syropicon ge-
naamt, waar van de lichtíte en de ver-
‚fche, en dieaan de tong kleeft, de befte
was; en de andere wierd dffer genaamt ;
deze was kluitachtig en wit. Die van
Eretria is ook tweederlei, witte en as-
grauwe aarde. Hy melt ook vande wit-
achtige aarde van Ghius , dewelke de
vrouwtjes voor haar blanke vel gebruik-
ten; mitsgaders van de aarde van Selinu=
fie,
(ad) Samos is een Eiland in de Zcarifche Zee over
Ephezen , hier zegt Agellius in’t zevende Boek, dat
aldereerft her gebakken aardwerk is uitgevonden.
Sannary en February 1719. 69
_ fie, dewelke zo wit als melk was, en
zeer lichtelyk zich met water liet ver-
mengen, en wierd gebruikt om mede te
witten. Hy fpreekt noch van verfcheide
foorten van aarde, dewelke in zyn tyd
in ’t gebruik waren
só.
Plinius handelt van verfcheide foorten
wan kryt, als van Cimolie, Sardis -Um-
bris Zilverkryt , en ’t geen zy Saxum
noemden , als ook derzelver gebruik , in ’t
opmaaken van ftoffen tot klederen, en in
de Geneeskonft. 57.
__ Het zesendertigfte Boek van Plinius
verhandelt,in XXV II Kapittels, de natuur
der fteenen , en de grooten overdaad,
dewelke gepleegt wierd in het marmer.
Plinius onderzoekt , wie de eerfte geweeft
mag zyn, dewelke het marmer in open-
baare gebouwen heeft vertoont, en wie
aldereerft Uitlandfích marmer tot Romen
heeft ingevoert. Hy verzekert, dat al
vroeg met de vyftigfte Olympiade , en
onder de heerfchappy der Meden , eer
Cyrus noch in Perfien regeerde , in de
‘marmer-houw-en graveer-kontt al zeer
_beroemt zyn geweetit Dipenus en Scyllis,
‚ beide geboren in * Eiland Creta. Zy be-
Zaven zich na Sicyon , ’t welk als de
| En E 3 Hoo-
| 8
dd
go, __Natuureen Konfl-Kabinet;,
Hooge fchool was en lang geweeft was
van de Arbeiders en Konftwerkers in de
metalen en bergftoffen. „Ter zelver tyd
was de Beeldhouwer. Malas-.al beroemt
in ’t Eiland Chio, en naderhand zyn zoon
‚_ Micciades , en na deze zyn neef Autbers
mus van Chio , wiens zoonen Bupalus en
Ânthermus zeer beroemde Beeldhouwers
zyn geweeft inde LX Olympiade. Zo dat ;
indien jemant , zegt Plinius, deze Familie
wilde. opzoeken tot „haar eerfte oor-
fprong „ zoude lichtelyk de Beeldhouwers
konft zo oud zyn als het begin. van de
Olympifche Spelen. - Deze gebruikten alle
wit, marmer uit ’t Eiland Paro ‚ na’tver-
haal van Varro. Plinius befluit dat. de
Beeldhouwers- konft „veel. ouder. is ge-
weeft, als de Beeldgieters- en Schilder-
konft , dewelke hy zegtdat met de drieen-
tachtigfte Olympiade haar begin eerft zou=
den gekregen hebben. Hy heeft hon-
dert en zesentwintig beroemde Beeldhou-
wers,en derzelver uitmuntenfte konftftuk=
ken aangetekent.
Onzen Plinius Kein ook de manier
en konft, door dewelke het marmer ge-
zaagt, en tot tafels en platen bereid wierd;
om met dezelve de wanden, muuren en
gron=
january en February 1719. …_ 71
gronden te dekken en te bekleden; en
van de verfcheide foorten van zant, de-
welke tot dit marmer-zaagen door ftaale
zaagen met behulp van water gebruikt
wierden. Hy fípreekt ook van de mar-
mers van verfcheide coleuren , en plekjes
__ vande Alabafter-fteen en deszelfs foor-
‚ten; van de beroemde Opelifcen van T he-
Den „ Alexandrie en andere; van de Py-
famiden van ZEgypten, en van de Sphinx.
Van de vier vermaarde doolhoven, een
in Mgypten, een in Kaudie , een tot Lem-
#05 , en een in Jfalie.
59.
Onzen Schryver {preekt met verwon-
dering vande Tuin, dewelke in de lugt
hangende vertoont wierd, en dat de Stad
‚ (@) Theben in Aigypten zodanig gebouwt
_ ‘was, dat een geheel gewapent leger on-
_ der door deszelts verwulfzels konde door-
_ trekken, zonder dat de ingezetenen daar
overlaft van -hadden. Onzen Plizius ,
die altyd genegen is van wat wonders te
er E 4 han-
(a) Daar zyn verfcheide Steden geweeft, mer de
naam van Thebe, maar het Zhebe, daar Plinius van
fpreekt, was de Hooft(tad van het Thebaanfche iand
in ZBEpypten, een zeer groote Stad van hondert en
veertig ftadien in haar omtrek, zy was gelegen aan
de Nyl, tuffchen AZemphis en Syenen, en na't zeg-
gen van Leo Africanus hedendaags Theves genaamt»
Zy vertellen, dat deze Staá hondert poorten hadde.
rb Natuur-en Konft-Kabinet ,
handelen, gaat van Zheben nade beruchte
(a) Tempel van Diana tot Ephefen, hoe
dezelve twee hondert en twintig jaar ver-
ftrekt heeft tot een wonder van geheel
Afie , en dat dezelve gebouwt was in een
moeras, op dat nog aardbeving nog op-
fcheuring der aarde dit gebouw deeren
zoude. Dat de lengte van den Tempel
was vierhondert en vyfentwintig voeten,
en de breedte tweehondert en twintig:
voeten „ dat dezelve onderfteunt wierd
van hondert en zevenentwintig Golumnen
van zeftig voeten hoog. En dat van de …
cieraden vän deze Tempel geheele Boe-
ken te fchryven zouden zyn, welke cie-
raden het geloof en de natuur na zyn zeg-
gen te bovengingen. Vandeze verhande-
ling gaat Plinius-over tot de Bouwkunde
der Romeinen, befchryft veel verwonde-
rens waardige gebouwen derRomeinen,en
de aanmerkelyke uitvindingen en zaaken
der Bouwkunde, dewelke in de gebou-
wen van Romen gevonden wierden. Van de
heerlyke waterleidingen , door wie en tot
wat dienft met ongeloofelyke koften ge-
fticht.
Van
(a) Lees van dezen Tempel Valerius Maxim, Lib, 8.
Cap, rs. en Strabo Lit, 14.
SJannary en February 1719. 73
/ 60.
Van het marmer en deszelfs gebruik ,
gaat onzen Schryver over op de verwon-
lerens waardige eigenfchappen des Mag-
neets of zeilfteens , handelt van de ver-
__{cheide foorten des zeilfteens, vandever-
_ {cheide coleuren en plaatzen, daar de zel-
_ ve gevonden word. Hy onderfcheidt de
zeilfteen in mannetje enwyfje, ftellende
onder het wyfjes geflacht alle, dewelke
het yzer niet trekken. Hy zegt dat de
befte zyn, dewelke na den blauwen trek-
_ ken, en hoe blauwer van co/eur hoe krag-
_ tiger en beter, en dat de zeilfteenen van
_ dEthiopien de befte van zyn tyd waren.
ÓI.
Onzen Plinius befchryft ook ‘de dryf-
fteen, en verfcheide etende en bytende
fteenen, dewelke de lichaamen, die in
haar befloten en begraven wierden, ver-
teerden; en van de fteen Chernites, de-
welke als wit yvoor , en van natuur zo
‚_ duurzaam was, dat zy de lichaamen voor
‚_ de verrotting bewaarde , dat zelfs Ko-
ning Darius in een grafen kift van dezen
fteen begraven was. Hy verhaalt uit 7 heo-
phraftus , dat in Lg ypten fteenen waren,
Ei Es dewel-
74 Natuur-en Konft-Kabinet ,
dewelke (a) doorfchynende waren , maar
dat dezelve in zyn tyd niet, meer gevon-
den wierden. Hy fpreekt van het {teenig
yvoor , en van fteenen ; die volftrekt been.
zyn : hy onderfcheidt dezelve in zwarte en
Ípierwitte, ‘en in veel andere foorten.
vant 635 N,
Plinius handelt ook omftandig van de
() vuurfteen , van dewelke, zegt hy,
zommige als koperig zyn , andere weder-
om met een zilver coleur en andere met
een goud coleuf voorzien. Eenige zyn zeer,
vol zwavel of vuur-materie , zegt Plinius
gelyk blykt, als men dezelve tegens ftaal
oftegens malkander{laat. Deze zyn zeer
zwaar, en worden’ daarom levendige
vuurfteenen genaamt. Behalven dat P/-
hate nius
(a) Van deze doorfchynende {teenen zal ik op
een andere tyd‚handelen, zy werden nog hedendaags
in Ezypten gevonden aan. Kontftukken,
b) Daar zyn.zo veelderhande foort van fteenen,
gelyk ik na dezen ook aan de Lezer op zyn plaars
meene te vertoonen „ dar het groor geral der zelve
by de Schryyers, eenige verwarring heeft, gebaart,
maar alle de fteenen zyn zeer gevoeglyk onder twee
foorten te brengen, te weten'tot kalkfteen of metaal-
fteen , en deze worden gekent aan de uiter{te kragt,
dewelke het vuur op de lichaamen doet ; want alle
de fteenen, dewelke door *t uiterfte gewelt van ‘t vuur
in een witte kalk overgaan, verfcheelen van alle de
andere, dewelke in glas overgaan, gelyk veele ftee-
nen, die daarom met recht metaal-ficenen genaamt
moogen worden,
gebruik inde venfterraamen , inde plaats
Yanuary en February-1719. _ 75
_ginsalledezefteenen , mineralen of marca-
fitaas befchryft; verhaalt hy daarenboven
ook derzelver gebruik: tot veel zaaken;,
en voornamentlykinde Geneeskonft. De
Lapis Hematites {om zyn bloedroode co-
leur Bloedfteen genaamt) komt zeer veel,
zegt Plimus;-met- de Magneet of Leil-
fteen overeen, en word gevonden in de
mynen-onder de metalen. „Plinius melt
vyffoorten van bloedfteen , dog de bloed-
fteen verfcheelt maar in meerder of min=
der hardigheid. Onzen Schryver fpreekt
ook van de Lapis Atites of de Arentíteen,
en telt vier {oorten van dezelve. Hy
{preekt ook van de puimfíteenen en haar
gebruik , en hoe dezelve omtrent de bran-
dende „Eilanden en bergen: gevonden
worden, |
— Onzen Schryver handelt ook van de
verfcheide foorten vän fteenen, daar de
Geneesheeren en andere haare vyzels van
dieten maaken, en welke fteenen daar de
bekwaamfte toe waren. Als ook van de
zachte fteenen., daar de oude alderhande
potten en vaten. van draaiden, en van de
Lapis Specularis., die wy Moscovifch glas
noemen „ derzelver verfcheide foorten en
van
76 Natuur-en Konft-Kabinet ,
van glas. Hy verhaalt , dat onder de Rege-
ring van Nero , in Cappadocie een fteen ge-
vonden was, die zo hart wasalsmarmer ,
en te gelyk doorfchynende , dewelke
_ Phengites genaamt wierd, en vandewel-
ke gebouwt wierd de Tempel van de
Fortuin. Hy handelt ook van verfcheide
foort van flypfteenen en haar verfcheiden
aart, vaderland en gebruik, als ook van
veelderhande keifteenen enz. Van het
maken en beflaan van kalk en zand, van
de gebreken der gebouwen en columnen.
Hy toont, dat onder de bergftoffen de
Gibs de naafte overeenkomtt heeft met de
gebrande kalk, en befchryft de verfchei-
de foorten van de Gibs. Hy verhaalt ver-
fcheide outheden van de bevloering der
aarde , en van de vloeren in de bloote
lugt , van de oorfprong der bevloering;
van de Griekfcheen Romeinfche vloeren
enz.
Ó4..
Plinius heeft bovenal Schryvers, de-
welke onder de Romeinen hebben uitge-
munt, getragt om de oorfprong en de
eerfte vinders der konften en konftftuk-
ken op te zoeken, en daar in dikwils zyn
Griekfche of andere fchryvers „ dewelke
hem zomtyds lelyk hebben mitleidr;, me
a
January en February 1719. 77
al te licht gelooft. Ik hebbe my in dit
uittrekzel zo veel gemyd als ’t mogelyk
was, om de ongeloofelyke zaaken temel- -
den, die hy zomtyds (bedrogen zynde
van andere) verhaalt; gelyk ik ook zal
waarneemen omtrent zyne vertelling van
de uitvinding van * glas. De menging
en de verfcheidettoffen , dewelke tot de
glasmakery van nooden waren, en .ge-
bruikt wierden, heeft hy naarftig aange-
‘tekent. Hy ftelt tot de voornaamtte tof
de vitrum, en verfcheide foorten van kei=
fteentjes of van marcafitaas. Door deze
_gitrum konnen wy hier verftaan de zuuda
‚van Zigypten, en geenzins ’t geen de he-
dendaagfe Schryvers zitrum of falpeter noe-
men. Plinius {preekt van de glasovens,
verfcheide gekoleurde glazen, van de
_ {piegelglas-makery, van ’t bereiden van
wit criftallyn-glas in Iralien, Spanjen en
‚ Vrankryk. Hy fpreekt van wonderlyke
_konftftukken van glas en Edele gefteen-
ten , nagebootít door de Lapis Obfi-
vat > daar ik na dezen van zal fpre-
en.
65.
Het zevenendertigfte en laatfte Boek
van de natuurlyke Hiftorie van onzen
Plinius handelt, in XIN Kapittels , vande
oor=
78 Natuur-en Konft-Kabinet ;
oorfprong der edele gefteentens, van de
Fabel van ’t Juweel , van de T'yran -Po=
byerates, van de Agaat van Koning Pyr=
zhus (dewelke de oorlog gevoert heeft
tegens de Romeinen) in welke Agaat na-
tuurlyk en zonder konft verbeeld wier-
den de negen zanggodinnen , benevens d-
pollo vafthoudende zynen Harp ;. en voor
de geene die het belieft te geloven, zegt
Plinius hier nog by , dat elke zanggodin
met haar eigen teken (a) onderfcheiden
wierd. Plinius toont, dat het graveren
in edele gefteentens een konft van een
zeer ouden datum is, endat Alexander
de groot inzyntydal verboden hadde , dat
niemant zyn beeltenis in gefteente mogt,
laten graveren; als door den vermaarden
Graveerder Pyrgoteles. „Na dezen Pyrgo-
teles zyn in die graveerkontt zeer beroemt
geweeft Zpollonides en Cronius , dewelke
met eenvuitftekende gelykheid de beelte-
nis van Auguftus hebben in edele gefteen=
tens uitgegraveert. Hy verhaalt, dat de
Keifer Zuguflus in ’t begin zegelde met
de beeltenis van een Sphinx „ en nader-
hand
(a) Van de ingeprente beelden en gedaantens ,
door de netvur in de fteenen uitgedrukt, meen ik na
dezen myne Lezers eens plaizierig te onderhouden,
maar ik zal zorg dragen. dat ik de waarheid fchry-
VvE.
SYanuary en February. 1719. 79
hand met de beeltenis van Alexander de
groot: er de- grooten Pompéjus had in
zyn zignet een zwaartvoerende Leeuw.
Scaurus de ftiefzoon van Syl/a is deecrfte
geweeft tot Romen, die een Daltylio-
‚ {heca of doos, ‘of kasje om juweelen en
ringen in te leggen, heeft vertoont, nd
hem Pompejus de groot, en eindelyk %u-
lins Gefar. Plinius verhaalt, welke een
„menigte van zeer groote en byna onge-
loofelyke juweelen en edele gefteentens
Pompejus in zyn derde zegenpraling tot
Romen heeft vertoont, benevenseen me-
nigte van paarlenen kleinodien van goud
en zilver, een--Kabinet van paarlen, in
wiens bovenfte-een uurwyzer was.
verhaalt de overdadigheid in juweelen en
paarlen van Jwlius Gefar en van Keifer
Nero. sh padden k
Plinius zegt, dat het Criftal meeft ge=
vonden word in koude landftreeken , en
dat het van-een zeer waterig en door-
fchynent humeur groeit. Hy verklaart ,
dat de reden niet te vinden is, waarom
het zeshoekig groeit; hy verhaalt , dat
het Criftal in-zeer veel landen’ en in de
bergen groeit;-en telt verfchêide óntei-
‚_nigheden ,-die in ’t Griftal ‘groéien, en
NEs.. / gebre-
|
ik
So _ Natuur-en Konft-Kabinef ;
gebreken van het zelve. Hy toont; dat
geen mineraal nader aan het Glas is als
het Criftal. f
67. id _
Het naafte zegt Plinius , dat aan ’t Crif-
tal in achting isby onze vrouwtjes, zyn
de cieraden van Brandfteen ; hy melt
verfcheide foorten van-Brandfteen , ende
verfcheide plaatzen, daar hy meent dat
het gevonden word. Onzen Schryver be-
kent echter niet te weten; wat de brand=
fteen eigentlyk is, of waar dezelve van
groeit of voortkomt. Hy haalt een groo-
te menigte van Schryvers aan, dewelke
de oorfprong van de Brandfteen befchry-
ven , maar onder alle vinde ik maar een
dewelke na de Baltifche zee toe wil, om
deszelfs oorfprong op te zoeken. Plinius
{preekt ook van de uitftekende pragt „ de-
welke door de Brandfteen bedreven wierd;
als ook van deszelfs medicinaal gebruik.
68.
Plinius telt zes foortenvan Diamanten:
op, zo ten opzicht van haar verfcheide
coleur als vaderland, en getuigt „ dat de
Diamant te kennen isaan deszelfs hardig-
heid; daar zy alle de dingen van de ge-
heele natuur inteboven gaat, zo in’tuit-
ftaan van de hamer-{lag „als inde kragt des:
viers. Plinius
January en February 1719. _8r
_— Plinius zegt „ dat de Smaragdus de aan-
genaamfte fteen is voor ’t gezicht, omdat
zy alles, wat groen is, in fchoonheid
overwint , en telt twaalf{oorten van /a-
ragden op. Hy verhaalt de vericheide
coleuren en vermenging van andere ftoffen,
vlekken en uitbeeldingen in dezelve. Dat
in zommige plaatzen fteenen gevonden
worden, dewelke eenige overeenkomft
hebben met de /maragd , maar. niet in ’t
geheel; als ook dat in Cyprus fmaragden
gevonden worden , die half fimaragden en
half jafpis-fteen zyn. Mitsgaders dat de
Beryllus naaft mer de fmaragd overeene
komt, dat dezelve de coleur van groen
zeewater vertoont, dog dat ze van veel-
derley foort , en meerder of minder flaauw-
heid van coleur en glas zyn, de eene na
deze en de andere wederom na andere
gekoleurde fteenen hellende.
Ei | Oo. «
„Onder de eerie juweelen is de
gpaal, dewyl indezelve uitblinkt het fyne
| vuur van een carbunkel ‚het purper van een
Amatbift , ende groene zee-coleur van een
fmaragd , heerlyk door malkander weme-
lende en tintelende; maar daar worden
ook verfcheide foorten van de opaal ge-
ifs: F von-
Ì
3x Natuur-en Konfl-Kabinet,
vonden , na dat zy meerder of minder na
een-vân. de voorgemelde coleuren ‘ver-
hellen. Het rechte vaderland vande
opaal is Indiën , zegt onzen Schryver „ en
daar worden opalen gevonden. van; een
groote waarde ‚ dewyl dezelve zelden
recht zuiver en rein gevonden worden.
Hy melt ook de onych-fteen, en van de
Chryfolyt , en derzelver. gedaante, coleur
en foorten.
VAE
De Carbunkels, zegt Plinius, hebben,
haar naam uitde overeenkomftige koleur
van het vuur, en hy telt verfcheide foor-
ten van Garbunkels op. Hy melt ook
zeer veel Schryvers ‚ dewelke over de zel-
ve aantekeningen gemaakt hebben, en
verhaalt in welke plaatselke foort gevon-
den word, mitsgaders andere vuurfchit=
terende fteenen.
72. é
De Fafpis-fteenis ook zeer verfcheiden
van foorten, maar die het naaft aan de
Jmaragd komt is de befte. Daar is een
foort, zegt Plinius ‚ daar een witte ftreep
midden doorloopt , en met deze jafpis
die zy grammatias noemen , pleegt ’
geheel Ooften een groot bygeloof , na’
zeggen vanonzen Schryver. Hy gee
noc
his
Sanuary.en February v719. 83
__poch ontelbaare andere zaaken van veel
andere fteenen, en ook van gemaakte ju-
weelfteen door. konft, als ook van de
gedaante van verfcheide fteenen; en de
manier en konft-om de valfche fteenen
_teontdekken, en vande oprechte te on-
eN
IN Made
_ Ik heb my niet ingelaten, om van de
Î
f derfcheiden.
r
ys 93
edele gefteentens oraftandiger te {chry-
ven, en Plinius na te volgen, dewyl ik
Me:
©
Bats: {tof zal handelen; en dewyl Plinius
in veel zaaken zyne Schryvers gevolgt
een andere plaats zelfs naauwkeurig van
heeft, konde ik myn Lezer veel dingen .
niet mede deelen, dewelke Plinius zom-
“tyds of zeer onzeker, of dikwils zegr ver-
wart aan ons heeft nagelaten.
|
5901 74
sdeAls wy nu eens nadenken, dat onzen
Plinius voor heeft gehad, met dit werk
aan zyne Nakomelingen na te laten een
befchryving van de geheele Natuur; en
dande geheele Natuur, met alles wat daar
in is, te vergelyken by deze natuurlyke
_Hiftorie, zullen wy bevinden, dat de ge-
„heele Natuur (het groote en algemeen
voorwerp van een natuurlyke Hiftori-
AT F 2 fchry-
b
84 Natuur-en Konft-Kabinet ;
{chryver) in deze zevenendertig Boeken,
van Plinius maar als ineen zeer duiftere
fchaduwe en zeer bekrompen is verbeeld;
en dat wy door ’t lezen van zodanig een:
Boek maar een ongekookt en ruuw denk=
beeld van de Natuur konnen ontvangen,
en van de natuurlyke dingen by na niet
anders, als een zeer algemeene en fobere
kennis.
FSe
Zommige Hiftorifchryvers van de bur-
gerlyke Gefchiedeniffen hebben de Hifto-
rie van haar ftad, andere van haar Land-
fchap, andere van haar Koningryk, be-
fchreven; en zodanige zyn’er onder alle
Natien veele geweeft: maar daar zynook.
Schry®ers,die alle deze in een Boek hebben
gebragt , en alleen daarom maar de hoofd
zaaken hebben ‘konnen aanroeren in een
algemeene Hiftorie, en zodanig is ook
deze natuurlyke Hiftorie van Plinius ten
opzicht van de natuurlyke Hiftorifchry=
vers, die voor hem gefchreven hebben.
| Van
Fanuary en February 1719. _ 857
Wan het onbepaalbaar Voorwerp eener
„algemeene Natuurlyke Hiftorie,
Be | 1.
YT En Algemeene Hiftorie te {chryven
E van de groote Natuur, is niet alleen
ondoenlyk voor een menfchalleen, maar
het is zelfs onmogelyk , dat zulks door
duizend alderfchranderfte en alderarbeid-
zaamfte mannen zoude konnen uitgevoert
worden, in die omftandigheid , dat ie-
mand met waarheid zoude moogen be-
fluiten, in zodanig een Algemeene Hif- —
torie begrepen te zyn alles, wat in dit
onmetelyk voorwerp ( te weten het Ge-
heel-al) voor de menfchen te onder-
zoeken ende te ontdekken is. De onbe-
paalbaare en onmetelyke grootheid van het
roemruchtig konftftuk Gods (dat wy de
Natuur noemen) is behalven zyn onuit-
fprekelyke uitgeftrektheid zo vol ryk--
‚dommen, zaaken eníchepzels, dewelke
voor ons noch onbekent zyn, dat wy ons
moeten vergenoegen, en een natuurly-
ke Hiftorifchryver bedanken, als hy
maar een kleyn gedeelte aan ons op. een
waarachtige en naauwkeurige wyze mede
GEEL.
de. F 3 Als
86 _ Natuur-en Ronff-Kabinet, —
| Ee
Als wy acht geven op de uitgeftrekt-
heid van ’t Geheel-al, wie vanons zoude
dan het zelve in eenige grensfcheiding —
durven bepalen, of in zyn Cirkel beklem- _
men? Als wy letten op de menigte, ef
op het onderfcheid der fchepzels en fchep-
zeltjes, in het zelve vervat, wie kent
haar getal ? Wie kent haar verfcheide
geflachten en foorten, ik zwyge der zel-
ver hoedanigheden , ftellige en betrek-
kelyke eigenfchappen? Maar dat noch
meer is, wie heeft aan ons tot noch toe
konnen toonen de onbepaalbaare deel-
baarheid van de ftoffelykheid der natuur-
lyke Gewrochten, de ongeloofelyke klein=
heid en onuitdrukkelyke menigte der on=
zichtbaare en bloedelooze diertjes.
Een detutityke” Hilorhstver kan
zyn voorwerp (namentlyk de Natuur )
zeer gevoeglyk in vier verfcheide hoofd-
voorwerpen verdeelen, als 1. De zicht-
baare Hemel met alle deszelfs vafte flerreny
dwaalfterven , flaartflerren, zon, maany
en alderhande verfchynzelen, veranderin=
genen voorvallen, dewelke daar in gebeuren.
2. De Dampkringachtige lucht , dewelke de
aardkloot, die wy bewoonen, over al ons
vingt s
Sfanary en February 1719. _ 87
_ vingt, op dezelve weegt , en van menfthen
en dieren ingeademt word. 3. Het Water
zo van de zeén als binnenlandfche rivieren,
meeboezems, wvloeden „ meiren, bronnen,
poelen, boven- en onderaardfche wateren,
4. De Aarde met alles , wat dezelve voort-
_ brengt, zo welopdeszelfs oppervlakte, als
#
ón haur diepfte ingewanden.
4.
__ Om nute begrypen, dat het voorwerp
_ ®ener algemeene Natuurlyke Hiftorie zo
É
ze ES Ak ik
vnuytdrukkelyk groot en rykis, dat het
zelve door geen duizend vande aldervoor-
_ treffelykfte Natuur-befchouwers , veel
min door een eenig menfch kan be-
fchreven worden, hebben wy maar te let-
ten op de onmetelyke uitgeftrektheid ,
_op de onoptelbaare rykdommen, fchep-
gels en voorvallen van elk voorwerp in
* byzonder, van deze vier , dewelke wy
opgetelt hebben.
Als een Niatmiike Hiftorifchryver
_de geheele zichtbaaren Hemel zoude waar-
neemenen befchryven, zoude hy deszelfs
_geftalte in ’t algemeen, en betrekkelyk
op deze aardkloot in het algemeen , en
op elk deel van dezelve in het byzon-
der , moeten verhaalen en uitbeelden. -
ar
EF 4 En
88 _Natuur- en Konft-Kabinet ;
En ik durf u verzekeren, myn Lezer,
dat de levens van twintig duizend zeer
fchrandere en naarftige ftarrekundige
Mannen niet genoeg zouden zyn, om
alles waar te neemen „dat gebeurt , gevon-
den word, en te leeren is in de geheele
zichtbaare Hemel, met betrekking op zich
zelve en op deszelfs groote lichaamen op
malkander in ’t algemeen en byzonder,
en met betrekking op de geheele aardbo-
dem in % algemeen, en op elk deel des
aardbodems in ’tbyzonder. Zelfsde ver-
anderlyke gedaante des zichtbaaren He-
mels , met betrekking op maar een eenig
Landíchap, zoude al een ongeloofelyk
root voorwerp zyn voor een natuurlyke
Pine des Sterren-Hemels.
ó.
Begryp eens, zeer opmerkende Lezer,
welk een kenniffe van verfcheide wiskon-
ftige wetenfchappen hier vereifcht word ;
want als wy de waarnemingen omtrent
de Sterrenhemel en deszelfs verfchynzels
zelfs onderfcheiden. 1 „In gemeene waarne-
mingen; dewelke wy zonder fludie met
een enkelde oplettentheid gewaar wor-
den. En 2. in fterrekundige waarnemin-
gen , dewelke tot onze bevatting gebracht
worden door onze fludie en fterrekundige
B
SYanuary en February 1719. 89
geleertheid, zult gy wel haaft gewaar
worden de noodzakelykheid van een
naauwkeurige opmerking tot de eerfte ,
__en de noodzakelykheid der kennifle van
_ veele wetenfchappen, dewelke ons in de-
_ ze laatfte waarnemingen moeten dienen en
REE EN
behulpzaam zyn, «
n
Als wy met ons enkeld gezicht den
Sterrenhemel by nacht befchouwen ,
fchynen alle de fterren in cen overeen-
komftigen afftand van ons afgelegen te
__ Zyn, dewyl ons gezicht te zwak is om
_ de bekende verfcheidentheid dezer onuit-
__drukkelyke Saenden te ontdek-
ken. Wy konnen door ’t oordeel (opde
zin aanbrenging ruftende) niet onder-
_fcheiden, of de fterren alle ineen gelyken
__afftand van onsaf zynof niet. (a) Die met
zyn oog den Hemel befchouwt, merkt
dezelve aan als de helft van een ronde
_bol, dewelke is uitgeholt, en waar van
de boventte diepten recht boven zyn
hooft ftaan, en de randen rontom hem
heen deaardefchynenteraaken, in welke
geheele bodems oppervlakte de fterren
zyn geplaatft, en in welker midden hy
ffaat te befchouwen. Maar hier uit kan
Er hy
| (4) Videatur Wolfius element. Aftronomie.
90 Natuur-en Konft-Kabinet,
hy niet bewyzen, of zulks inderdaad. zo
is of nict. dike En
8
Terwyl nu iemant deze Sterren-Hemel
befchouwt, zal hy gewaar worden, dat
de fterren, dewelke eenige tyd te voren
recht boven zyn hooft ftonden, nu weer na
zyn rechter zyde zyn afgezakt, terwyl
wederom andere fterren recht boven zyn
hooft zyn gekoomen, dewelke te voren
aan zyn linker zyde in den hemel geplaatft
ftonden; met deze voorwaarde echter, —_
dat zodanig een befchouwer met zyn aan-
gezicht gekeert ftaat, daar hy ’smiddags de
zonbefchouwt. Defterren, dewelke nu
aan zyne rechter zyde meer en meer begin-
nen afte zakken, en aan de uiteinden des
Hemels of aande gezicht-einder gekoomen
zyn» verdwyneneindelyk uit zyn gezicht,
terwyl daarentegen de fterren, dewelke
aan zyn linkerzydfe gezicht-einder zyn,
allenskens nader en boven zyn hooft koo-
men; en andere wederom óp nieuw aan
zyne linkerzydfe gezicht-einder zich ver-
toonen, dewelke te voren voor hem ver-
borgen waren. Dewyl nu zodanig een
Befchouwer ombeweeglyk en ftil op zyn
plaats blyft ftaan , en geen beweging van
de aardkloot, daar hy op ítaat, gewaar
word ,
‘
Sfannary en Febraar) 1719. 91
word, zal *t her toefchynen , dat de
Hemel om de aarde bewogen word ‚ maar
hoe zal hy bewyzen, of de zaak inder-
daad zo is of niet? Echter word deze be-
weging de eerfte beweging, de gemeene
beweging, en de gedurige beweging
_ genaamt, en worden na dezelve bepaalt
de verfchynzelen des Hemels, dewelke
van deze befchouwinge van deze aarde na
__den Hemel moogen athangen.
8 9.
____Byaldien wy de vafte fterren opmer-
_ ken, daar de maan aldernaaft fchynt te
zyn, zullen wy bevinden, dat dezelve
des anderendaags van de maan een zekere
diftantie afgeweken zyn na ’t weften, of
de maán van de zelve na ’t ooften; en
de maan zelfs aan andere vafte fterren ge-
nadert: en deze verandering van afftand
__gefchiet dagelyks, tot dat eindelyk on-
trent zevenentwintig dagen verftreken
zynde, de maan wederom gezien word
in ’t gebuurfchap der vafte fterren , daar zy
op de eerfte dag der befchouwing in aan-
gemerkt was. Dewyl de maan dagelyks
met deze holle fterrekreits om de aarde
bewogen word, fchynt daar uit, dat de
maan in zevenentwintig dagen beneden
om deze geheele fterrekreits, met een
ps: tegen-
92 Natuur-en Konft-Kabinet
tegenbeweging, te weten van ’t weften
naar ’t ooften , omgaat.
10.
Als wy de fterrenopmerken , dewelke.
in dat gedeelte des Hemels gezien wor-
den, daar wy ter zelver tyd de zon zien
ondergaan, zullen wy na een waarneming
van eenige dagen bevinden , dat de fterren,
die in de eertte dagen van onze waarne-
ming naaft boven ons hooft ftonden, in
de laatfte dagen van onze waarneming
nader aan het weften zyn gekomen » tot
dat eindelyk binnen den tyd van omtrent
drichondert en vyfenzeftig dagen, dezel-
ve gedaante van de plaats, daar de Zon
ondergaat, ten opzicht van de vafte fter-
ren , wederom gekomen is ; zo dat de Zon ,
dewelke even gelyk als de Maan met de
Sterren-Hemel-kreits om de wereld dage-
lyks gaat,in de tyd van een Jaar vande eene
vafte Sterren tot de andere, met een te-
genbeweging van t Weften naar ’t Oof-
ten de Sterren-Hemel doorpaffeert rond-
om de aarde. |
1.
Indien wy dagelyks de afftand der Ster-
ren op haar zelfs befchouwen , zullen wy
bevinden, dat ’'er behalvende Zonende
Maan, daar en boven nog vyf fterren zyn „
dewelke
January en February 1719. _ 93
dewelke dagelyks van ftantsplaats veran=
deren. De ude noemen wy SATURNUS 3
zich vertonende met een zeer zwak en_
flaau licht; deze: zien wy byna om de
dertig jaar wederom op dezelve plaats,
en by dezelve vafte fterren aan de Sterren-
hemel, na dat dezelve in dien tyd zynen
omreis en loop met een eigen beweging
om de wereld heeft afgelegt. Detwee-
de noemen wy Jurrrer , dewelke met
een zeer fterlk weerfchynend licht voor-
zien is, en deze doet die zelfde reis in
twaalf jaaren, wanneer wy dezelfde we-
derom in dezelfde gebuut{chap van vafte
fterren vinden. De derde noemen wy
Mars, om dat dezelve met een rood-
achtig en fchitterend licht binnen twee
jaar door een eigen beweging zyn reis om
de aardkloot doet. De vierde noemen
wy VeNus, welkers licht alle andere
Sterren in glanste boven gaat, de Zon
alom in zyn jaarlykzen omloop verzel-
lende, en nooit verder als omtrent zeven-
Enveertig graden van dezelve afwykende.
Wanneer Venus de Zon voorgaat , word
_zy Phofphorus of Lucifer, en wanneer zy
de Zon navolgt, Hefperus genaamt. De
vyfdenoemenwy Mercurius, deze
Ster is zeer klein voor ons oog , maar heeft
B _ echter
\
94 Natuur-en Konft-Kabinet ,
echter een zeer klaar en fcherp licht „en
is een onaffcheidelyke metgezel vande
Zon in zyne jaarlykzen omreis, nimmer
boven de achtentwintig graden van de-
zelfde afwykende. Deze vyf Sterren wor=
den om de gemelde beweging, waar me=
de zy van het Weften na her Ooften de
wereld omgaan , in een tegenbeweging
van de Sterrenhemel, die dagelyks met
haar en Zon en Maan van ’t Ooften na
* Weften om fchynt te gaan, Dwaals
flerren genaamt , in tegenftelling van de
wafte flerren, dewelke de zelfde afftand
van malkander altyd eenpaarig {chynente
behouden. zi
Iz.
Ik heb myn Lezer dit nuin’t algemeen
eens willen mede deelen, op dat hy aan
zich zelf voorftelle, welk een langen tyd,
welke naarftigheid, vlyt, naauwkeurig=
heid, en ontelbaare waarnemingen ‘hier
vereifcht zouden worden , om alle deze be=
wegingenen afpeften op malkanderen „en —
op de aardkloot , en dat gedeelte des aard=
kloots, daar deze waarnemingen gedaan
wierden, in een waarachtige Hiftorie te
befchryven.
13.
_ Ik durve geenzinstreeden in deze Ster-
rekúün-
Zanuary en February 1719. _9f
_ rekunde, noch in de wetenfchappen,
dewelke totdezelve vereifcht worden en
„dezelve fteunen , in de Cirkelkunde der
konftige Wereld-glohen en in de Konft-
globen des Hemelfchen aanfchyns; in de
aanmerkingen over-de gereedfchappen ter
befchouwing en meeting nodig; in de
__wonderlyke en vernuftige uitvindingen,
_ dewelke tot behulp dezer meeting en be-
_ fchouwing bedacht zyn; inde befpiege-
_ ling der ongeloofelyke grootheid en af-
__gelegentheid dezer Hemel-klooten ; inde
__waarneeming van elks byzondere loop,
_ afpellen en taningen, betrekkingen, na-
tuurvlekken „ /atellites of lyftrawanten ;
om my zelven en de aandacht van myn
Lezer niet te verliezen in cen oneindig-
heid, dewelke op zyn tyd en plaats naauw-
keurig zal onderzocht worden.
14
Als ‘wy onze aandacht laten gaan op
het tweede hoofd-voorwerp der natuur-
lyke Hiftorie, te weten de (a ) Damp-
_kringachtige Jucht , zullen wy door de
&)Luchtmeetkunde en naauwkeurige waar-
‚nemingen een ontelbaar getal aanmerke-
_lyke betrekkelyke eigeníchappen en hoe-
joov HI, — -danig-
Aa) Atmofphera. z
b) Aerometria=
96 Natuur-en Konft-Kabinet ,
danigheden van deze dampkringachtige
lucht ontdekken; en uit deze ontdekkin=
gen leeren, dat duizenden zeer fchrandes
re en zeer naarftige Onderzoekers van
nooden zyn, om de ontdekkingen te
vervolgen , en door dezelve op te fpoo-
ren de ontelbaare betrekkelyke eigen-
fchappen en hoedanigheden des luchts,
dewelke noch onbekent zyn , waar
door meerder beveftigt word de onbe-
paalbaarheid van het voorwerp eener al-
gemeene natuurlyke Hiftorie. |
is.
Ik zal op deze hen aan myn Lezer
niet behoeven uit te leggen, dat doorde
Dampkringachtige lucht verftaan word
een (a) vloeybaar lichaam „het welk de
aardkloot , daar wy op woonen, omringt
en in het aardrykalle de ruimtens ‚ die van
andere lichaamen overgelaten worden , da-
telyk vervult, als zulks miet belet word.
Ik zal hier ook niet in het byzonder fpre-
ken van de oneindig verfcheide lichaa-
men, dewelkein deze lucht, uit de aarde
en zee opgerezen, gedragen worden, of
door dezelve dampkring van de Zon, en
Maan en Sterren afgezonden nade aarde,
in deze lucht vernachten , en voor een
E tyd
(a) Vid, walfius de Prineip. Aerometrie Definit, 2e
Jannar en. February 1719. gy
“tyd haar verblyf houden, veel min van
“de’(#) in een dringing des luchts, waar
door ‘haar ftof in een kleinder omkring
geparft word, of van deszelfs verdikking
"door de kracht der koude, of verdunning
„en uitbreiding en verwydering door weg-
neming der parfling of warmte, dewyl
“deze” zaaken tot myn bewys hier niet
Eens noodig zyn. Want voorwaar, myn
opmerkende Lezer, als iemant maar een
Hiftorie wilde geven, alleen van de ver-
‘andering derdingen , dewelke betrekking
met de lucht hebben, en haar verande-
‘ringen ‘ontvangen door de verfcheide
zwaarte en verfcheide veerachtige werk-
daaden des luchts , als ook van de zwaarte
en veerkragt des luchts , zelfs zodanig
eer zegge! ik zoude ondervinden, dat hy
ondernomen hadde een Hiftorie tc be-
fchryven „ daar duizend van de alder-
fehranderfte en” aldervaardigfte Hifto-
zifchryvers der Natuur werk aan hadden,
gelyk- na dezen genoegzaam gemerkt zal
konnen worden. ;
hout 16.
Het uitvinden van de luchtpomp door
Otto de Guericke Burgermeefter van Maag-
wenburg, (dewelke van deze uitvinding
N° G proeven
(4) Compreffio Eeris,
98 Natuur-en Konft-Kabinet3
proeven gaf in (4) ’t jaar 1654. in tegen-
woordigheid des Keizers, der Keurvor-
ften en Prinflen des Duitfchen Ryks) en
de veelvuldige proeven door den grooten
verbeteraar van dit konft-gereedfchap Ro-
bertus Boyle en andere treffelyke mannen,
hebben aan de wereld van onze dagen veel
licht gegeven, in de kennifle des damp-
kringachtigen luchts, En om het alge-
meen denkbeeld „ dat wy behooren te
vormen van een algemeene Hiftorie ; ee- —
nigzins gelykvormig te maaken met de —
onmeetbaare uitgeftrektheid van deszelfs —
voorwerp de groote Natuur, zullen wy —
de Dampkringachtige lucht eens befchou- —
wen in verfcheide geweften verdeelt.
17. É
Wy zyn door onfeilbaare proeven ver-
zekert, dat de dampkringachtige lucht,
benevens alles „wat noch boven op dezel-_
ve drukt, op onze aardkloot weegt de
zwaarte van omtrent achtentwintig ryn=
landze duimen kwikzilver; dat is, alsde
ftof van de dampkringachtige en wegende
en op onze aardkloot drukkende lucht
eens in een moment in kwikzilver veran-
derde, zoude de hoogte van deze kwike
zil-
(a) Vid, Wolfius loco Citat, ex prefatione ad experie,
menta nova Mazdeburgica. Ve
January en February 1719. -99
zilverachtige kring rondom de aardbodem
maar omtrent achtentwintig rynlandze
duimen hoog ftaan; en als wy het gemeen
regenwater in een tegengewicht brengen
met de lucht des dampkrings, weegen
omtrent eenendertig rynlandze voeten
(buiten deszelfs meer of min parflende
verandering ) regenwater even zwaar als
een colom van de geheele dampkringach-
tige lucht. Dat is, als de geheele lucht,
dewelke op den. aardkloot weegt, eens
in een moment in water veranderde ,
zoude deze waterkring rondom de gehee-
len aardkloot maar omtrent eenendertig
voeten hoog ftaan : maar dewyleenen het
zelfde volusmen van de lucht ongeloofelyk
veel lichter is, en minder weegt als het
zelfde volumen waters of kwikzilvers „
moet de hoogte des parflende en op de
aarde wegende dampkrings zo veel hoo-
ger in zyn colom boven de aarde'‘ftaan,
als de lucht lichter weegt als het water
gelyk na dezen de Lezer getoont zal wor-
den, en van andere reets overvloed:g be-
Wezen IS.
f bat
Als dan de Dampkringachtige lucht
(alseen colom aangemerkt) om zyn licht-
„heid zo hoog boven de aarde ftaat , zouden
G z wy
to Natuur-en Konfl-Kabinét ,
wy dezelve in verfcheide deelen verdeelt
konnen aanmerken , om dat wy na prspor=
tie van deszelfs meerder of minder hoog-
te veele verfcheide hoedanigheden aan
dezelve zouden konnen ontdekken ;en wy
zouden elk deel van deze colom om zyn
verfcheide hoedanigheid een byzonder ge=
weft des dampkringachtigen luchts kon-
nen noemen, voor zo ver als wy dit ge=
deelte des coloms in dê breedte over en ron-
dom de geheele aardkloot aarmerkten.
Dat deze ftelling waarachtig is , blykt
klaar uit de volgende bevindingen en proe-
ven.
19.
De geleerde Pater Louis (a) Feuillée
verhaalt, dat hy in America met twee
egale Barometers, welker pypen van een
en dezelfde diameter waren , en in wel-
ke de kwik, op een en de zelfde vlakte
geplaatft zynde, ook egaal hoog ftond,
na een berg ging, en op een en ’t zelf-
de moment door een Geneesheer de lucht
liet weegen aan de de voet van de berg,
terwyl hy dezelfde met de andere Baro-
meter boven op de top des bergs woeg ,
en dat in de Barometer , de welke aan den
voet
(a) Journal desObfarwatiens Phoyfiques, Mathema--
zigues &» Botanigues,
Famnary en February 1719. or
voet des bergs {tond , de kwikzilver hoo
ftond 27 duimen 5 linien olll en op de top
des bergs 26 duimen 6 linien 4. Zodat
het onderfcheid was o duim zo linien 4.
‚Waar uit ons klaar blykt de mindere
zwaarte des luchts-colom boven op de top
des bergs, als aan de voet van de zelfde
berg. Het gebruik , dat hier in een an-
der opzicht van te maakenis, zalik hier
voorby gaan, maar alleen uit deze procf,
die elk op een hoogen toren neemen kan ,
befluiten, dat deze twee luchtsgeweften
in omftandigheden dadelyk veel moeten
verfcheelen. *t Welk in alle gevallen plaats
zoude moeten hebben in alle de zaaken
en fchepzels, daar het een of ’t ander
luchtgeweft betrekking op hadde. Als
wy nu op deze wyze opklimmen tot bo-
ven op de oppervlakte van de dampkring,
\ zouden wy elke aanmerkelyke verande-
ring niet onvoeglyk in een byzonder lucht-
geweft moogen verdeclen.
20,
De Inwoonders op het Eiland Zexerif-
fa, mitsgaders de menfchen, dewelke op
het zelfde Eiland lang gewoont hebben,
verklaaren eenparig, dat niemant op de
pic de Teneriffe, of de piek van Canarie by
ons genaamt, Ee van de hoogfte ber-
3 gen
fox _Naâtuwr-en Konft-Kabinet,
gen des aardbodems) verder durft voort-.
gaan „ als op een zeekere by haar bekende
oogte; en dat waaghalzen of vremde-
lingen boven dit bepaalde perk opklim-
mende, het zelfde of met de dood beta-
len, of met een doodelyke krankte aan-
getaft worden : dat op de zeer hooge plaat-
zen , daar dit gevaar zyn aanvang neemt;
de gewaarwording door haare zin-werk-
tuigen begint te verminderen, dat de al-
derfterkfte brandewyn als regenwater
{maakt, en zy daar geen reuk meer van
gewaar worden , het welk datelyk tot zyn
voorigen ftant keert, zo ras als zy benc-
den koomen.
zh
De zeer geleerde en, de Acof-
ta verhaalt in zyn Nathurlyke Hiftorie
van Weftindien, in het derde Boek aan
’t IX Kapittel, een zeer aanmerkenswaar-
dige zaak met de volgende woorden. Daar
is in Peru een uitmuntend hoog geberg-
ten PErRrAGAcct sefiaamkn en De
hadde hooren zeggen van een groote
verandering, dewelke een menfch daar.
op of over reizende overkwam. Ik voor-
zag my zo veel als ik konde met de no-
dige toerufting , en na de onderwyzing;
dewelke ik hadde van de gene, dewelke
zy
__Sfanuary en February v719. 103
zydaár VaQqur ANos of bedreven noe-
men. In het’opklimmen van de trap-
pen des bergs, zo als zy die plaats aldaar
podmen, en welke plaats de alderhoog-
fte des bergs is, kwam my zeer fchielyk
een doodelyke benaauwtheid over , en de-
wyl myn ander gezelfchap voortreisde,
bad ik een Indiaan, van my op myn paard,
| dar ik anders áfgevallen zoude hebben,
te willen vafthouden. Ik begon aanftonds
te braaken en zelfs bloed over te geven,
maár de benaauwtheid duurde niet bo-
ven drie of vier uuren, tot dat wy weder af-
gedaalt ganfch beneden en in een bekwa-
mer getempertheid kwamen. Ons geheel
gezelfchap veertien of vyftien perzoonen
fterk zynde, was op verfcheide wyzen zeer
ontftelt geweeft , zommige alleenlyk maar
benaauwt, andere door braaking , andere
door ftoelgang en diergelyke. My wierd
verhaalt, dat het menigmaal gebeurt was,
dat zommige menfchen op deze reis dus-
danig het leven hadden verloren. Deze
uitwerking word niet alleen gevoelt op
de overtocht van denberg PARIACACCA;,
maar ook over deze geheele regel van ber-
| gen, dewelke zig over de vyfhondert
|_mylen in de lengte uittrekt. Ik hebbe
| dezeregeldoorde Lucanas en SORAS;
G 4 en
rog. Natuur-en Konft-Kabinet }
endoor de Cor LAGUAS, enook door
de CaAvANASs,en vervolgens op vier
byzondere plaatzen overgereift, en hebbe
altoos op die hoogtens de gemelde veran-
dering en ontroering gevoelt.
ON
Dat de oorzaak van deze ongetempert-
heid aan de lucht moet toegefchreven
worden (vervolgt Zcoffa) is volkomen bui- —
ten twyffel, want het voornaamfte hulp-
middel (dat ook zeer groot is) het welk _—
daar tegens gevonden, isdemond, neus
en ooren , zo veel als ’t mogelykis, toe
te floppen ‚ en wel met klederen te bedek-
ken. Want de lucht is aldaar zodanig
doordringend, dat zy tot het ingewand
(
toe ingaat. Deze benaauwtheid word j
niet alleen gevonden by de menfchen, }
maar zelfs ook by de dieren, dewelke
zomtyds zodanig verftyven en verflaau- —
wen, dat wy haar met de fcherpfte fpoo-
ren dikwils geen voet konden doen ver-:
zetten. Ik geloof, dat de gemelde Ge-
weften de alderhoegfte des geheelen aard-
. bodems zyn, want het is een ongeloofe-
Iyke hoogte , dewelke opgeklommen
word. De befnecuwde Pirenevs van Span-
jen, ende Alpes van Italien zyn daar by te
vergelyken , als gemeene huizen by hoo-
Sca
Beer Elin
January en February 1719. IOS
ge torens, waarom ik oordeele, dat de
lucht aldaar zo {ubtyl is, dat dezelvetot
de ademhaling der menfchen geen propor=
tie heeft, om dat de meníchelyke natuur
de lucht dikker en getemperder vereifchrt,
De befneeuwde bergen van Europa; de-
welke ik ook gezien hebbe , vervolgt
Hy, verwekken geen walging nog braa-
king, of eenig inwendig ongemak , maar
pyn van buiten aan handenen voeten. De
voorverhaalde regel bergen van Peru is
doorgaans onbewoont, ‘ja in zo ver, dat
men maar weinig hutten voor de reizen-
de lieden vint om in te vernachten. Daar
‚word ook geen vee nog gedierte als /i-_
cunnas gevonden, welker eigenfchappen
zeer vremd zyn, gelyk op zyn plaats zal
getoont worden. De kruiden en het gras
zyn daar de meefte tyd zwart en verbrand
van de lucht, en deze Berg-woeftyn is
vyf hondert mylen lang , en doorgaans
twintig of dertig mylen breed.
pi
Alhoewel wy uit de waarneminge van
d’ Acofta ‚ en andere Natuurlyke Hiftori-
{chryvers,eenige Geweften des dampkrings
(coloms-gewys aangemerkt zynde) onder-
{cheidentlyk ontdekken, kan ons echter
tot noch toe niemant eenige befchryving
G 5 geven
Io6 _Natunr-en Konft-Kabinet ,
geven van de overige geweften, dewelz
ke hooger op na boven fteigeren, noch
der zelver aart, eigenfchappen en betrek-
kelyke hoedanigheden mede deelen door
een kennis, dewelke geboren is uit cen
oordeel getrokken uit denkbeelden van
de zaaken zelfs, maar alleenlyk uit een
kennifle door noodzaakelykheid van ge-
volg geboren, en getrokken uitde denk-
beeldige kenniffe door proeven en waar
nemingen.
24.
De bekende geweften des Dampkrings,
coloms-gewyze aangemerkt , konnen wy
gevoeglyk , mer betrekking op onze en
aller dieren lichaamen en plantgewaflen,
in twee verfcheide geweften verdeelen.
1. Het geweft, daar menfchen en dieren
in leven en adem haalen in de bewoon-
baare plaatzen des aardkloots , en daar de
plantgewaflen enz. op haar tyd en met
haare vereifchte omftandigheden verzelt ,
weeldrig groeien en bloeien. En 2. Het
geweft des dampkringachtigen luchts ,
dat onbekwaam gevonden word voor het
gelukkig leven van menfchen, dieren en
plantgewaflën. Want wat de geweften
des dampkrings belangt van zommige
middelmatige hooge bergen , die altyd
met
Stanuary en February) 1719. 107
met fneeuw bedekt zyn, En daarom op
die plaatzen onbekwaam om menfchen,
en dieren en plantgewaffen te onderhou-
den, hangt zo zeer niet af vande hoogte
dier bergen, en des dampkrings co/om,
als wel wan de gedaante dier bergtoppen
en werkdaaden der zonneftraalen enz. En
wat ook het geweft aangaat des damp-
_kringachtigen luchts ( coloms-gewys aan”
gemerkt) daar de wolken groeyen en
gezien worden, daar fneeuw , hagel, nc-
vel, donder , blixems , weerlichten, win-
den , regens endiergeïyke verhevelingen
worden geboren , ditis ook aan geen juift
deel des coloms of aan een evenredige
hoogte des coloms alom te bepaalen. De
uitdampingen der aarde, de jaargetyden ;
de meerder of minder afgelegentheid van
de poolen, en ontelbaare zaaken doen dit
_wolkgeweft gedurig veranderen. De Heer
(a) Frezier zegt. Ik bengeweelft op hoo-
ge bergen, daar ik op een endezelve tyd
beneden my en boven myn hoofd wol-
ken zag dryven, dog deze zaak is al te
bekent om hier meer van te fpreken.
Zi.
Als wy de verfcheide geweften des
dampkrings ( horizontaals-gewys aange
merkt)
(4) Ziet deszelfs Reisbefchryving door de zuidzee.
z08 _ Natuur- en Konft-Kabinet,
merkt) wilden befchouwen , zouden
in een volftrekte ontelbaarheid geraaken.
Want als wy alle de plaatzen op dezen
aardbodem, daar een verfcheide lucht,
dewelke wy inademen, gevonden word,
in geweften wilden verdeelen , en de lucht,
dewelke boven dezelve gevonden word,
daar aan bepaalen , als een byzonder geweft
des dampkringachtigen luchts (gelyk die
zaak zodanig inderdaad ook is) zouden
wy cen onuitfprekelyk geral Natuurlyke
Hiftorifchryvers van nooden hebben, die
deze geweiten haarc hoedanigheden en
eigenichappen waarnamen en aan ons mc-
de deelden.
26.
Dat nutot noch toe hier weinig in ge-
vordert is, mynopmerkende Lezer, zult
gy zien, als gy maar acht gecft op de ge-
ringe kennifle , dewelke de menfchen
hebben, (door gebrek van zodanig een
Hiftorifchryver) van de lucht van deze
alom vermaarde Stad Zwflerdam. Is het
niet zeer aanmerkelyk, wy woonen in
een Stad, dewelke opgepropt is met zo
veel duizende van Inwoonders van groot
vermogen, verftand , geleertheid „ naauw-
keurige opmerking, en begeerte tot we-
tenfchappen en kontten. Ende eerfte we-
tenfchap ,
Jannary en Febrùary 1719. Top
tenfchap; daar een iegelyk van haar allen
na behoorde te reikhalzenente trachten,
‚en daar ook yder Inwoonder ten hoog-
ften aangelegen legt, word door een on-
“gemerkte achteloosheid verwaarlooft ,
namentlyk de kennifle van onze verfchei-
de grond , ‘verfcheide water en damp-
kringachtige lucht. Want de kennifle,
dewelke onze Inwoonders daar tegen-
woordig van hebben, zal ik na dezen too-
nen, dat luttel isby de kennifle, dewel-
ke wy daar van zouden konnen en be-
‘hooren te hebben. Wat zôuden wy al
konnen waarneemen en leeren omtrent
onze lucht, daar wy hier in leven, ten
opzichte van deszelfs temperament ‚ warm-
te, droogte, vochtigheid , koude, ge-
‘wigts- en veerige kragts-verandering, ver-
dikking, verdunning , helderheid, fyn-
heid , grofheid , zuiverheid , vermen-
ging van alderlei zouten, dampen, ne-
\vels „ veranderingen van de verfcheide
|jaargetyden, winden en watervloeden ,
Zon en Maans-taningen , veranderingen
rna de verfcheide tyden zelfs van den dag
jen in de nacht. Hoe dikwils en hoe lang
Wwerfcheide foorten van winden hier waaier,
en ftormen en tempeeften , regens, vortt
en dooiweder duuren, welke foort van ver-
a heve-
aro Natuur-en Konft-Kabinét,
hevelingen hier in de lucht meeft geboren
worden , kwaadaardige eigenfchappen,
gezondheid en ongezondheid des luchts,
(voor welke temperamenten goed of kwaat)
meiren, fonteinen , putten , wellen „rioo-
len , heete bronnen , rietbroeken.
27. |
Wanneer wy in acht neemendeontel-
baare verfcheidentheid der gronden; vin-
den wy niet een Landíchap , hoe klein -
het zelve ook in zyn omtrek mogte zyn,
het welke niet uit een verfcheidentheid
van grond en vervolgens uitdamping en
dampkringachtige lucht beftaat. Dit
verfchil gaat zo ver, myn goede Lezer,
dat nieteenftad, dorp, vlek, buurt, of
byzondereakker , poel , meirenz.gevon- <
den werd, dewelke niet haar eigen en
byzondere aart van uitdamping endamp-
kringachtige lucht , dewelke wy inader-
men, boven zich-hout ftaan,
28, ‚
De verfcheide uitwaaflemingen van
verfcheide waters,ftroornen, rivieren, poe=
len, modders , moeraflen , gronden, bere
gen, dalen, rotfen, heuvels, boffchen,
wouden, heiden, vlaktens, fpelonken, _
putten, aardens. kleyen, mergels, my-
nen, bergwerken, bergftoffen als ief
en
Famiaryen February-1719. Tr
den en mineralen „ koolputten, zwavel-
dampen, „brandende landen en bergen,
gewaflen, boomen , bloemen „ vruchten,
smenfchen, dieren, fchoorfteenen, fmif-
fen, werkhuizen, kookeryen, brande-
sryen; brouweryen , fteen- en glasbakke-
ryen, en ontelbaare andere zaaken. De-
ze verfcheidentheid van uitwaafleming en
uitdamping, vraag ik, of niet cen on-
moemelyke verfcheidentheid van lucht (de-
welke wy inademen , en daar onze gron-
den, gewaflen, dieren en voedzels weder-
om gemeenfchap mede hebben ) moet uit
maaken? Maar ik zal hier niet breder van
{preken , dewyl ik tegenwoordig maar
tracht te bewyzen de onbepaalbaare hoe-
veelheid en hoegrootheid van het voor-
werp eener algemene Natuurlyke Hif-
torie. .
ij. 29.
… Het derde hoofd-voorwerp van een Na-
tuurlyk Hiftorifchryver , dat wy het
Water hebben geftelt, is van zulk een
onmetelyke uitgeftrektheid , van zulke
ontelbaare voorwerpen en rykdommen
voor onze befchouwingen en beproevin-
„gen, dat geen duizende alderfchrander-
fte en aldernaarftigfte Natuurlyke Hiftori-
fchryvers (met alle daar toe vereifchte
e weten=
ke
riz Natuur-en Konft-Kabinet ;
wetenfchappen en konften begaaft } dit
voorwerp zouden kunnen afwerken. …
0.
Doordien ik tegenwoordig geen zaak in
%* byzonder uitvoerig zal af handelen, ge-
lyk ik na dezen zal doen, en dewyl ik
nu maar het algemeen denkbeeld „ dat
myn Lezer behoort te vormen; van de
groote Natuur, tracht te verryken, zal
ik alleenlyk maar voorftellen, welk een
vreeflyk lichaam aan onzen geeft vertoont
word, als hy al het water , dat op en door
en in den geheelen aardkloot gevonden
word, mitsgaders het water, dat altyd
gedragen word „ of. onder de gedaante van
wolken of mift, nevels of dampen, -bo-
ven en in de geheele damgkringachtige
lucht , alsook het water, dat inalle vloey-
baare ftoffen, zelfs in de fappen van men-
fchen, dieren en plantgewaffen gevonden
word, eens in een algemeen denkbeeld
befchouwt.
De Ä
Wie fchrikt niet, als hy denkt aande
de onmetelyke plaffen des verfcheiden
grooten Oceaans , deszelfs diepe ‚ onpeil-
baare en onnafpeurlyke grondenen gron-
delooze kolken, deszelfs ontelbaare. ver-
deeling door naamen en Ländfchappen af-
ge
‚_gemeenfchappen door onderaardíche kol-
| H
Jannáry en February 1719. 113
gefcheiden,buiten-en binnenlandíche zeên,
zeeboezems en baajen, de afgryzelyke en
ten hemel fteigerende of na den afgrond
dalende golven, derzelver woeftenyen,
bewegingen, vloeden, ebben, draaykol-
ken , en voorbyftroomingen onder en over
malkander; het onderfcheid van derzel-
ver zoutigheid, geur, fmaak, reuk ; en
_ verfcheide koleuren der zeên en zee-wa-
ters, derzelver heldere doorfchynentheid,
in zo verre dat op zommige plaatzen een.
kleine fchelp zeftig vadem diep op de
ef kan gezien worden; de verfchei-
entheid des waters op een en de zelfde
“ ftandplaats der zee, na meerder of min-
der hoogte van de grond of uitvloeyende
wellen of invallende vloeden of rivieren.
Welk een verfcheidentheid van ebben en
vloeden word op de kuften waargeno-
men, welke {pringvloeden en hooge en
deerlyke watervloeden? De Onderzoe-
kers vinden in het water van een en de-
zelfde Zee een groot onderfcheid van ge-
wicht of zwaarte, en een aanmerkelyk
onderfcheid in ’t gewicht van ’t water van
onderfcheide zeên , ook een reuk en won=-
derlyke metaalachtige {maak in zommige
deelen des grooten Oceaans; verfcheide
ken
/
114 Natuur-en Konft-Kabinet,
ken en onderaardíche vloeden van de een
ne zee met de andere, van zommige
meiren en binnenlandfche zeên met de
grote Zee. Behalven het zout worden veel
ttoffen in ’t zee-water opgeloft , gefmol-
ten en gedragen, dewelke het zelve vee-
le byzondere cigenfchappen en hoedanig-
heden byzetten.
2.
Wat zyn alom in de verfcheide deelen
van de Oceaan al waar te neemen grouw-
zaame rotzen, klippen , en verfcheide
gronden van byzondere zanden, kleyen,
mergels, fteenen en mineralen, banken
voor oefters, moflelen, krabben, kreef-
ten enz. groentens, kruiden, wieren en
duizend zeegewaflen, koraalen, paarlen;
ambers, horentjes , fchelpen van alder-
hande wonderlyke koleuren, teikens en
gedaantens? ,
/
3
„Als een naarftig. IN iter ade
zyn aandacht laat gaan over de ontelbaa-
re inwoonders der zee, de groote en klei-
ne viflen , fchulpviflen , fchildpadden „
zee-gedrochtenals kleine Eilanden,de loop
der viffen „ haar voedzel, voortteeling ,
en gebruik tot voedzel en dienft der men-
fchen, het onnoemelyk getal van wur-
men
Sanuary en February 1719. His
men en onzichtbaare diertjes, leven-
dige fchepzeltjes en bloedelooze bees-
jes-in zommige zen, op ftranden en
gronden, of tuffchen klippen en rotzen;,
waar is voor dezelve ooit gedaan werk te
vinden?
» Als wy uit de deden Oceaan aan land
reifen , en befchouwen de binnenlandfche
wateren „ vloeden, rivieren, haar oor-
fprong en ontlaftinge , haar goudryke -
gronden, haare overftromingen en vrucht-
baarheid voor dorre en dorftige landen.
Wat vinden wy. hier wederom een ontel-
baar getalvan viflen, haartyden , haar
‚ loop, vangft en aart na haar verfcheide
gronden en aas; de meerder of minder
bekwaamheid des waters voor bereiding
van ftoffen , tot dienft van alderley kon-.
_ften en ambachten? Welk een getal van
zuurbronnen, kookende en lauwe fontei-
nen en wellen, medicinale en alderhande
minerale wateren, poelen, putten, meie
ren, beeken , broeken , onderaardíche
rioolen en wellen ? Maar ik zal in al dit
water niet langer voortroeyen , want daar
zoude geen end aan te vinden zyn.
35
_ Het groote Lichaam „ dat wy de Aard-
EE: H 2 kloot
116 __Natuur= en Konft-Kabinet
kloot noemen; is (voor zo ver het uit
vafte en geen vloeibaare deelen beftaat ,
en in zo ver als wy het zelve met de al-
gemeene naam van Aarde kennen ) het
vierde en laatfte hoofdvoorwerp eener al-
gemeene Befchryving der Natuur. De-
ze onuitfprekelyke Klomp in deszelfs af-
metingen en juifte groote „ omtrek of
hoeveelheid te befchryven , is hier de
meening niet, maar ik geloof, dat het
een Lezer (in die konften onbedreven)
vremt voor zal koomen, als ik in ’t voor-
bygaan aan hem zegge, dat hem zoude
konnen getoont worden, als dit lichaam
in een fchaal ingebeeld wierd, hoe veel
het by waarfchynelyke onderftelling zou-
de moeten weegen.
6.
Een dealkeiskari Befchouwer van de
groote Natuur kan dit laatfte hoofdvoor-
werp der Natuurlyke Hiftorie op vier-
derhande wyzen befpiegelen. Eerftelyk
het oppervlakke des aardbodems met alle
deszelfs verfcheide hoedanigheden en ge-
daantens, met betrekkingen of op de zee
of op andere naaftgelegene aardfche dee-
len, of op het gewefte des Hemels, daar
de aarde in bewogen word, op de he-
meltekens , zon, maan, planeten enz,
Mits-
| January en February 1719. 1 17
Mitsgaders in een algemeene of byzondere
afdeelinge en afmetinge , en duizend
andere betrekkingen, te veel in getal om
hier alle aangemerkt te worden.
' 37
Als wy alleenlyk maar op de verfchei-
de ftantsgelegenthedenen gedaantens des
oppervlakkigen Aardbodems naauwkeu-
rig acht wilden geven, zouden wy in een
ontelbaarheid vervallen , dewelke door
geen duizend Natuurlyke Hiftorifchry-
vers te verrichten zoude zyn, of uitgevoert
zoude konnen worden. Alsiemant maar
de gelegentheid of ftant van een byzon-
der landfchap zoude trachten te befchry-
ven, zoude hy moeten afperken en be-
paalen deszelfs grenffcheiding door gebu-
rige zeên en Landfchappen, deszelfs om-
trek, afmeting en grootheid, de inwen-
dige verdeelingen van het landíchap na
derzelver metingen, de ooft- weft- zuid-
en noorder-zyden van gedachte Land-
_fchap: de vlaktens, bergen en derzelver
gedaanten , hoogtens, voeten , toppun-
ten en omtrek, de valeyen, heuvels,
rotzen, duinen enz. de regels en loop der
bergen, de byzondere landftreekenin dit
landfchap gelegen. De hoofden , kaa-
pen en uitfpringende punten , zee-boe-
ER 3 zems
!
ir8 _Natwúr-en Konft-Kabinet,
zems, havens enz. van ’t geheele Land-
fchap. Debrandende „rookende en damp-
uitwerpende bergen, onderaardfche kol-
ken, hoolen, de aardbevingen; de aan-
eenfchakeling en atfeheiding van hetLand-
fchap in Etlanden of Byna-eilanden, de
verfcheide foorten van grond , aardens,
kleyen, mergels, zand, veenen , moe-
raflen, ftenige gronden. Welke fpecifyke
hoedanigheden dit landfchap eigen zyn,
en derzelver verfchil jn deszelfs verfchee=
lende landftreeken. De boffchen , wou-
den , broeken, jacht, viflery, meiren;
wateren , vruchtbaarheid en onvrucht-
baarheid, en duizend zaaken durf ik niet
eeris aanhaalen, dewelke een Natuurlyk
Hiftorifchryver in elk byzonder Land-
fchap heeft aan te merken, en dat alleen-
lyk maar voor zo ver hy deszelfs opper-
vlakkige Bp re ze
Ten tweeden ki een opmerkend Na-
tuur-befchouwer de Aarde befpiegelen;,
ten opzicht van deszelfs Inwoonders. Maar
Hemel , welk een verfcheidentheid , welk
een onnoemelyk getal doet zig hier op
voor onze verbeelding ? Wie heeft ons
tot noch toe alle Natien opgetelt, of el-
ke Natie in dien flag van onderfcheid,
waar
Fanuaryen February 1719. 119
waar in, zy van alle andere Natien ver-
_ fcheelt, befchreven? Ik zal van deze zaak
aftreden, en om deszelfs ondoenlykheid
maar. voor. oogen ftellen de befchryvinge
des volks van een enkeld en byzonder
Landfchap.
9.
___ In het de der Inwoonders van
een enkeld of een byzonder landfchap,
zoude een Natuurlyke Hiftorifchryver
acht dienen tegeven. 1. Op de Ingeboo-
rene van outs. 2. Op de volkplantingen uit
andere vremde Natien. En 3. Op de In-
komelingen ; op de temperamenten van
deze drie elk in ’t byzonder, en hoeda-
nig het temperament der volkplantingen
door den aart des lands dampkringachti-
gen luchts en waters, gewoontens , voed-
zels enz. wierd verandert, inhoe veel tyd
zulks door malkander genomen gefchie=
de, welke veranderingen de vremdelin-
_ gen of inkomelingen daar onderhevig wa-
ren. Het verfchil des volks van elke Stad
of Landftreek in gedachte Landfchap , zo
van femperament als alle andere toevallige
eigenfchappen en hoedanigheden, de ge-
daante , grootte „lengte „ dikte, poftuur
enz. door malkander genomen, de trek-
ken van haare aangezichten tot onder-
Ei” H 4 {cheid -
120 Natuur-en Konft-Kabinet
fcheid van andere Natien, derzelver c-
leur, hair, oogen, ooren, neus, mond; -
lippen, vlugheid, fterkte , behendigheid,
gezondheid en landziektens , derzelver
gewoontens , zeden , loosheid „fchrander-
heid, uitvindende kragt en vernuft, haar
oprechtigheid, bedriegelykheid ,- onno-
zelheid, bygelovigheid, vryborftigheid ,
openhertigheid , haar natuurlyke neigin-
gen , uitftekentfte deugden en ondeugden ,
driften , taalen , Godsdienften , zeeden
en plichten onder en tegen malkander,
gedrag tegens vremdelingen; haar ge-
woonelyke fpyzen, dranken } brafferyen,
foberheid, pracht, geleertheid , konften,
oeffeningen , koopmanfchappen , nerin-
gen en hanteringen of ambachten,haar Re-
geerwys en burgerftaat „ haar genees-en
heelkonftige oeffeningen , haare rechts-
gedingen , feeften , zegepralingen, en
cerimonien \n trouwen en begraven enz.
Haare vrouwen , derzelver vruchtbaar-
heid of onvruchtbaarheid, haare oeffenin-
gen, huiswerk , huiscieraden , konften en
handwerken. Der mannen oorlogs-be-
dryf, kloekmoedigheid of bloohertigheid ,
haar bouwkunde omtrent woningen,
fchepen , rytuig en andere gevaartens ;
haar landbouw en byzondere manier daar
e om=-
Sfannary cn February 1719. V2t
omtrent, haar tydverdryfen vermakelyk-
heden , fpelen, danzen , zingen , haar
_verfcheide kledingen, elkinzyntrap van
ftaat, jaaren ofeerampten, en duizenden
van andere zaaken ‚dewelke in een naauw-
keurige Befchryving des volks van elk
byzonder Landíchap aangemerkt moeten
worden.
ak o.
Ten derden zoude een natuurlyke
_ Hiftonfchryver de Aarde konnen befpie-
… gelen, ten opzicht der zaaken, dewel-
ke zich bovenop de aarde vertoonen, by
voorbeeld: de dieren in haare geflachten
en foorten afgedeelt,de landdieren,land- en
te gelyk water-dieren,de kruipende dieren,
de bloedelooze dieren, de voor ’t bloote
oog onzichtbaare dieren ‚de vogelen,
elk na den aart. van ’tlandfchap en lucht
daar zy in voortgeteelt zyn; mitsgaders ten
opzicht der plantgewaffen , boomen, hees-
‚ters, boomachtige heefters , plantachtige
heefters, kruiden, bladeren, bloemen ,
vruchten, zaaden , by-of aanwaflen , cam-
pernoeljes enz. Dewyl ik deze zaaken na
dezen elk op haar plaats hoope te verhande-
len, zal ik my tegenwoordig, daar niet bre-
_der over uitlaten ; maar merk eens op aan-
_dachtige Lezer, in welk een Oceaan van
ae ERS me-
}
122 _Natuur- en Konft-Kabinet
menigvuldigheid en verfcheidentheid een
Natuurlyk Hiftorifchry ver zoude omdob-
beren, als hy zoude trachten aan ons me-
de te deeleneen naauwkeurige befchry-
ving van de dieren en gewaflen van elk
Landíchap byzonder des geheelen aard=
bodems , als hy elk zoude befchryven;
na zynen landaart en byzondere hoedanig-
heden? Indien gy gelezen moogt heb-
ben, wat ons alléen van de dieren ont-
dekt hebben, Plinius , Diofcorides , Ailia=
mus, de groote Gefnerus , de weergaloo-
zen dldrovandus , de vermaarde Willem
Pifò, Georgius Markgraaf Carol. Clufius ,
Franciftus Hernandez , Joannes de Laat,
Eufebins Nieremberg , Fonfton , Bochartuss
Charleton, Willughbei , Rondeletius., Mou-
Fetus , Wotton , Lifter, Rajus en een
menigte andere, zult gy wel toeftaan ,
dat hier nog vry wat te onderzoeken is,
t geen wy geheel niet of zeer fchraal
weeten.
EE
De vierde manier, daar een Natuur-
lyke Hiftorifchryver zyn mede- hoofd-
voorwerp de Aarde byzonderlyk door kan
befchouwen, is, wanneer hy in aanmer-
king neemt de zaaken, dewelke gevon-
den ‚worden in de ingewanden der aarde ,
na-
January en Febrnary 1719. 123
| namentlyk de metalen en alderhande berg-
ftoffen eù mynftoffen , fteenen, gibzen,
_aardens, mergels „ en ontelbaare zaaken
van die natuur. Laat nu de naamwyze
en laatdunkende Schoolgeleerden , de=
welke alles buiten de zaaken zelfs meenen
te kennen uit haar ydele onderftellingen ,
of zo genaamde oorzaaks-of Natuur-kun-
de, eens in deze groote klomp met ons
intreden , en befchouwen de vrezelyke
dieptens der onderaardfche mynen en uit-
gegrave kuilenenz. Zy zullen zich da-
telyk in een doolhof van onkunde ver=
wart en verlegen vinden, en haare inge-
beelde kenniffe zelfs beftraffen en uitjou-
wen.
4E.
_… Als wy den ontzachelyken Aardkloot
in zyn geheele dikte , in een recht neder=
daalende lyn tot aan onze tegenvoeters ,
eensoverwegen, zullen wy zeer lichtelyk
begrypen, dat wy van het inwendige ge-
{tel des aarbodems maar zeer luttel wee-
ten. Want als wy de Mynen van Zor-
garpen, van Saxen, en van Peru (die van
alle de Bergwerken en aardgravingen de
diepfte zyn) eens in ‘acht neemen, zul-
len wy bevinden, dat wy ten opzicht.
van de diepte der aarde , tot aan zyn mid-
| … delpunt
124 Natuur-en Konft-Kabinet ,
delpunt gerekent, nog naauwlyks opde
eerfte trap zyn na beneden geklommen.
Ik hebbe in Boyle, Broen of Agricola,
voor dezen gelezen (dog de plaats en de
rechte dwteur van deze drie is my ont-
{choten) de lengte van de rechte neder-
dalende lyn, tot op de grond van de al-
derdiepfte Myn ; maar ik hebbe echter zo
veel wel onthouden (en ik zal het ook na
dezen uit myne Aantekeningen eens op-
zoeken ,en U, als ik van de bekende myn-
werken handele, mede deelen) dat de
diepte van de alderdiepfte Myn ten op-
zicht van de dikte des aardbodems, als
een zeer dun fchilletje of fchorsje van dit
overmatig gevaarte te achten is.
4 |
Maar dat noch meerder de grootte des
voorwerps van een algemeene Natuur-
lyke Hiftorie, en onze deerlyke onkun-
de en erbermenswaardige onnozelheid met
duizend monden uitroept „is, dat wy zelfs
van dit dunne fchilletje en fmalbaftig
fchorsjenoch zo weinig weeten. Daar
zyn immers na proportie van de geheele op-
pervlakte des geheelen Aardbodems maar
weinig plaatzen doorgegraven. En ’
geen noch veel aanmerkelyker is, wy
hebben maar zeer weinig geleerde Man-
nen;
Stanuary en February 1719. t25
nen, dewelke de moeiten hebben gedaan
van ons iets zonderlings mede te deelen
“van de plaatzen , dewelke gegraven zyn.
Ik durf wel recht uit zeggen , dat wy maar
een eenig Schryver hebben , namentlyk
Georg. Agricola „dewelke ons iets , dat aan-
merkens waardig is, vande Mynwerken
heeft medegedeelt. Het is wel waar,
dat zommige geleerde Lieden over de me-
zalen, bergftoffen, aardens, fteenen enz.
hebben gefchreven , maar van de berg-
groeven zelfs en de werktuigen daar in
gebruiltelyk enz. zeer weinig en gebrek-
gelyk. Zommige opmerkende Reizigers
hebben eenige aanmerkingen nagelaten, en
zommige Schryvers van Duitfchland , Jta-
dien en Vrankryk, als ook eenige andere
hebben van de mynen in Peru hier en daar
wataangetekent , maar het is van weinig
belang. Ik zal hier van alle andere zwy-
gen, maar of: de Acoftaisde eerfte, en
de Heer Frezier , Ingenieur des Konings
van Vrankryk, in zyné Reizen 1712.
1713. 1714. in Weflindien gedaan , de
laatfte van die gene, dewelke iets van be-
lang hebben aangetekent van de Mynen
van Peru.
4 ee fi
De meer gemelde Jefuit Jozephus de
Acuftg
126 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Acofta verhaalt, in het vierde Boek van
zyne Natuurlyke Hiftorie van Wetftin-
dien, van de Mynen van Peru veel fraaye
en aanmerkelyke zaaken. Het Gebergte
van Potofi , zegt hy; is gelegen inde Pro-
wincie van de Charcas in't Ryk van Pe-
ru 21 en} graad zuiderbreedte van de
linie op het uiterfte einde van de zona
torrida. Lo dat dit land nade hoogtedes
pools, daar ’t op legt, getempert of heet
behoorde te wezen, maar het is om de
fteigerende hoogte des lands en grouw-
zaame bergen daar zomtyds kouder als in
Vlaanderen. Behalven de hoogte van het
Land waajen daar in de Maanden Mey,
Juny, July en Auguftus koude en onge-
temperde winden, dewelke zy daar toma-
bavi noemen. Deze winden zyn zeer
verbolgen, koud , ongezond en onvrucht-
baar, alles wegdrogende; in zo verre,
dat nergens eenige vruchten, kruiden
of zaaden van belang voortkoomen, en
het is volgens zyn eigen Natuur en on-
vruchtbaarheid onbewoonbaar. Maar het
zilver is’er zo kragtig , dat het alle andere
dingen na zich trekt, zo dat op dit ge-
bergte een van de grootfte plaatzen van
volkrykheid van ganfch Perw gevonden
word.
Potozi,
January en February 1719. 127
k 4 d a
Potofs „ vervolgt & > is van alle lyf-
tocht en lekkerny vol op. Alle plaatzen
en markten ftaan vervult met fruiten ,
eonferven, banketten, keurlyke wynen,
koftelyke zyde ftoffen , en alleswat raar
en heerlyk is. Gelyk dit van veel ande-
re Schryvers, dewelke ria de Acofta ge-
fchreven hebben, ook beveftigt word.
6.
De Acofta zegt ir de koleur van de
vermaarde berg Potofi wat na ’t donker
__ros trekt, dat de zelve van verrê zeer aan-
genaam voor ’t gezicht opryftals een zui-
__ker-brood, en boven alle de andere ber-
gen, dewelke daar by of omtrent ftaan ,
het hoofd uitfteekt; dat de zelve in de
hoogte in een punt eindigt, en onder aan
zyn voet een myl in ’t rond is, en dat
van het opperfte van de berg tot deszelfs
laagfte voet een vierdedeel van een fpaan-
fehe myl uitmaakt. De Mynen van de
berg Potofi wierden ten tyde van de (a)
Vncas, dewelke Heeren van Peru waren,
voor de tyden der Spanjaarden niet bereide
nog
(4) Ziet wat de geleerde Heer I/uak Verburg bier
van geleert heeft in een aanhangzel- achter de Reis-
befchryving vande Heer Frezier in 't jaar, 17x8 vertaalt
enhiertot Amfterdamin 4°. gedurkr,
128 Natuur-en Konft-Kabinet,
nog gegraven, maar doen wierd in de
mynen van Porco, dewelke zes mylen van
de berg Potofi afleggen, gearbeid. « Ja
zelfs na dat de Spanjaarden twaalf jaar in
Peru gewoont hadden, zyn de overryke
mynen van de vermaarde berg Potofi eerft
gevonden. |
De ontdekking ids de zeer ryke zil-
vermynen van de berg Potofi verhaalt de
Acofta op de volgende wys. Een Indiaan
genaamt Guulpa , geboren in het land van
Cufto, klom op een zeekeren tydopden -
berg Potofi, en moeft zig op zommige
plaatzen om deszelfs fteilte aan de takken
der wilde boomen, dewelke daar guiua
genaamt worden, daar dezen berg indien
tyd byna over al mede bedekt was, hier
en daar zomtyds vafthouden, en zelfs e-
nigzins mede optillen. Hy greep onder
anderen een tak, aan dewelke zich ge-
wortelt hadde een zilvere ader , die zedert
de naam van de ryke zilver-ader behouden
heeft. Deze tak volgde uit de grond hem
na, en hy ontdekte ( als kennifle vandie
zaaken hebbende, en lang by de mynen
van porco verkeert hebbende ) dat de plaats
des wortels met een ryke minerale ftof
voorzien was, hy nam eenige ítukken
mede,
Sannary en February 1719. 129
mede, dewelke hy tot porco door het vuur
beproefde, en uitnemend ryk van zilver
bevond. Hy behielt dit geheim een maand
lang voor zich alleen, en groef dagelyks
ftukken van dit ryk Moneraal, tot dat
eindelyk een ander Indiaan , genaamt
Guanca en geboren in de valey van Xauxa }
dewelke binnen de grenffcheiding vande
ftadt de los Reyes legt, en die een gebuur
was van voorgemelde Gualpa , kwam te
ontdekken, dat Gwalpa in alles toenam,
_ daar hyte vorenarmelyklecfde. _Mitsga-
_ders dat de mineraal-ftof, dewelke Gual-
_ pa bereide, verfcheiden was van het zil-
ver-mineraal of erts van Porco. Omde-
ze reden plaagde Gwanca onzen goeden
Gualpa zo lang, tot dat hy hem eindelyk
deelgenoot van deze heimelyke fchatkift
maakte, echter onder dit beding , dat
Guanca voor zyn deel zoude genieten een
andere zilvere ader „die mede heel ryk was,
en die hy behalven de eerfte ondertuffchen
noch ontdekt hadde, maar wiens erts har-
der en zwaarder te bewerken was.
dS
De Alderrykfte Schatkift, dewelke zo
wel voor als na dien tyd op de geheelen
aardbodem bekent is geweelt, was toen
in handen van twee overwonnelingen en
el-
130 _ Natuur-en Konfl-Kabinet,
ellendige Indianen , maar zy twifteden wet
haaft om het verfchil vande Erts , en Guan=
ca ontdekte aan zyn Meefter het geheim.
De Meefter van den ondankbaaren en on=
trouwen Guanca was een Spanjaart, de-
welke Villaroel genaamt was én in Porco
woonde.
9.
De Wet des Konidet van Spanjen geeft
aan de geen, die een ryke ader ontdekt, -
een recht, dat hy eenige roeden in den
omtrek voor zich zelven mag afteikenen
en afperken, gelyk ook datelyk de Span-
jaart Villaroel met behulp van zyn knegt
Guanca verrichte , daar de rykfte Erts
gevonden wierd, te weten in de ader van
de eerfte ontdekker Gualpa. Hier blyft
zodanig een ontdekker Heer en eigenaar
van,mits dat hy de geheele Myn aan ‘t Ko-
ninglyk gerecht openbaart en getrouw
aangeeft , en aan de Koning de vyfde
penning van alles dat hy uitkookt be-
taalt.
: so.
Deze eerfte aangeving en openbaring
van de rykdommen van den berg Poros
is door Villaroel en Guanca gefchiet op
den 21 April in? jaar 1545. Zeerkort «
ua deze ontdekking wierdnoch een zp
ader
…_ January en February 1719. 131
ader gevonden, dewelke uitnemend ryk
was, dog de Erts van de zelve was zo
hart als vuurfteen. Inhet zelfde jaar 1 s45
wierd op den 31 Auguftus noch een vier-
de zilver-ader ontdekt , meudieta genaamt.
En deze vier aderen zyn de rykfte, die
tot noch toe op den geheelenaardbodem
ontdekt zyn geweeft. In de eerfte ontdekte
en rykfte van deze vier aderen ftont het me-
taal een fpiets lengte mm de hoogte over ein-
de, op de wysals rotzen , die boven de aar-
__dealsde tanden vaneen kam uitfteken , en
zulks ter lengte van driehondert voeten
en dertien voeten in de breedte. Het
metaal was zo ryk, dat de helft van des-
zelfs Erts byna zilver was. De rykdom
van dit metaal duurde in de diepte vyftig
en zeftig manslengtens, op welke diepte
het onzuiverder wierd. Deze ontdek-
king gefchiede, terwyl Karel de V Kei-
zer vanDuitfchland en Monarch vanSpanjen
was. Het gerucht, dat zich overal van
deze ontdekking verfpreid hadde, lokte
van alle kanten de Spanjaarden na Potofî,
zo dat aldaar in weinig tyd een groote
plaats- vol Inwoonders zich vertoonde.
SL.
__ Onder de alderrykfte Mynen, daar de
Oude van gefchreven hebben, is die de
RES Iz rykfte
132 Natuur-en Konft-Kabinet
rykfte daar Plinius van melt, dewelke in
de Pirineefche gebergtens van Spanjen door
Bebelo eert 1s ontdekt , die aan zyn
Eigenaar Hannibal dagelyks drie hondert
ponden zilver uitleverde, te weten pon-
den van twaalf oncen; maar deze hadde
geen overeenkomft in rykdom by de ade-
ren van Potofi. Want het blykt uit de
Boeken des Konings van ’t huis der con=
traêtatie ( daar ’t zelfde opgeteikent word)
dat in de tyd , dat de Licenciaat Polore-
geerde, alle Zaterdag alleen voor de vyf-
de penning des Konings van Spanjen af-
gedeelt wierden veertig duizend ftukken
van achten.» Zo dat dagelyks uit deze
Myn uitgelevert wierden dertig duizend
Ryksdaalders, daar de myn Bebelo maar
ruim tien duizend guldens dagelyks kon-
de uitleveren, behalven dat de {chat van
Potofi wel verdubbelt moet worden, de-
wyl de helft in dien tyd wel verzwegen
en niet aan ’t Boek des Konings aangege-
ven wierd, maar onder de Indianen en
Spanjaarden bleef; gelyk zulks by de Acoffa
zyn tyd in Peru over al zeer wel bekent
was.
Ee sz
De grootfte verhindering ‚ dewelke
belet, dat de {chatten niet uitde Mynen
Se
SYamuary en February 1719. 133
gehaalt konnen worden, ishet water, dat
uitgeemmert moet worden „daar Potofi vry
van was; en de mynen van Porco, die
anders zeer ryk zyn, overvloedig mede
gekwelt wierden, gelyk ook in ouden
tyd de mynen van Bebelo , na het getuige-
nifle van Plinius. De myn van Bebelo
inSpanjen was vyftien hondert treden diep,
en, gedurig vol water, en die van Potofi
by de tyd van de Arofta twee hôóndert
mans lengten of vademen.. Alle de vier
erts-aderen van Potofi, zegt de dcofta;
zyn aan de ooft zyde van de berg , daar
de zon opkomt, en zy loopen van ’
noorden na ’t zuiden, zynde nu op haar
breedfte zes voeten, en op haar fmalft een
fpan breed; aan de weftzyde vande berg
worden geen mynen gevonden. Daar
zyn kleindere takken , die van deze groote
voortkoomen. Elke ader heeft verfcheide
mynen of groeven, en deze behooren aan
_verfcheide eigenaars, na welker naamen
zy genoemt worden. De grootfte Myn
is So Spaanfche ellen en de kleinfte van
vier. Meer als tachtig ellen word aan
niemant toegeftaan om te. graven. In
de ryke ader zyn achtenzeventig mynen,
in de ader van Genteno 24. mynen enz.
3 | Myn
134 Natuur-en Konft-Kabinet
53.
Myn beftek a my, waarde Le-
zer, om verder afte weiden, en van de
andere Mynen van Weftindienste. {pre-
ken; verwacht op eenandere tydnaauw-
keuriger en overvloediger befchryving zo
wel van de Mynen van andere landen , als
van die der Spaan/che en andere Weftindien.
Deze zyn zo verfcheiden en zo veel in
getal, dat het uw geloof, indien gy des
onkundig zyt, teboven zal gaan. Maar
de tegenwoordige rykdom der ertzen is
lang zo groot niet, en ook zo ge-
makkelyk niet om uit te meubelen, als
de menfchen zich hier gewoonlyk wel
inbeelden, De berggroeven en vifleryen.
van goud, de Mynen van koper zwa-
vel, zout , fteenen , kwikzilver; zeil
fteen, en veel andere bergftoffen , die
daar gevonden worden, zyn zo overvloc-
dig, dat ik aan de zelve op deze plaats:
niet durf raaken, veel minder aan de
bergwerken van Mongarien , Meiffen,
geheel Duitfchland , Vrankryk „ Enge-
land „ Spanjen, Italien, de diamant-groe-
ven van, Indien enz.
4.
Ik heb. genoeg geroont om te doen.
begrypen , dat een naauwkeurige be-
Ì fchry-
Sfanuary en February 1719. 35
fchryvings door een natuurlyke Hifto-
rifchtyver van het ontzachelyke voor-
werp (namentlyk de Berg- en Aard-groe-
ven, en derzelver verfcheide bergftoffen ,
dewelke op de geheele aardkloot gevon-
den worden en geopent zyn ) een onder-
neming is, daar duizende geleerde pen-
nen haare kragt op verflyten zouden , en
dat wy zeer weinig weeten van deze zeer
— dunne {chil of fchors in zyn omtrek over
„de geheelen aardbodem aangemerkt.
‚Wy moeten ons Ln inbeelden } dat
een metaal-ader , 't ZY van goud , zilver,
kooper ; tin, cinaber enz. niets anders zou-
de behelzen , als dit eenige metaal of zi-
meraal, te weten of goud , of zilver;
kooper of tin; of loot of kwikzilver ; ô
neen myn” verftandige Lezer, de ertzen
van deze metalen verfcheelen in duizen-
de van omftandigheden zo oneindig veel
van malkander , dat zulks uwe gedachten
voorby zoude vliegen. De Heer Frezier
zegt. De fteenen var de mynen, deerts;
(of omde taal van Peru te fpreken) het
metaal, waar uit men het zilver haalt;
zyn niet altyd van dezelve hoedanigheid;
beftendigheid en koleur. Daar zyn ’er
1. Blank en grauw, gemengt met rofle
hi) 4 vlek-
136 _Natuur- en Konft-Kabinet ,
vlekken als uit de mynen van Lipes. 2.
Word daar gevonden zwarte aarde of erts,
dit isde rykfte, en met loot gemengt. 3.
De alderrykfte erts is insgelyks zwart ',
en word root als zy tegen yzer gewre-
ven word. 4. Daar is erts die fterk glin-
ftert, maar is zeer arm. s. Daar is geel-
rode. 6. Daar is groene. 7. Daar is zilver-
dradige. Dus ver de Heer Frezier. Gy
ontmoet duizende van coleuren , duizende
van alderhande fteenen, aardens, gibzen,
mergels , criftallen , marcazitaas , anti-
monien, cinabers, witriolen, half- en ge-
heel-rype metalen , zwavels , koolen,
cobolten, arfemcaas, zandaracaas enz. in
zo ver dat gy niet weet , waar gy u wen-
den of keeren zult , om uw vereifchte
metaal, daar het om te doen is, uit te
kooken ; en de werktuigen „ die daartoe
noodig zyn, en daar op verfcheide wy-
zen toe gebruikt worden, gaan uw ver-
wachting te boven: ik zal nog maar iets
zeggen.
s6.
De Myn-aderen loopen gemeenlyk na
de diepte, en zyn zeer zwaarte vervol=
gen, en om daar by te koomen heb-
ben de Spanjaarden in de berg Potofi ga-
ten gegraven aan de voet van de berg,
die
Yanuary-en February 1719. 137
die na de ader toeleiden, dwars in dezel-
ve. Deze wegen zyn een mans langte
hoog en acht voet wyd, en honderde ja
duizende vademen lang , en hier door
‚brengen zy de gegraven metaal-aarde na
buiten, mits betalende aan den Eigenaar
_ dezer wegen een vyfde part van alle de
_ metaal-aarde oferts. De metaal-aarde of
_ ertsisfteen , en word met yzere koevoeten
_enandere brekende inffrumenten aanftuk-
_ ken geflagen en uitgehakt, en word dan op
ladders van ofle-leer in een kleed’ op de
rug na de dwarswegen opgetorft, dik-
wils ter hoogte van tweehondert vade-
men, eer zy aan de uitgaande dwarsweg
koomen, gefchiedende dit alles in ’t don-
ker buiten eenige dag en met kaarslicht.
Ziet de Acofta.
7
De Heer (4) Frelar zegt, dat de My-
nen, die tegenwoordig het meefte zilver
geven, zyn die van Oruro , een klein
fteedtje 80 mylen van Arica gelegen.
1712. ontdekten zy tot Ollachea , niet
verre van Cu/to, een zo ryke Myn, dat
zy byna een vyfde zilver uitleverde, maar
Zy is nu maar gemeen. Na deze volgen
die van Lipes, die het zelfde lot gehad
dig heb-
(a) Ziet Frezier Reis door de Zuid-zee,
138 _Natunr-en Konft-Kabinet,
hebben. Eindelyk die van Potofi geven
weinig „ en flepen veel onkoften na zich
door haar groote diepte.
8
58.
Gelyk ik nu lichtelyk al te overvloedig
getoont hebbe, dat het Geheel-al of de _
groote Natuur een voorwerp is, dat in
geen algemeene Hiftorie of Befchryving, Á
kan vervat worden, om deszelfs groot-
heid en veelvuldigheid van Natuurlyke
… Schepzels, is in tegendeel de kleinheid
en deelbaarheid der ftoffelykheid van elk
fchepzel ook te ryk en te onbepaalbaar ;
om befchreven te worden na haare waar-
achtige gefteltheid , en ik zal u too-
nen, dat al zoweinig als wy de groote
Natuur kennen in deszelfs uitgeftrektheid,
even zo veel voor ons verborgen is des-
zelfs waare gefchapenheid in het zo ge-
naamt oneindig klein.
p 59.
Het gezag van een naarftig en naauw-
keurig onderzoeker moet by een man, die
recht verftandig wil handelen , meer gel-
den als de redentjes van duizend fchool-
geleerden, dewelke of nooit eenige proe-
ven gedaan hebbende, of eenige weinige
proeven van de groote Natuur-befchou-
wers overgenomen hebbende , uit onder-
ftel-
|
v
Yanuary en February 1719. 139
ftellingen en harflen-gedrochten, ftout en
onbefchaamt over alle de zaaken der Na-
tuur haar oordeel vellen. Dat gezag moet.
echter niet verder als op ons geloof wer-
ken, dat is : wy moeten de bevindingen
en de proeven, dewelke een groot Na-
tuurbefchouwer verhaalt zelfs gedaan te
hebben, met een goed vertrouwen aan-
neemen, maar zo ras als zodanig cen Man
(al was hy ook de grootfte van alle de
Natuurbefchouwers) uit deze proeven be-
gon te redefieren , en onbeproefde zaaken
uit deze data te befluiten, en gevolgen
te trekken, moeten wy ons met deszelfs
groot gezag niet bekreunen, maar onze
eigen-toetiteen, en zeef gebruiken „ en het
licht de-waare Reden, die Godt ons daar
toe gefchonken heeft , gehoorzaamen,en
door deszelfs oordeelend, vermogen ont-
dekken de waarheid of valsheid zyner re-
denkavelingen., gemaakte gevolgen en be-
flairen: 5 60. |
De-roemruchtige Robertus Boyle heeft
zo veel gezag by de geleerde W ereld ver-
_worven, dat niemant aande ondervindin-
gen, waarnemingen en proeven, dewel-
ke-hy heeft nagelaten, tot noch toe heeft
willen twyffelen. . Ik zal eenige proeven
van dezen grooten Man aanhalen, om te
| bewy-
140 Natuur-en Konfl-Kabinet
bewyzen de onnafpeurlykheid van het on-
begrypelyk klein zommiger ftoffelyke
deelen.
ÓL.
Ikleide een greintje gevylt koper, zegt
de Heer (a) Boyle, in een fchaaltje , dat
van de uiterfte. naauwkeurigheid en rad-
digheid was; en dewyl ik dit metaal had- _
de uitgekoren, om dat het zelve in de
meefte fmeltvochten uitlevert een zeer
kennclyke en volle blauwe koleur , heb-
be ik het zelve laten fmelten, niet in
ilerk-water of konings-water ‚ maar in
geeft van Zmmoniac-zout, om dat deze
uit een pis-zout beftaat, en dat andere
proeven my geleert hebben, dat de pis-
zoutige fmelt-vochten veel hooger ko-
leur uit het koper haalen , als de zuure ont-
bind-of fmelt-vochten. Ik ftorte in een’
hooge of lange ronde glazen-pyp van vier
duim over zyn diameter ‚ overvloedig veel
van deze geeft van Ammoniac-zout, op
dat het geheele greintje koper ontbon- _
den en gefmolten zoude worden; dit ge-
fchiet zynde, goot ik de geheele glaze”
buis vol regenwater , waar doorde koleur _
een weinig bleeker wierd, doen goot ik
dit vocht over ineenafgewogen vat, en”
woeg
«) Pd, eius traltat, de mira fubtilitate eflurviorum.
/
SYannary en February 1719. _A4t
woeg het gekoleurde vocht, en bevond
schie grein koper zich zodanig liet ver-
‚deelen , dat 28534. greinen water daar
‚door gekoleurt wierden. Maar dit is
noch niet genoeg, want de Heer Boyle
toont behalven dit alles , dat als wy
op de uitgeftrektheid demftoffelyke dee-
len letten, zo van het water als het ko-
per, dat het volumen van eenen het zelf-
‚de gewicht van wateren koper zo veel is
als negen op een; dat is, dat een grein
water negenmaal zo veel plaats beflaat als
een grein koper. Als wy dan de 28534
grein water, dewelke van een grein ko-
per gekoleurt zyn , multipliceren door
negen, zullen wy bevinden, dat een
deeltje koper zyn koleur uitreikt aan
256806 evengelyke deelen water, wel-
ker uitgebreitheid van elk even groot is
als-de uitgebreitheid van het greintje ko-
per. Maar dat noch meer is, dit geko-
leurt water konde noch eens zo veel klaar
water verdragen, zonder zyn blauwe ko-
leur in t geheel te verliezen , hoewel
dezelve zeer flauw en bleek was. Waar
uit volgde,dat een greintje koper de koleur
konde uitreiken , en zich vervolgens laten
verdeelen aan zo veel even groote deelen
waters tot een getal van s13612 deelen,
De
142 __Natnur- en Konft-Kabinet,
62. Kk or
De Heer Boyle liet ook een ftuk Amn-
ber de grys van hondert grein aan een _
naauwkeurig fchaaltje hangen, enfchoon _
dit fchaaltje op een klein gedeelte van _
een greintje overwicht zoude doorge- —
{lagen hebben®# bleef het zelfde drie da- —
gen en een half in zyn balans ftaan,
fchoon de amber het geheele vertrek met —
welriekende deelen in aldien tyd hadde
vervult. Op een andere dag hiet hyinde —
plaats van amber een ftukje 4/4 foetida of
duivels drek aan het fchaaltje hangen, en _
het zelve hadde in vyf en een halve dag
niets zichtbaar van zyn gewicht verloren, _
niet tegenftaande het al dien tydde om-_
gelegen lucht , daar het in hing , met —
flinkende deelen hadde vervult. EN
63. |
Indien gy vermaak fchept Lezer, om —
zelfs een proef te neemen van de onbe- —
grypelyke deelbaarheid zommiger ftof=
ten, neemt een grein amberdegtys, an- —
derhalf grein fpierwit civet , cen half
greinmufcus van Zunguin , en tweedrup=
pelen gediftilleerde oly van kaneel , mengt —
en flampt dit met dertig grein witte _
broodzuiker tot een poeyertje, neemt van —
de alderbefte Bearne-Toffaan wyn acht —
pond, —_
Sfanuary en February 1719. “143
pond „ ftort uw poeder daar in, en laat
dit in een zeer dichtgefloten fles een
jaar lang in een kelder ftaan, gy zult be-
vinden , dat het eene greintje amber de
grys niet alleen zal doorfteken door al de
wyn, maar dat zelfs een thee-kopje van
deze wyn een geheele boutelje frifle wyn
zal ambrizeren, en als al uw eerfte wyn
is opgebruikt, en gy de fles wederom
met acht pond verfche Zof/aan wyn op-
vult, na verloop van eenige weeken zult
gy wederom bevinden , datalle uw Zo/-
faan wyn op nieuw geambrizeert is, en
zulks tot verfcheide reizen toe. Deze
proeven door my zelfs genomen, en aan
andere Liefhebbers getoont, beveftigen
de proeven vande Heer Boyle ten vollen.
64.
Om de ongeloofelyke kleinheid der
_uitwaaflemende lichaamen te beter aan
te dringen, verhaalt de Heer Boyle op
verfcheide plaatzen verfcheide bekende
voorbeelden van honden, dewelkeaande
prent of voetftappen van haazen en ander
wildt, aan de plaatzen daar patryzen en
ander gevogelte gezeten heeft, en aan
de voetftappen van haar meefter, zelfs.
eenige uuren na dat dezelve betreden
Zyn „ reuk ontvangen , en dervelver
Tui-
„144 _Natuur- en Konft-Kabinet ;-
ruikende deelen in haare neusgaten ont»
moeten,
65.
Het alder verwonderens ‘waardigfte
voorwerp „ dat een Natuurlyk Hiftori-
fchryver in het ongeloofclyk klein voor-
komt, zyn de ontdekkingen der onuit- _
fprekelyke kleine levendige fchepzeltjes,
gedaan met vergroot-glazen doorde ver-
maarde Heeren 4. v. Leeuwenhoek , Rob.
Hooke, F. Redi , Malpigbins , Bonanni ,
Langius en andere. Deze Heeren heb-
ben getoont, dat in de natuur gevonden
worden diertjes en levendige fchepzeltjes
van zodanig een ongeloofelyke kleinheid ,
dat dezelve niet alleen het fcherpfte ge-
zicht ontwyken , maar nooit als met het
alderkeurlykfte en wel gefchikfte ver-
grootglas konnen gezien worden. En’
geen de kleinheid van zodanig een beesje
het alderverwonderlyktt maakt , is dat
zelfs het alderkleinfte diertje voorzien
moet zyn met alderhande verfcheide dee-
len , die tot deszelfs beweging, leven,
voedingen voorttecling noodig zyn. (a)
Deze dieren moeten volgens de bekende
wegen der natuur begiftigt zyn met een
mond , maag , darmen, hart, aderen,
flag-
(a) Vid, Jo.Conrad, Peyeri Mer) oologia,
Yannary en February 1719. 145
Álagaderen, harflens, {pieren „zenuwen,
vochten, bloed, lucht, en veel andere
deelen.
66.
_ De Heer 4. van Leeuwenhoek getuigt,
dat hy in eene druppel peperswater,
daar drie dagen peper in uitgetrokken
‘Was ‚ had waargenomen ten minften
8280000 levendige fchepzeltjes. Ik
verzoek „dat myn Lezer hier de onvoor-
zichtigheid niet begaat, vande waarne-
ming van dezen Heer te verwerpen uit
onkunde, gelyk dagelyks gebeurt. De
Heer R. Hooke heeft diertjes ontdekt ,
dewelke in de omtrek van een eenige
druppel een getal uitleveren van tienmaal
hondertduizend milioenen, en cen iege-
lyk van deze diertjes moet voorzien zyn
met de vereifchte deelen, van Pegerus te
voren opgetelt.
67.
Op dat nu myn Lezer eenig licht mag
ontvangen, op welk een wyze dit getal
word opgemaakt, gelieft hy zich-voor te
ftellen, dat eenlang glazen pypje (tien-
maal fynder als een menfchen hair) met
een honderdfte part van een eenig drup-
peltje vervult is, en dat wederom de
honderdfte part van ’t pypje befchouwt
CA K zyn-
146 Natuur-en Konff-Kabinet,
zynde, dit wederom in een zeer klein
part verdeelt kan worden; en over de
diertjes (zich in dat deel bevindende ) een
overflag gemaakt zynde, konnen alle de
diertjes, dewelke in de geheele droppel
zyn, door additie tot een zeker getal ge-
bragt worden, in welk getal die Heeren
dan altyd waarneemen het minfte getal.
Uit deze en duizend andere voorbeel-
den, dewelke ik nu voorby zal gaan ,
kan myn Lezer wel zien, dat het voor-
werp van een algemeen Natuurlyk Hif-
torifchryver ( zo wel ten opzicht van
zyn onbegrypelyk klein als zynonbepaalbaar
groot) ontoegangkelyk voor de geeft en
arbeid van eez Schryver is, en dat ver-
volgens de Natuurlyke Hiftorie van P/i-
nius niets minder is, als een Hiftorie van
de geheele groote Natuur. Daarom zal
ik over twee maanden (behalven veel an-
dere zaaken) handelen van de verfcheide
foorten van Natuurlyke Hiftorifchry-
vers, haar onderfcheid en betrekkelyk-
heden enz.
Van
Yanuary en February W719. 147
Van ie Wetten der Natuurlyke Hi ried
fchryvers.
Je
P dat een Natuurlyk Hiftorifchry-
ver zyn werk tot een gelukkig en
vruchtbaar einde zoude brengen, is het
noodzakelyk , dat hy zich verbinde aan
zodanige wetten en voorwaarden, de-
welke, als hy dezelve waarneemt, zyn
werk de vereifchte hoedanigheden van
een Natuurlyke Hiftorie konnen byzet-
ten.
Ze
De eerfte regel of wet voor een Be-
fchryver der Natuur moet zyn. Dat hy
de Schepzels of zyn voorwerpen zodanig moet
befchryvenals zy inderdaad zyn, enals die
in de Natuur gevonden worden. Als een
Natuurlyk Haftorifchryver ons harflen-
gedachten , monfters en zaaken verhaalt,
dewelke de fabel of het bygeloof hebben
gedroomt; of wanneer hy de zaaken be-
fchryft, gelyk zy aan de bloote zinnen
voorkoomen, gelyk de Maan als de bol
van zyn hoed, de Zon wat grooter, en
de Sterren gelyk wy die zien. Of dat
een Natuurlyk Hiftorifchryver een zaak
Kz als
148 Natuur-en Konft-Kabinet ,
als buiten hem beftaande befchryft, de-
welke nergens te vinden is als in het
denkbeeld der menfchen , en duizend
diergelyke zaaken , zondigt hy tegens
deze Wet.
De tweede Wet) daar een Natuur-
befchryver zich aan moet onderwerpen,
is. Dat hy alle ingenomene wetenfthappen,
opinien en vooroordeelen afleidsen alleen zich
door de Natuúr en hoedanigheid van zyn
voorwerp laat als by de hand leiden. Als
wy eens nader overweegen en herden-
ken, hoe zeer de ingezogene vooroor-
deelen (verkregen in onzejonkheid door
omgang, door vertelling, door fchool-
lesjes, door leermeefters, door ’t lezen
van verkeerde boeken, door omgang met
vremde natien, geleerde lieden, byge-
toovige leugenaars) met ons als opgroc-
yen; hoedanig onze begeerlykheden na
gelt, eer, welluften en neigingen ons
verblinden, hoe wy ons verflaven aan
manieren en gewoontens, met welk een
ontzach wy alles aanhooren , en als Ora-
kels aanneemen en inpotten, dat wy van
groot-achtbaare Mannen hooren verkla-
ren, hoe kragtig onze driften ons van ’t
rechte poor konnen verbyfteren, hoe de
waan-
_ January en February 1719. 149
waanwysheid, laatdunkentheid en zotheid
ons omringen, hoe licht wy aan deze of
gene Sefte vervallen en onder een vlag
__geraaken, hoe onvermogend onze Geelt
is en hoe ryk de zaaken zyn, hoe wei-
nig kenniffe, voorzichtigheid en gedult
wy hebben om onze proeven en waarne-
mingen wel aan te leggen, en hoe veel
daar toe van noden is, dan zullen wy de
noodzakelykheid van deze voorwaarde
lichtelyk bevroeden.
4.
n De derde Wet, dewelke een Natuur-
ykHiftorifchryver in acht moet neemen;
is, dat hy de frellige eigenfchappen der
fehepzels nimmer moet verwarren met de
betrekkelyke eigenfchappen , vermogens en
hoedanigheden der zelve. Alles dat vaneen
zaak afgenomen zynde, de zaak vernie-
tigt en aangevoegt ftelt, word onder de
fellige eigenfchappen getelt. Alles dat
van een zaak af en op een andere tyd aan
kan zyn; noemen wy de toevallige hoe-
danigheden. Alles dat tot zyn zodanig
zyn in een zaak het tegenwoordig zyn
van een andere zaak (daar het betrekking
op heeft) vereifcht, moet onder de be-
trekkelyke hoedanigheden en vermogens
eens zaaks geftelt worden. Als wy in
K 3 de
iso Natuur-en Konft-Kabinet,
de befchryving der Natuurlyke fchepzels
in de onderfcheidentlyke kennifle dezer
hoedanigheden en eigenfchappen verwart
zyn, zullen wy aan de zaaken vermo-
gens, eigenfchappen, krachten en hoe
danigheden toefchryven, die niet als zo-
danig in de zaak zyn, maar dewelke ge-
huisveft zyn in het punt, daar de eigen-
fchappen van twee verfcheide zaaken door
betrekking in zamen vloeyen. Deze dwa-
ling is zo algemeen en gevaarlyk, dat
zy meeft alle meníchen, hoe geleert en
voorzichtig zy ook zyn, onwetende en —
ongevoelig bekruipt , gelyk ik nadezen
zal toonen.
De wierde wet de Natuurlyke Hif-
torie ftelt de ordre der Natuurlyke {chep-
zels, dat is: de zaaken, dewelke befchre-
wen worden, moeten in algemeene hoofd-
geflagten verdeelt worden, en elk hoofd-ge-
Nlagt wederom in zyn onderhorige geflagten,
en die wederom in baare frmaldeelen of foor-
ten, alles gefchikt na de ordre der Natuur
zelfs. Als een Natuur-befchouwer de
Natuurlyke Hiftorie van zyn land of een
ander landíchap zoude trachten te be-
fchryven, zoude hy zyn werk moeten
verdeelen in zodanige BONE
als
_ Yannary en February 1719. Isr
als de Natuur zelfsverdeeltis. By voor-
‚beeld. 1. De Hemel, Sterren, Zon,
Maan enz. met derzelver geftaltens, ver-
mogens en betrekkingen op dat landfchap
enz. z. De Dampkringachtige lucht met
alle deszelfs veranderingen en. betrekkin=
gen op gemelde landfchap , deszelfs in-
woonders, dieren , gewaflen , vrucht-
baarheid enz. 3. De wateren des lands,
dezeên, rivieren, ftroomen, fonteinen,
putten ; wellen , meiren, poelen enz.
En 4. De aarde , benevens alles wat
daar bovenop gevonden word, als men-
fchen, dieren , gewaflen „ en *t geen daar in
door ingravingen ontdekt mag zyn, als
Metalen, bergftoffen, fteenen enz. Zo-
danig een verdeling heeft de Hoog- Edele
Robertus Boyle eenige tyd voor zyn reis
na den hemel zelfs ontworpen. De ver-
deling en ordre, dewelke een Befchryver
van een eenig Natuurlyk fchepzel, of
van eenige andere geringe gedeeltens der
Natuur, moet waarneemen, zal ik me-
dedeelen, als ik van de byzondere Na-
tuur-befchryvers en derzelver onder-
fcheid handele. En ik geloof, dat op
dien tyd de nuttigheid van deze onze vier-
de Wet genoeg zal blyken.
K 4 De
ïs2 _ Natuur en Konft-Kabinet,
wót
De vyfde Wet voor een Natuur-ont-
vouwer is: daf hy de Natuurlyke Hifto-
rie in haar grensfcheiding zorgvuldig bepaalt
en bewaart. De opmerkende Lezer be-
grype hier , datde eenvoudige, waarach-
tige en zeer omftandige Befchryving van
een Natuurlyk Schepzel of fchepzels -al-
tyd moet gefcheiden. worden, en voor
deszelfs Natuurlyke Hiftorie gehouden
worden, en alles het welk daar tot nader
verklaring word bygevoegt uit de oor-
zaak- en gewrochts-kunde , of uitde Phy-
fica of zo genaamde Natuur-kunde, of
tot dienft en gebruik uit de konítbefchry-
ving ofambachten, of tot uitlegging van
derzelver groote vermogens , omtrek ,
inwendig geftel uit meetkunde, werk-
tuig- en bewegings-kragtkunde, ftoffchei-
kunde , en de groote menigte wetenfchap-
pen en konften, dewelke dienareflen der
Natuurlyke Hiftorie zyn. In zodanige
omftandigheden , zeg ik , moet elke dienít-
baare wetenfchap in haar eigen betrek-
king bygevoegt en befchouwt worden, en
geenzins verwart met en onder de Natuur-
Iyke Hiftorie voorgedragen of misbruikt
worden; veel minder moeten deze dienft-
baare wetenfchappen of konften onder —
mal-
Sannary en February 1719. 153
malkander verwart, en de een in de an-
dere ingelyft aangelegt worden, gelyk
zulks dagelyks getchiet.
vi
De zesde Wet is, dat een natuurlyk
Hiftorifchryver niets befchryft , als dat hy
zelfs gezien en bevonden heeft, of onfeil-
baar weet zodanig bevonden te zyn. Het
js niet mogelyk , dat een Befchouwer der
Natuurlyke fchepzels, dewelke een Na-
tuurlykeHiftorie van zyn eigen land,of van
een land daar hy na toe gereift is„befchryft,
alles zelfs zo van naby kan befchouwen ,
_“waarneemen en beproeven, als nodig ter
befchryving is, maar hy moet zorg dra=
gen, van zodanige perzoonen (dewelke
hy ter onderzoeking der Natuurlyke zaa-
ken aanftelt) uit te kiezen, daar hy vol-
komen ftaat op kan maaken, en hy moet
de Schryvers, dewelke hem zyn voorge-
gaan, en daar hy licht en kennis door
ontvangen heeft, aantekenen , benevens de
tyd in dewelke zy. geleeft hebben; en
openhertig belyden , door wie en van
welke medehelpers hy tot deze kenniffe
dier Natuurlyke zaaken gekomen is, op
dat zyn Lezer met onderfcheid mag kon-
nen oordeelen, wat hy zelfs of andere
voor hem ontdekt hebben enz.
K s Een
À en
154 Natuur-en Konft-Kabinet,
Een natuurlyk Hiftorifchryver moet
alseen zevende voorwaarde of W et waar-
neemen,dat hy alle de Natuurlyke fchepzels,
dewelke hy befchryft „ moet waarneemenvan —
baar eerfte generatie en geboorte tot aan —
baar ondergang, met alle de veranderin-
gen, dewelke in die tuffchentyd aan dezel- —
ve gebeuren. Hoe noodzakelyk deze Wet
is , getuigen de Befchryvingen der Dieren,
Jnfctten, Planten, Mineralen, Metalen
Enz.
9.
Wy moogen als eenachtfle Wet voor
een Natuur-Befchryver ftellen , dat de
fchepzels uitgebeelt worden door het onaf-
JSeheidelyk kenteken, waar door zy vanalle
andere fchepzels wverfcheelen, en by moet
aan dezelve naamen met omfchryvingentoe-
eigenen, daar dit onaffcheidelyk kenteken
door uitgedrukt werd. Want dewyl de
Aaloude deze voorwaarde verwaarlooft
hebben , zyn haare Nakomelingen in
onzekerheid geraakt, welke zaaken het
eigentlyk waren , die zy menigmaal met
een enkelde en bloote en oneigen naam
befchreven. daar haare Nakomelingen (de
Schryvers van de zeftiende eeuw na
Chriftus geboorte ) veel onder malkander
over
Sanuary en February 1719. 155
over die zaaken twiftende, ons veele voor-
beelden van hebben nagelaten.
Wan de Stoffcheikunde.
1
Di Chymie of Scheikonft is een van
de noodzakelykfte konften, daar een
Natuurlyk Hiftorifchryver zich byna
overal van moet bedienen. ’t Is wel waar,
dat een geleert Man wel een omftandige
Befchryving kan doen van eenige Na-
tuurlyke zamenftremzels of {chepzels „
ten opzicht van haar uitwendige ge-
daantens, voortteeling, geboorte, on-
dergang en verandering , zonder kennifle
te hebben van de ftoffcheikunde , maar
dit zoude in alle fchepzels of natuurlyke
gewrochten geenzins doorgaan. Want
veel Natuurlyke zaaken leggen onder en
in andere Natuurlyke zaaken zo verwart
en ingewortelt, dat zy nooit gekent zou-
den worden, als zy door konft daar niet
van afgefcheiden of uitgehaalt wierden ,
gelyk veele mineralen, metalen en andere
natuurlyke zamenftremzels daar van ge=
tuigen zyn. En dewyl de Natuurlyke
fehepzels altyd befchreven moeten worden
met betrekking op der zelver gebruik,
en vcaË
156 Natuur-en Konft-Kabinet,
dat is op de konften en wetenfchappen,
is de Chymie de eerfte hulpkonft , dewel-
ke daar byna overal dienft in doet.
Le
De Chymie is niet alleen een konft,
dewelke verfcheide wezens, die in ge-
mengde lichaamen als ingezwachtelt leg-
gen,daar tot verfcheide gebruiken komt uit
te fcheiden , maar ook om verfcheide we-
zens,dewelke gefcheiden zyn,tot verfchei-
de gebruiken en dienften te zamen te voe-
gen. Eneindelyk om uit de wezens door
verfcheide konítige werkdaaden nieuwe
gewrochten en zamenttremzels, dewelke
daar te voren als zodanig niet inopgefloten
waren, voort te brengen, en tot verfchei-
de gebruiken daar uit te bereiden.
De verfcheide ach van bewe-
gingen , dewelke de Scheikonft gebruikt
om te fcheiden of te verenigen, worden
met een baftertwoord Chymsfche Operatien
of ftofcheikundige werkdaaden genoemt.
Om deze te verrichten , gebruikt de Chy-
mie verfcheide gereetfchappen. In de
kennifle van deze ftoffcheikundige werk-
daaden en in het beftier derzelver op elk
byzonder onderwerp byzonderlyk toepaf-
felyk, en in de kenmfle van ’t gebruik
der
Fannary en February 1719. WP
der gereetfchappen daar toenodig , en in
de kenniffe der vooraf bereiding der on-
“derwerpen, daar de Chymie in werkt ,
beftaat de geheele Stoffcheikunde.
4.
Wanneer wy de Scheikonft in alle haa-
re betrekkelykhedenbefchouwen, en alle
de konftgewrochten, konften en hand-
werken, dewelke haar wezen of dienft
van de Scheikonft ontleenen, aan de Schei-
konft willen’ toepaflen , (gelyk de na-
tuur en de grenffcheiding van deze Konft
ook vereifcht ) is de Scheikonft van een
zeer groote uitgeftrektheid, en veel te
heerlyk om zo deerlyk van een deel he-
‘dendaagze Settariffen en roem-zuchtige
menfchen geteiftert, en ten deele uit een
poltronnery van cabaal-tiranny (om zyn
konft of haan overal koning te doen kraa-
yen, en hiftig blinde hulptroepen te wer-
ven) mishandelt te worden.
5.
Het is immers onwederfprekelyk; dat
de Scheikonft de moeder , de voortkweek-
fter of de dienarefle is van het uitmeu-
belen en zuiveren der metalen en berg-
ftoffen, van de verfcheide foorten van verf=
konften, van de brouw- bak- en: kook-
konften, zoutbrandery , zeepziedery „ zn
ker=
158 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
kerbakkery en rafineerdery ‚ wynbereide-
ry» ftookery en het toetakelen van alder-
hande foort van dranken. Uit de Schei-
konft kan zelfs ook afgeleid worden
het toerichten van booter , kaas en alder-
hande zuivel, als mede de giet-konften
uit metaal, van kanon, oorlogs-gereet-
fchap , huisraaden, konitftukken, beel-
den enz. fmeltkonften, het maaken van
bronzen, verfftoffen om mede te fchilde-
ren, het toeftellen van amauf/en of melt-
glazen , de vuurwerkerskonft, bakken van
tichelen, fteenen, huispannen, potten,
fchootels, porceleinen, glas-blazeryen,
fpiegel-makeryen, bereiden en vafthech-
ten van foelien achter ’t glas, het ver-
gulden, {meden , hechten , wellen en
mengen van metalen enbergftoffen, van
goud, zilver , koper en yzer door al-
derley {meden, het verlakken, het be-
reiden van aluin, wifriool, zal armoniac,
het rafineren van campber , borax Enz.en
hondert andere konften en handwerken,
wat dunkt u Lezer, genieten zy van de
Scheikonft dienft of niet?
ó.
De gereetfchappen , dewelke de Schei-
konft in alle haare waarachtige betrek-
kingen gebruikt en van noden heeft, zyn
A byna
|
Sfannary en February 1919. 195
«byna ontelbaar: de voortreffelykfte zul-
len van my op debehoorlyke tyd en plaats
medegedeelt worden , niet die onnutte
en overtollige gereet{chappen, dewelke
de oude ‘Stoffcheikundige Schryvers met
geheele {cheepsladingen in haare Boeken
hebben uitgebeeld , maar alleen die gene,
„dewelke door voortreffelyke Mechanici en
andere brave Mannen zyn verbetert en
uitgevonden, en die in veele konften en
handwerken gebruikt worden.
Onder het tichaleseertobdp: dateen 7apg.
Befchouwer van de Natuur tot het doen la =-
van proeven byna overal kan met zich
voeren en gebruiken, isZabular. Fig. 1.
een zeer licht Diffilleer- oventje van
eikenhout , anderhalf voet inde hoogte,
en 13 duim in zyn Diameter. Dit
oventje kan als een groote vuurftoof of
_kantoorftoof overal en op de alderzinde-
lykfte plaatzen van het huis gebruikt
worden. 4 Is de deur van de vuurplaats,
jen is met dubbeld blik beflagen. 4lIsde
vuurplaats, insgelyks met dubbeld blik
beflagen ; na de grootte van deze vuur-
plaats word een fterke aarden teft gebak-
ken, dewelke met zo veel vuur, als tot
elke operatie van noden is, in deze vuur-
plaats
160 Natuur-en Konft-Kabinet
plaats word geftelt. c Iseen handvatzel ;
welkers weêrgaa aan de andere zyde even
gelyk is. d Is de helft van ’t bovenfte
dekzel , hangende aan twee kopere
knietjes, en hier opgeflagen vertoont,
op dat het binnentte van ’t oventje gezien
zoude konnen worden. e Is de andere
helft des bovenften dekzels, mede door
twee kopere kniertjes op- en nederflaan-
de. f Is een halve uitfnyding in het
dekzeld, dewelke, als het dekzel d toe-
geflagen is, met de halve uitfnyding in
het dekzel e een ronde opening maakt
voor de halzen der kolven en andere va-
ten, dewelke daar doorfteeken, als zy
in het oventje geplaatft ftaan. g Is een
—
{chuifje , dat, als beide de halve dekzels _
opgeflagen zyn, kan uitgelicht worden.
b Is een rond gatin het fchuifje g ‚ daar
de hals van een retort doorfteekt, als het
oventje toe is, de dekzels nederleggen ,
en derzelver ronde opening meteen rond
houte dekzeltje: is gefloten, om met de —
vetort te diftilleren. i Is een uitgegra-
veert putje, welker weêrgaa aan de an-
dere zyde van het houteníchuif je insge-
lyks uitgegraveert is, om het fchuitje
te gemakkelyker uit en in te fchuiven,
k Is het binnenfte vierkante ruim van het
f ovent-
)
SYanuary en February 1719. 16r
oventje. …J Is een lucht- of rook-gaat-
je, en verbeelt in elke hoek zodanig
een damp- of lucht-gat in het plankje,
dat de vuurplaats van het andere gedeel-
te des oventjes affcheidt. wm Is een
ronde opening, gemaakt na de grootte
van de bodem der halve retorten of gla-
zen ; die daar op ftaan, om Zmmediaat
het vuur, dat in de teft is , te genie-
ten.
8
Fig. 2. verbeelt een vierkant plank= rig.z,
jes dat op het fcheid-plankje Z. mm. in
’t oventje gelegt word „ als gy met
kleine glazen, en die kleinder van bos
dem zyn, diffilleert. a Is een ronde
opening „ die overde grootere opening
van ’t ícheid-plankje van binnen in ’t o-
ventje heen legt, om dezelve te ver-
nauwen , dewyl deze opening naauw
is. b.b.b. b. Lyn vier ronde lucht-gaat-
jes, dewelke gefchikt zyn overde vier
ronde lucht-gaatjes van het fcheid-plank- ,
je van binnen in ’t oventje. Fig. 3.
is een. plankje als Fig. 2 , welkers mid-
delfte ronde opening noch kleinder is,
als gy met kleindere vaten wilt diffille-
zen. ‚Fig. 4. is een ander houte fchuif- Fig. 4
je, datin nnen gefchoven in
de
Fig. 3s
Fig.$.
Fig.6.
Fig.7.
Fig.®,
162 _Natuar- en Konft-Kabinet,
de. plaats van. het fchuifje g. Jh. #., om
dat, wanneer gy met de kolf diffilleert
dezeopening voorde hals der refort niet
alleen-onnodig;is, maar oek de hitte zoude
doen vervliegen. Fig. s. is. een houten dek-
zeltje „ dat zeer netjes paft ín de: ron
de opening van de halve toegeflagene
dekzels- de. f. van het oventje, als
met de retort diftilleert. Fig-6. is een
ander houten dekzeltje voor dezelve
opening met drie kleme lucht-gaatjes ,
wanneer het oventje boven overal is
toegefloten ‚ om zouten of andere zaa-
ken in het oventje te droogen , of iets
half uit te dampen, tot crifvallifatie of
extrattie en: diergelyke. Fig. #- zyn
twee glaze vaten, dewelke in malkan-
der fluiten, om vochten te doen cireu-
leren „ waar door haar Cra/is of wezens-
band vafter aan een word gehecht. De-
ze vaten zyn eigentlyk twee matraffen,
dewelke anders elk apart gewoonlyk
eens zo lang van hals zymw, om Zinfluren ,
elixir, balzems enz. in te laten trekken,
Fig. 8. zyn drie aludellen, a de bodem
„van deonderfte ; bbb de zäamenvoeging’,
daar dezelve in malkander fluiten „ c is
een) glazen helm die blind is, om te /#b-
limeren:s; deze alndellen worden van aarde
JE gee
Fannary en February 1719. 163
genidakt , om té beter het vüur te
konnen verdragen. Fig. g. is een kolf én De 9.
ep met zyn Oftvänger van glas.
esn, kolf ; 5 de helm op de kolf
gepla atft, en met een natte blaas in de
zamenvoeging dicht gemaakt. c. een
matrasje. Fig. io is een glazen retort 5 Fig. zo.
waar aan iù het defileren gemeenlyk
eén ofitvanger of kolf met een wyde
hals geplaatft word, om de dampen te
meerder lucht te geven. Fig. 17. is eén Fig, sz,
fineltkroes, deze worden van verfcheide
floffen gemaakt , na de materie dewel-
se daar in re word.
Ek hebbe voor de onbedrevene eeni-
ge zeer gebruikelyke gereetfchappen
_ mede gedeelt, om haar verftand allens-
kens tot meerder kenniffe der Stofs
fcheidkunde als by de hand op te léis
den. De Lezers , dewelke in deze wes
tenfchappen bedreven zyn, zullen op
zyn tyd en plaats ook andere gereetfchap=
pen en hief hebbery krygen, dewelke haar
miffchien meerder züllen konnen verge-
hoegen.
10.
Als iemant een klaar denkbeeld vande
Stoffcheidkundige werkdaaden of opera-
Er 2 tien
164 Natuur-en Konft-Kabinet,
tien der Chymie begeert te vormen, moet
hy zyn aandacht op de Natuur zelfs wen-
den , en daar bezien , welke bewegings-
formen de Natuur gebruikt, om de na-
tuurlyke fchepzels of zamenftremzels door
zamenvoeging voort te, doen koomen,
en door fcheiding af te zuiveren van on-
reinigheden , of tedoen vergaan, tedoen
fterven, of van gedaante te doen ver-
wiffelen. Hier uit zal klaar opkoomen,
dat de Chymie niets anders inde konftis,
als deze twee hoofd-operatien der Natuur
(te weten zamenvoegen en fcheiden ) met
alle haare onderhorige werkdaaden of ope-
ratien,die in de Natuur zelfs zyn. Wie kan
dan nu langer zo opgeblaazen , of moed-
willig, of ftomp van oordeel zyn, dat
hy niet klaar zoude zien, dat geen eenige
Konft de Natuur klaarder kan uitleggen
en vervolgens dienftiger voor een Natuur-
befchouwer en Befchryver kan zyn; als
zodanig een Kont, dewelke de Natuur:
met alle deszelfs werkdaaden volkomen
gelyk is. of navolgt.
Ts
De hoofd-werkdaaden zoo wel vande —
Natuur als van de Chymie , {te weten
fcheiden en zaimemnvoegen) hebben zeer veel
onderhorige foorten , of verfcheide /pecier
van
Fanuary en February 1719. 165
van fcheidingen of zamenvoegingen
onder haar, als by voorbeeld. r. De
verdünning. «2. lynmaaling of verbree-
king, onder dewelke wederom veel min-
dere{oorten behooren. 3. Inweeking met
alle deszelfs verfcheide wyzen. 4» Gis-
ting en deszelfs verfcheide formen en on-
volmaakte giftingen. $. Verrotting met
alle deszelfs foorten.: 6. Opheffing en
deszelfs foorten. 7. Kalkbranding of ver-
kalking en deszelfs foorten. 8. Glas-en
Criftal-wording en deszelfs foorten. 9.
Ontbinding. ro. Verdikking. 11. Af-
kleinzing en deszelfs foorten. Verwacht
op een andere tyd elke werkdaad aan
zyn wetten verbonden en verklaart, be-
nevens de verfcheide voorwerpen der
Stoffcheidkunde.
Van de Glasblazery aan de Lamp.
De
Aar is onder alle de Konftgewroch-
ten naauwlyks iets, dat by het glas
ophaalen kan. Vande verkiezing , van het
toeftellen en de voorbereiding der ftof-
fen, daar glas van alderhande foort van
gemaakt word, zal ik op zyn tyd hande-
len; als ook van het bereiden der fmelt-
L 3 glazen;
166 Natuur-en Konft-Kabinet,
glazen, of fmalten of amaufen „ dat ei
gentlyk metaal-glazen zyn, van het maas
ken der edele gefteentens, en wat van
die trant meer is, benevens de gereet-
fchappen van dien. Maar nu zal ik alleen-
lyk {preken van het glasblazen door de
lamp. Dewyl een Nartuurlyk Hiftori-
fchryver (tot het uitvoeren van zyne ont-
dekkingen omtrent de Natuurlyke {chep-
zelen) byna overal van noden heeft glas,
glaze pypjes, bolletjes, lucht-en water-
wegertjes, glaazen daar de lucht uitge-
pompt word, proefglazen, hevels, enz.
komt het glasblazen aan de lamp gedurig
te pas. |
&.
De Heer JoHANNEsS KUNCKELIUS
(een Man geleert door proef kunde en
zeer vies van fchoollesjes) heeft achter
zyn Ars Vitraria Experimentalis of Proef-
kundige Glasblazerskonft , een kort aan-
hangzeltje gevoegt. Laat, zegthy, ee-
nige glaze buizen of holle pypen in een
glasblazery blazen van alderley koleur
(rood ; blauw , zwart , groen , geel,
wit of al wat u behaagt, ) zodanig een
glazen pyp word aan zyn eene einde inde
aangeblaze en fcherpgefpitfte vlam des
lamps gehouden, tot dat dezelve daar
fmelt,
January en February 1719. 167
fmelt, en wanneer dan aan het ander
einde in deze glazen pyp geblazen
word, zet zich doorde ingeblazen lucht
het gefmolte gedeelte des glazen pyps uit
tot een ronde bol. Die nu maar een wei-
nig kan tekenen, of enigzins fchrander
is, kan of van dit gekoleurt glas, of uit
„gewoonlyk glas alles vormen wat hem
‘behaagt.
Het gebruik EEA het blazen aan de
lamp is zeer groot „in het fmelten der mi-
neralen, metalen, in het aan een zoude-
ren, inbranden en hechten van glas aan
malkander, als ook in het buigen der
glaze buizen , in het hermetiff-zegelen,
tot het maaken van alderhande gereet-
fchap van glas, zeer fyne en tedere pyp-
jes om vochten in te befchouwen, voor
de vergroot-glazen, glaze oogen en al-
derhande kleinigheden uit glas van al-
_derhande koleuren.
4.
In de Stad Venetien is het glasblazen
aan de lamp zeer gemeen. De Jezuit
Athanas : Kircherus (Schryver van wonde-
ren, en op wiens getuigeniffe in alle
zaaken altyd niet even veel ftaat te
maaken is , om dat hy te licht geloo-
„ L vig
168 Natuur-en Konft-Kabinet
vig bynainalles zyn verwondering meertracht
te voldoen, als de begeerte tot de waarheid )
geeft echter omtrent de lamp-konft der Veze-
tianen waarheden, die van alle andere Schry-
vers beaamt worden. Onder anderen , zegt
hy, gaan een iegelyks verwondering te boven
de pluimen en vederboffen , dewelke de Veze-
Zraanfche lamp-blazers zeer konftig toeftellen.
5.
Om dat deze liefhebbery beziens waardigis ,
vervolgt Kircherus, zal ik met weinig woor-
den de manier. van werken befchryven. Zy
neemen een lamp, en vullen dezelve met cen
gedraait wolleú hennep, dat een mans vinger
dik is, en met zeer goede raap-oly. Deze
lamp ftellen zy op een tafel recht voor haar ,
zy hebben eenige roedjes of dunne en lange
ftaafjes vanfineltglas. Zy blazen de vlam van
de lamp tot een fpitze punt, en houden in
de fcherpfte kragt van de vlam haar fmeltg!as,
het welk aanftonts fmelt, zy grypen met een
tangetje zeer gezwint het gefmolten glas, en
trekken het zelve tot zeer lange en uitnemend
fyne draaden uit; zy leggen deze draaden op
een groot rad of wiel, en trekken ( het wiel
gedurig omdraayende ) zo veel draadenen van
zodanigeen koleur,alszy begeeren. Van deze
zeer fyne en met fchoone koleuren fchitteren=
de draaden neemen zy een zeker getal, en
voegen de zelve in de fchachten van vogel-
pennen of andere diergelyke pypjes; en van
deze fchachten naaft malkander geftikt en ge-
hecht , bereiden zy pluimen en vederboffen van
alderhande wemelende en fchitterende koleu-
ren, 6. Kir-
January en erde 171 9: 166
Kinaberas vericlt, Blin zyntyd, wanneer hy
__ tor Venetien deze Liefhebbers bezocht, dezel-
ve aan hem voorftelden ‚ om een werktuig uit
te vinden, het welk altyd aan de lamp blies,
dewyl het ‘blazen met de mond gedurig by ver-
pozing van de tuflchenkomende ademhaling
enigzins geftremt wierd. Enhyvervolgt, dat
hy daar toe voorftelde een dubbelvoudige blaas- -
balk, dewelke onder de tafel, daar de lamp
op geplaatft ftaat, is vaft gemaakt, en door
een treed, dewelke door de voer van de meef=
ter glasblazer gedurig bewogen word , aange-
blazen, en de lucht uit de blaasbalk geleid word
_door een kopere of blikke pyp , door het op-
perfte blad vande táfe) , en dat deze pyp (gericht
op de vlam vande lamp ) daar gedurig de aange-
blaze lucht voor verfchaft.
7:
Dusdanig een werktuig (te weten een tafel
met een blaasbalk daar onder) befchryftde Heer
Johannes Kunckelins. Het zelve is zodanig
gefchikt, datdoor vier blikke buizen, dewel-
ke uit de hoofdpyp van de blaasbalks pyp
haar wind ontvangen, en dezelve brengen op
vier byzondere plaatzen van de tafel, daar op
elke plaats een lamp ftaat, de wind zodanig
is verdeelt, dat vier perzoonen te gelyk aan
zodanig een tafel konnen zitten werken , wan-
neer cen van de vier de treed van de blaasbalk
met zyn voet beweegt,
8.
Ik heb zodanig een werktuig op een gemak-
rijke en eenvoudige manier laten toeftellen
Ls voor
170 Natuur-en Konfl-Kabinet,
Fig.x2. voor een perzoon, gelyk Fig. 12. verbeelt. In
deze prent-verbeelding kan de kon(twerker, de
lamp, de tafel, en de blaasbalk met deszelfs
treed zo klaar gezien worden , dat dezelve geen
verklaring vereifchen ; a Ís een glazen raam,
daar een pyp van een groote blikken trechter
de rook van de lamp door geleidt na buiten in
de lucht buiten de kamer. 4 Is een yzere pyp
om door te blazen, als iemant de blaasbalk
ontbreekt, hoewel in deszelfs plaats glaze
pypen konnen gebruikt worden, dog dezelve
fmelten datelyk aan het einde, en zyn daarom
niet beter dienftig, als om zelfs alles van te
blazen.
9.
Een werkmeefter kan veel vryer en naauw-
keuriger werken, wanneer zyn lamp aangezet
word door een blaasbalk , als dat hy door een
yzeren pyp te gelyk met de mond moet blazen,
ente gelyk moet werken met zyn gereet{chap,
c. Is de blikke pyp, dewelke onder door de
tafel fteekt en de wind aanbrengt, en daar een
krom koper pypje op gepalt taat, de wind ge-
leidende op de vlam van de lamp. d Verbeelt
een papier met verfcheide ftukjes van amaus of
fimeltglas.
10,
Het is niet uit te drukken, welk eendienft
een Natuurbefchouwer in honderderley voor-
vallen van dit kleine werktuig kan hebben, en
den omflag van ’t gereet{chap is zo gering,
dat niemant daar door afgefchrikt kan worden :
want een yzertangetje, eenige glaaze pypjes,
en een (taale vierkant plaatje, om de ene:
e
Jamuary en February 719. 171
de glaze bolletjes zomtyds opte rollen of plat
_ op te drukken, een fchaartje en eenige weini-
ge yzere pennetjes, daar kan alles door uitge-
voert worden. 3
Ii.
Het is bekent, dat een Glasblazer door de
lamp veeltyts fmeltglas gebruikt, om dat het
zelfde zeer ras (en rafler als het helder door-
fchynende glas, dat wy dagelyks tot kelken,
drinkglazen , bokalen enz. gebruiken ) {melt »
__maar hy is daar geenzinsaan gebonden , dewyl
het alderhart{te en wreedfte helder , groen , of
ander glas door de lamp zeer wel te {melten is,
maar het is zwaarder te bewerken, als het
amaus of 70 genaamt fmeltglas. Hier komt
noch by, dat deze Glasblazers door de lamp
meer gewent zyn eenige rariteitjes voor het
gemeene volk te maaken, gelyk als kroont-
jes, kleine beeldjes , mannetjes , engeltjes
met glaze bulletjes om in de wyn te han-
gen, bloemen „ kraaltjes, ooren halscieraa-
den, ringen, glaze oogen, alderhande bees-
jes, enz. Daar zy dan alderhande gekoleurt
glas toe van noden hebben, als zy wel haar
konft oeffenen, tot de eind-oogmerken, de-
welke een Natuur" befchouwer konnen die-
nen,
12.
Wat het glas in het algemeen belangt,
is aan te merken, dat alle rechtíchape Na-
tuur-befchouwers en Kenders my lichtelyk
zullen toeflaan, dat het zelve onder de Me-
talen behoort, niet tegenftaande het een ge.
wrocht van de Konft en niet van de Na-
tuur
172 Natuur-en Konft-Kabinet,
tuur is, De enkelde wezens, fchepzels of
zamenvloeyzels , dewelke zich door de al-
deruiterfte kragt des vuurs tot glas laten,
kooken of in glas overgaan „ zyn alle van
een metaalachtige eigenfchap. Alleglas, het
zy gekoleurt , fmelt-glas of dagelyks door-
Íchynend, glas , beftaat uit twee beginzels ,
dat is. 1. Uit een vaft zout. En 2. Uit
een metaalachtige bergftof. Als by voorbeeld,
de pot-as of de zoda-of andere as (zy moc-
gen van zo veelderhande foorten of meerder
of minder rein zyn ) koomen daar alle in o-
ver een, dat zy uit een valt zout beftaan.
Want alles, wat in deze affen behalven het
vafte zoutgevonden word, is onnut en on-
bekwaam om glas te worden; maar word,
(alsby voorbeeld de aarde, zoutelooze as of
ftof) door de groote kragt des vúurs volko-
mentlyk onder het glas-branden en kooken
verteert ; en alleen het zout, dat door het vuur
niet verteert kan worden, en daarom ook
overblyft, is deeerfte ftof, daar het glas uit
beftaat. Dit vafte zout heeft met alle me-
talen gemeen, dat het door de groote kragt
des vuurs zig met fmeltbaare fteenen vere-
nigt, en ín het vuur of in de glaspotten
vloeit , en in glas overgaat. Ik zal u geen
bewyzen meer bybrengen , dar het zout een
metaal ís, te weten het vafte zout dat voor
het vuur ftaat, dewyl myn beftek zulks ver-
biedt.
13.
Dewyl tot het maaken van het alderzui-
verfte en fchoonfteglas, niet anders vereifcht
word
January en February 1719. 173
__wordals zodanig een vaft zout (inde uiter-
_ fte graad van alles , dat geen valt zout is,
gezuivert ) hebben de Kenders van de glas-
. konft uit de zoda , uit de pot-as, wied-as,
__wynfteen-zout , of affen van deze of gene
kruiden, als by voorbeeld eiken vaarem, al-
derhande diftels, en ’t kruid kol ot andere
kruiden, dewelke tot as gebrand zynde veel
‚ valt zoutuitleveren, een loog getrokken. Dat
is, wanneer op deze of gene as van krui-
den of gewaflen , dewelke verbrant zyn, een
genoegzame hoeveelheid zuiver regenwater
word, gegoten, fmelt datelyk al het zout
dat in deze aflen is, en word in ’t regen-
water opgeloft : dit regenwater, dat nu een
loog is geworden , word afgegoten „ en
word door de tyd zeer klaar , latende alle
de onreinigheden , die geen zout zyn, op
de grond zakken, Als deze loog (door door-
lekking of anders zeer zuiver geworden)
eenige reizen uitgedampt en wederom op-
gelolt is, verkrygt gyeen vaftzout, dat van
alles, dat geen vaft zout is, gezuivert is; en
dit vat zout is het alderbekwaamtfte, om glas
zo helder en fckoon als kriftal te maaken.
Ziet hier over, Antorius Neri , Chriftopborus
Merretti, ende voortreffelyke Johannes Kunc=
kelius.
14
Om nu te begrypen, dat het glas niets an-
ders is als een metaal , moet aangemerkt
worden , dat het tweede beginzel van het
glasis vuurfteen, zout of allefoorten van me-
talen of meiverglen , dewelke in het vuur
3 Ímel-
174 __Natuursen KonftsKabinet ;
finelten en vloevérn. Want alle fteenen;
Bergftoffen eriz. dewelke doof de uiterfte
kragt des wuurs tot eca doede kop of kalk
overgaan ; en in ’t vuur niet fimelten nog
vloeyen „ zyn volftrekt onbekwaam , om
ooit glas te konnen worden, dewyl zy van
de metaalachtige eigenfchap geenzins zyn. Het
is hief de plaats niet, om de verfcheide foor-
ten van kalkwordingen ait te leggen, en de
kalk=ftoffen en metaal-ftoffen uitvoerig te ons
derfcheïden ; doch ik verzoek atleetilyk maar ;
dat myn Lezer acht geeft, dat de alderhart{te
en zwartfte en glasachtigfte vaurfteen , en het
blinkenfte zout erz. zelfs metalen zyn.
Dogechter, opdat gy my wel verftaat, geer
metalen die ryp genoeg , of fmeltbaar genoeg ;
of door de natuur genoeg gekookt zyn, maar
onrype en zeer wreede metalen ; en dit is
ook de reden, waarom het vafte zoût by de=
zelve gevoegt zynde, haar gedwee en meerder
vloeybaar en fmeltbaar maakt: wanneer de-
ze fteene- of zout of andere metalente ftug „
te onfimeltbaar of te wreed zyn, om verfchei=
de onreinigheden dewelke by dezelve zyn ,
worden zy door het bydoen van vaft zout
fimeltbaarder. Daaromis altyd ook het alder-
zuiverfte , wit- doorfchynenfte , helderfte en
kriftallynachtigfte glas het {meltbaarftevan het
ongekoleurt glas voor de lamp.
rs.
Wanneer het uiterfte gewelt des vuurs een
Hichaam in glas do€t overgaan, krygt het lic-
haam een Grafis of wezensband , dewelke zeer
aanmerkelyk is, en aan een opmerkend man
leert ,
Jannaryen, February 119. 17f
leert, dat de wvitrificatie of glasmaking een
daad en bewegings-form van de natuur of
het vuur op zich zelven is. Daar zyn ver-
fcheide mineralen, dewelke zonder bydoening
datelyk in glas overgaan , als potloot , Az=
zZimonie en meer andere, en het is zeer ver-
mmaakelyk te aanfchouwen , als het vuur op
het tydftip is van over te «gaan uit metaal, of
dat gy zulks datelyk kont gewaarwortden.
Want uw yzer in de fmeltkroes (lekende ,
zal de ftof kort zyn en weinig aanhangen,
zolangzy noch metaalachtig of geen glasis ,
en cen oogenblik daar na uw yzer infteken-
de, zal. de gloeyende ftof zeer taay en als
een taaye lym met een draad om uw yzer
blyven hangen, het welk het teken is dat
dezelve glas is.
: \ ïó:
Alle de Metalen , dewelke zeer licht
fmelten , als by voorbeeld loot, tin, enz.
zyn de bekwaamfte om fmeltglas van te
maaken. En dit is ook de reden, dat het
{meltglas van zommige lootglas of tinglas word
genaarnt, Daar word een zogenaamde kalk
gemaakt van tin, en ook van loot : deze loot-en
tin-as word in een zekere proportie gemengt,
en met de ftof, daar ongekleurt of huisraads-
glas van gemaakt word, gemengt, en in
_ een aarden glaspot gekookt in glas, en dit is
hetgeen fimelt-glas, emailleer-glas, loot-glas,
enz. genaamt word. Dit glas word in al-
derhande koleur gezonden van Vezetie in
ronde koeken, gelyk dezelve hier tot Amfter-
dam te koop te vinden zyn; hier van wor-
den
176 Natuur-en Konft-Kabinet.
den de amolieerzels.op goud ew, zilver ge-
maakt , de koraalen en honderde zaaken be-
reidt. Re 4
Wanneer by-dit fmelt-glas deze of gene
metalen of mineralen gedaan worden, ver-
krygen zy deze of gene kaleur , te weten
melk-wit, verfcheide groen, zee-groen, hee
mels-bläuw “en alderhande blauw „ pik=
zwart , „purper, geel „ doorfchynend, rood ;
bloedrood, enz. rooskleur en duizenderhan=
de trappen van koleuren, gelyk, by de Lief-
hebbers bekent ís, en by zommige Schryvers,
( maar zeer. weinige die goed zyn ) te vins
den is.
Einde der Ma es Sfanuar; yen Febr Uary
1719:
KABINET
D ER
MATUURLYEE
HISTORIE N,
WETENSCHAPPEN,
ONS TEN
EN
HANDWERKEN,
Voor de Maanden
MAART en APRIL 1719.
Werciert en opgeheldert met Kopere
Plaaten.
Te AMSTERDAM:
By HENDRIK STRIK,
_ Boekverkoper bezydent Stadhuys. 1719.
| Pag. 177
WATU UR.
EN
KONST-K ABINET,
Voor de Maanden
MAART eN APRIL'
1719.
Van de order, dewelke de Lezer zich moet
voorftellen ,„ omtrent de verdeeling der
zaaken, dewelke in ’t Kabinet der Na-
tuurlyke Hiftorien , Wetenfchappen , Kon-
Stenen Handwerken, van tyd tot tyd zul-
len verhandelt worden.
Ke
E Wereld heeft zich zo zeer aan-
gewent, om by de neus geleidt
f te worden door Leidslieden en
Leermeefters, dat zy byna alles,
wat zy leeren , wat zy lezen,
Ù wat zy aan anderen ophelderen,
_ jaalles, wat zy denken of doen, meerder
uitvoeren en fchikken naeen zekere leer-order, -
| dewelke haar luiheid te hulpe komt, als na
de Natuurlyke order der zaaken zelfs. Deze
fchool-
178 Natuur-en Konft-Kabinet,
fchoolfche en opgekwikte leer-order maakt
het leeren voor haar gemakkelyk , en prent
haar ook de zaaken kragtiger en beter inde ge-
heugenifle, maar is haar aan de andere kant
zeer fchadelyk , maakt haar tot ezels en trant-
trappers, verkleint en vermindert de zaaken
en ftoffen, dewelke in zodanig een leer-order
beklemt worden.
ze
Wanneer wy de zaaken leeren volgens een
teer-order, leeren wy dezelve nooit zodanig,
als zy in haar wezentlyke gefteltheid, en in
haar groote uitgeltrektheid en rykdom beftaan ;
want dewyl wy onkundig zyn, word de leer-
order gefchikt, meer na ons zwak begrip,
als na de ryke gefteltheid der zaak, die wy
zullen aanleeren. Dit is de oorzaak , dat
veel Geleerde lieden , die wel veel zaaken
weeten, maar weinig verftand en noch min-
der izventie van Godt ontvangen hebben, om
ook wat uit te rechten , zich bevlytigen, om
de zaaken onder een lichte en gemakkelyke
leer-order te brengen; en die nu de zaaken zo
weeten te fchikken, en by malkander te flan-
zen, te verdeelen en te bepaalen, dat zy al-
dergemakkelykft om aan te leeren zyn, dat
zynonderde Geleerde vande Leer-order ook
(A dits placet )dan de voortreffelyk{te Man-
nen.
3 £
Alle deze leer-orders , al dit gefneden
broodt , en alle deze ezels-bruggen zult gy
nergens meerder vinden, als by de domtte
Natter. Ik zal hier niemant noemen, maar
het
Maart en” April 1719. 179
het is waarachtig, dat de gro@® Oude, de
Oudvaders na Chriftus, de ys-brekers na de
Maunnikeeeuwen, de treftfelyk{te der Nazzer,
en tegenwoordig noch zodanige Schryvers,
dewelke met de kragt van haar Geeft door
de grenspaalen der leer-orders heen breken,
aile deze tramctrappers en geleerde van de leer-
order voor oude fchooljongens in haare
fchriften aanmerken, en nooit hooger.
4.
‚ Het is aan de Geleerde van de leer-order
naauwlyks te beduiden, hoe weinig dat zy (in
‚het ‘midden van een groote ingebeelde wys-
heid ) van de zaaken zelfs weeten. Want de
zaaken te kennen by naamen, by verdeelin-
gen van geflachten en minder foorten enz., is
meer een kennifle van de affchaduwende leer-
order, als een diepe kenniffe van de alderafge-
legenfte byzonderheden der zaaken , dewel-
ke iemant in de zaaken zal ontdekken, diede
zaaken na haare natuurlyke order en ryke ge=
fteltheid onderzoekt. «
$.
Om nu eens voorbeeldelyk aan myn Leezer
op te helderen, waar toe ik dit voorverhaalde
heb bygebragt, zy kennelyk, dat ík voorge-
nomen hebbe in het geheele Kabinet der Na-
tuurlyke Hiftorien, Wetenfchappen , Konften
en Handwerken , zes byzondere zaaken te
verhandelen, namentlyk 1: Te doen zien de
ongelooflyke grootheid en uitgellrektheid der
Natuur en Konft. 2. De outheden en cer-
fte beginzelen der natuurlyke kennifle, der we-
ten{chappen, der konften en der ambachten
M 2 by
180 Natuur-en Konft-Kabinet „
by de eerfte en oudfte zatien, met derzelver
aanwas, verval en verandering, van ’t begin
tot heden op onzen tyd. 3 Het onderfcheid
der Natuurlyke Hiftorien en der Natuurlyke
Hiftorifchryvers , of geboren uit de verfchei-
dentheid der voorwerpen , deweike de Na-
tuurbefchryvers elk byzonder hebben verko-
ren, of geboren uit de verfcheide betrekkin=
gen der voorwerpen op plaatzen of zaaken enz.
'q. Zal ik mededeelen een uittrekzel van de
alderoudfte en befte Natuurlyke Hiftorifchry-
vers, dewelke vande aaloude Hebreers, Grre-
ken, Romeinen, Arabieren en andere natien
voor ons zyn overgebleven. $. Zal ik zoda-
nige natuurlyke zaaken en fchepzels verklaaren
en uitvoerig befchryven, dewelke of onderwer-
pelyk, of gebruikelyk en dienftig zyn voor de
konften en handwerken. 6. Zal ik handelen van
de wetenfchappen , dewelke betrekking op
Natuur- en Konft-verklaring en ontdekking en
befchryving hebben, en derzelver dienftmaag-
den zyn , mitsgaders een naauwkeurige be-
fehryving geven der Konften en Handwerken,
die de natuurlyke {chepzels tot vermaak en ge-
bruik der menfchen bereiden en vormen.
6. we
Als nu een onkundige begeerde, dat ik dit
alles in het beftek, en in de grensfcheiding
van een nette leer-order behoorde te bepaalen ,
en dan noch wel in zodanig een leer-order,
dewelke na zyn onkundige en onbedreve ken-
nifle gefchikt was, en door welkers behulp
hy als in een opflag alle deze zes voorver-
haalde zaaken Syffemaas-gewys als in een fpie-
get
mn Ee
®
Maart en April 1719. iSr
„gel konde befchouwen , zoude ik hem van deze
„grooteonderneming en ryke zaaken inderdaad
een groote niet-met-al mededeelen , en hy zou-
de (door hetmager denkbeeld, dat hy op de-
ze wyze van die zaaken door my ontving,
«bedrogen ) zeer lang blyven meenen ,
dat de zaaken inderdaad ook niet grooter
noch ryker waren; hy zoude met veel eige
wysheid en inbeelding van wetenfchap vervult
worden, en zich onbedacht en dikwils onbe-
fchaamt vergelyken met groote lieden , by
dewelke hy in die zaaken (als het op de proe-
ven aankwam ) moch geen leerjonge zoude
konnen zyn , dewelke dagelyks kyven ver=
dient.
4:
„O neen myn goede Lezer,ver wacht zulks van
my niet! Als gy onkundig zyt, en niet gelieft
te werken, en met wat moeite te vorderen,
wil ik liever in uwe ongenade vervallen, als
uw blinde meening koefteren, en uwe kennis
bedriegen. Ik zal in elk tweemaandelyk Ka-
binet beginnen van de eerfte volkeren , en
daar ik ftaan blyf, in de volgende Kabinetten
vervolgen, en na de eeuwen en tyden koo-
men afdaalen. Ik zal in elk tweemaandelyk
Kabinet het onderfcheid der Natuurlyke Hif-
torifchryvers aantoonen , met een foort of
twee aante haalen en te verklaaren, en daar
ik op houde, in de volgende wederom ver-
volgen. Ik zal in elk tweemaandelyk Kabi-
net een of meer natuurlyke fchepzels befchry-
ven, en daar ík om myn beftek moet blyven
fteeken, wederom in de volgende Kabinetten
M 3 ver=
182 __Natuur- en Konft-Kabinet,
vervolgen, en ook insgelyks met de Konften
en handwerken, dewelke juift vit die befchre-
vene fchepzels voortkoomen, of betrekking
daar op hebben: en ík zal het voor uw naauw-
keurig onderzoek en doordringend verftand
en ocordeel overlaten, om alles aan mmalkan-
deren te knoopen na uw eigen goeddunken,
maar zelfs, zo veel ík kan , de natuurlyke order
der dingen waarnemen.
Van de verfcheide faorten der Natuurlyke
Hiftorien, en van het onderfcheid der
Natuurlyke Hiftorifchryvers.
[e
I K hebbe in het Kabinet-van January en Fe-
bruary 1719. (a) belooft, te zullen hande-
ten van de verfcheide foorten van Natuurlyke
Hifterien of Hiltorifchryvers, mitsgaders haar
onderfcheid en verfcheide betrekkelykheden;
want om het denkbeeld te verryken, dat myn
Lezer behoort te vormen van de Natuurlyke
Hiftorie, is het niet genoeg, dat aan hem be-
kent gemaakt is het onbepaalbaar voorwerp
cener algemeene Natuurlyke Hiftorie, want
de rykdom van dit onmetelyk voorwerp de
groote Natuur zal noch vry meer uitfchitte=
ren, als myn Lezer een begrip ontvangt van
de verfcheide betrekkelykheden der natuurly-
ke fchepzelen.
á:
Alle de Natuurlyke Hiftorifchryvers koo-
men.
(a) Ziet pag. T46.
Maart en April 1719. 183,
men in dit enkeld punt overeen, dat zy be-
fchryven de eigenfchappen, vermogens , uit-
en inwendige gedaantens, geboorte, leven,
veranderingen en ondergang,betrekkelykheden
op andere fchepzels en zaaken, voor 20 veel
als aan haar bekent is geworden. Indieneen
Natuurlyk Hittorifchryver in dit punt ge-
brekkelyk is, moet hy in zo veel meer of min=
der graad een Natuurlyk Hiltorifchryver
geacht worden, als hy in dit {tuk meer of.
minder voldoet.
De Natuurlyke Hiflorifchryvers verfchee-
len meeft alle van malkander in de voorwer-
pen, dewelke zy verkoren hebben voor haa-
re-befchouwing en befchryving ; want al-
hoewel Plinius tot zyn voorwerp de gehee-
le Natuur hadde verkoren, is hy daar van
niemant op die wys in voorgegaan, en tot Op
dezen tegenwoordigen dag van niemant in
„nagevolgt; behalven dat onzen Plinius maar
voor een Natuurlyk Hiftorifchryver moet
geacht worden, in zo ver als hy zelfs zaaken
heeft befchouwt en befchreven, die andere
voor hem of geheel niet, of niet zo waarach-
tig hadden befchreven; en dewyl deze zeer
weinig en gering zyn by % getal der andere
gaaken, moeten wy Plinius aanmerken als
een Schryver, dewelke voor de Nakomelin-
gen veel zaaken ( vande Oude gevonden en ge-
kent) ingezulten voor ons bewaart heeft, en als
een Natuurlyk Hiftorifchryver, in zo ver als
hy ons van zyn eigen gegeven heeft, Met
het zelve onderfcheid moeten wy ook oor-
4 deelen
184 Natuur-en Konft-Kabinet ,
deelen van zodanige hedendaagze Natuurlyke
Hiftorifchryvers, en van haar ontvangen, ’
geen zy ons zelfs geven en verklaaren, en dat
zy van anderen ontlenen, dienen wy aan de
eerfte vinders en ontdekkers weder te geven.
| Ld
Alfchoon de geheele Natuur in geen een
boek of werk door een man kan befchreven
worden, en wy dierhalven in dien zin geen
algemeene Natuurlyke Hiftorie in een werk
moeten trachten ergens te konnen vinden ,
belet zulks echter niet, dat alle de Natuur-
Iyke Hiftorifchryvers in twee algemeene
hoofdfoorten konnen verdeelt werden , na-
mentlyk: 1, in Algemeene, en 2. in Byzons=
dere.
5.
Door een algemeene Natuurlyke Hiftorie
en Natuurlyke Hiltorifchryver verfta ik in
dezen zin, een Hiftori-fchryver , dewelke een
voorwerp verkoren heeft, dat aan geen en-=
kelde plaats of land, of ook aan geen enkelde
zaak of enkeld gebruik bepaaltis; als by voor-
beeld, wanneeriemant heeft gefchreven van
de landdieren, diertjes, viffen, ferpenten,
metalen, boomen, monfters en diergelyke ,
winden, lucht, verhevelingen, terren, wa-
ters, oordens enz. van de geheele bekende
Aardkloot, als UlyfJes Aldrovandus ; of alleen
van de dieren, viflen enz., of alleen van de
Planeten, of alleen van de Bergftoften , of
alleen‘vande Zufellen , of vande Steenen of van
edele gefteentens, of Zee-gewaflen en Schel-
pen, hoe groot of gering zulk een died
ook
Maart en April 1719. 185
ook wezen mag, wanneer het maar over ’t
_ geheel van de Wereld of aardbodem verftaan
word
6.
Door een byzondere Natuurlyke Hiftorie
of Hiftorifchryver zal ik verltaan, alsiemant
het natuurlyk voorwerp, dat hy befchryft,
bepaalt aaneen plaats of land, of zaak of ge-
bruik, of zeker ander eind-oogmerk. Alsby
voorbeeld , wanneer een Natuurbefchryver
maar een eenig of zeer weinige Natuurly=
ke Schepzels befchryft, of wanneer Dezelve
de Natuurlyke Hiftorie van een zeker
Landfchap met deszelfs byzonder climaat,
gronden , luchten , wateren , bergítoffen ,
menfchen, dieren, gewaflèn enz. (onder deze
behooren medede Reis- en Land-befchryvers ,
dewelke een natuurlyke en morale Hiftorie van
een land mededeelen ), *tzy van een Koning-
ryk, vaft Land, Eiland, Stad, Dorp, Vlek,
Berg, Valey, Rivier, Zee, Moeras, Meir,
Poel, Spelonk, Bergwerk enz. befchryft, of
wanneer een Natuurlyk Hiftorifchryver de
Natuur en Konft te zamen voegt, en deze of
gene Konften {om deszelfs Natuurlyke on=
derwerpen als aan die Konft bepaalt ) be-
fchryft; of wel, wanneer een Befchryver der
Natuurlyke zaaken zyn eigen te zamen verga-
dert Kabinet befchryft, (gelyk wy daar eenige
voorbeelden van hebben) of andere by hem
vergaderde Rariteiten ; of wanneer een Na-
tuurlyk Hiftorifchryver zommige Natuurly-
ke Schepzels befchryft, dewelke by de mena
fchen tot het een of ander eind-oogmerk in
M s ge-
186 Natuur-en Konft-Kabinet, —
gebruik zyn gebracht; als by voorbeeld, tot de
Geneeskontt, tot de Keuken, tot de Verf konft,
tot deGlasblazerskonft(zonder befchryving dier
konten ) tot Baden of medicinale Wateren; of
wanneer zommige eenige Natuurlyke fchepzels
befchryven , tot verklaring en opheldering van
andere zaaken, als de befchryvingder dieren ,
boomen, planten enz. , daar in de Bybel ofin
’ Corpus Jaris, of iets diergelyks van gemelt
word , en meer andere verfcheidentheden der
byzondere Natuurlyke Hiftorifchryvers, hier
niet alle aan te merken,
Van de Algemeene Natuurlyke Hiftori-
fchryvers, dewelke in haarc werken te
gelyk van alle de bekende Dieren , Berg-
floffen , Gewaflenenz. hebben gefchreven.
I.
Vv An de Aaloude Natuurlyke Hiftorifchry-
vers hebben wy niemant overgehouden ,
dewelke zo veel fchepzels of zaaken, en tege-
Iyk zo uitvoerig befchreven heeft,als der 6 Eeuw
na Chbriftus geboorte ons heeft uitgelevert, in
de perzoonvan den onnavolgbaaren Urysses
ALDROVANDUS. Deze uitmuntende Natuur-
befchryver is geboren tot Bologue in Italien,
daar hy naderhand ook Hoogleeraar in de P4:/o-
fophie en Geneeskonfl is geworden. Hy heeft
gereift door de verfte en alderafgelegenfte
landen des Aardbodems, om de natuurlyke
fchepze!ls op tefpeuren , en zelfste ontdekken
en te befchouwen. Hoewel deze Geleerde
Man van veelderhande zaaken gefchreven
heeft,
Maart en April 1719. 187
heeft , waren echter zyn hoofd-voorwerp de
vremde vogelen; en op dat hy alles op het
aldernaauwkeurigft aan ons zoude nalaten ;,
nam hy op zyne reize, en op zyn eigen beurs
met zich de alderuitmuntenfte T'ekenaars van
zynen tyd, en liet alles na hetleven , zelfs in
de aldervremfte landen, aftekenen en in-plaa-
ten (nyden. Hy is geftorven in ’t (a) jaat
1605. tot Bolague, 3
2.
In drie verfcheide Deelen verhandelt.A/dro-
vandus de vogelen, dewelke in twintig boeken
afgedeelt befchreven worden. In het eerfte Deel
handelt hy van de Roofvogelsenz. In het twee-
de Deel van Vogels voorde tafel, en zoetzin-
gende vogels. In het derde Deel van de Wa-
tervogels. Het eerfte deel, dat hy in ’ licht
gaf, beftaat uit twaalf boeken Het is ge=
drukt tot Bologne in ’tjaar 1599. # Folio;
Hy droeg dit werk opaan Paus Clemens de
achtfte, en klaagde aan dezelve, dathy door
zyn gedurig reizen en zwaare onkoften, aan
Tekenaars, Plaatfnyders enz. meeft alles, wat
hy in de wereld bezeten hadde, was kwyt ge-
raakt ; maar het was voor een doof mans
deur geklopt, (Ô chtvaardige en ondank-
baare wereld!) want zes jaaren na deze lof-
lyke Opdragt moeft Ulyfles Aldrovandas Tyn
leven laaten in veel armoede tot Bologne,
in welke Stadt hy achtenveertig (b) jaaren het
Hoogleeraars ampt hadde bekleed.
Onder
(a) Fn herjaar 1599. was AL DROvVANpUs oud
74jaaren en (tierf 1605.derhalven was hy 80 jaaren oud.
(6) Ziet de Opdragt aan Paus Clemens VIII, Or-
withologie, Tom, 1,
188 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Onder verfcheide elk zaaken,
dewelke UlyfJes Aldrovandus in de Voorrede
van dit Boek verhandelt, klaagt hy kragtig
overdegierigheid. Deze ‚zegthy, verbant alle
trouw , vroomheid, wetenfchappen en kon-
ften , zy fpoort de menfchen aan om in ’%
openbaar of in ’t beimelyk op malkander te
rooven met grouwzaam gewelt, Landen, Ste=
den én geheele Koningryken af te rukken, de
menfchen te verwoeften , haar goederen te
plunderen, en onrechtvaardig alles of aan
zyn Straaten of andere'rykdommen te hechten,
Zo lang, zegt hy, zyn de tyden gelukkig
geweelt, als de oude /Egyptenaaren, Grie-
ken, Romeinen, en andere volkeren door
Koningen en Vorflen geregeert zyn gewor-
den, dewelke in haaren (laat vergenoegtleef-
den, en by haare Burgers de vrede vierende,
de uitvinders van geleertheden, wetenfchap-
pen , konften en konft-ftukken door haare
gunften en gaven aanfpoorden.
mid É
Plinius heeft in zyn tyd al geklaagt, datde
zaaken, dewelke de Natuur overal zo ryke-
lyk baart, en by de aaloude gemeenzaam be-
kent waren, in zyn leeftyd byna buiten het
geheugen en Kennifle der menfchen waren ge-
raakt. Voorwaar Liever, de natuurlyke Hi-
ftorie is zulk een geringe zaak niet, de alder-
oudfte en verftandigfte Prinffen van de we-
reld hebben haare kennifle in dezelve geoef-
fent, zelfs by onzen tyd heeft Lodewyk de
Veertiende daar meerder lof door verkregen,
) en
Maart en April 1719. 189
en ook verdient, als doorzyne grouwzaame.
oorlogen. De meefte grootíte Prinffen van
deze wereld vergaderen Kabinetten van Na-
tuur en Konft, fokken in haare diergaarden ,
vyvers en vluchten, alderhande vremde die-
ren, viffen en vogelen, beplanten haare tui-
nen met alderhande vremde boomen , heefters,
kruiden, bloemen, vruchten enz. Maar wat
de Natien van deze onze tyden betreft, bui-
ten eenige zeer weinige Geleerde Lieden,
moet ik hier klaagen, datdezelve in een do-
delyke onkunde leggen begraven, en ’t geen
noch het beklaaglykfte is, in ’t midden van
een groote ingebeelde wysheid.
In dit eerfte Boek Wan de twaalf Boeken
dezes deels, {preekt Uiyf/es Aldrovandus van
de Arenden in * algemeen; in het tweede
boek vat: de Arenden in ’t byzonder, en alle
deszelfs verfcheide foorten ; in het derde boek
handelt hy van de Gieren of Giervogels in ’t
algemeen en in ’t byzonder ; het vierde boek
handelt van de Havikken in ’t algemeen; en
het vyfde boek van de Havikken in ’ byzon-
der, en alle deszelfs foorten. Het zesde boek
handelt van de Valken in’t algemeen ; en het
zevende boek van de Valken in ’t byzonder;
in het acht{te boek fpreekt hy van de rovende
NNachtvogels ; het negende boek verklaart de
Vogels van een tu{fchen beide natuur , na-
mentlyk die voor een gedeelte metde viervoe-
tige gediertens, en voor een gedeelte met de
vogels-natuur gefchapen zyn; het tiende boek
fpreekt van de Fabeleuze vogels, het elfde
boek
zoo Natuur-en Konft-Kabimet,
boek van de Papegaajen ; het twaalfde boek
handelt van de Ravens en haare verfcheide
foorten, en van eenige andere vogels met har-
de bekken, als de verfcheide Kaauwen, ver-
fcheide Exters, vande vogel Neushoorn, van
de Paradys-vogels en derzelver verfcheide foor-
ten, van de Kaneel-vogel, van de Specht en
de verfcheide foorten der zelver, van de wit-
te Wal-vogel, van de Indiaanfche Glorzo,
vande Zorguilla of Windhals, van de Cer-
thia, van de Merops, van de Kratzvogel of
Krombek.
In het jaar 1600 woonde tot Bologne PFo-
annes Cornelius Uterwerius, Dottor in de Ge-
neeskonft , en van geboorte een Hollander,
Deze verhaalt ineen kortevoorreden van het
tweede deel van de Vogelen , dat onzen
Ulyfles Aldrovandus over de natuurlyke fchep-
zels en zaaken, (befchreven door Ariftoteles,
Zheopbraftus, Diofcorsdes „Galenus en alle an-
dere) zoin’t openbaar in de Stads-tuin, als aan
zyn eigen huis dagelyks zulke geleerde le{len
en verklaringen deed , dat de Geleerde we-
reld, dewelke hem kwam hooren, daar van
als voor het hoofd geflagen ftond. (a)
Mitsgaders dat hy een weergaloos Kabinet
van Natuurlyke zaaken by een hadde ver-
gadert.
7:
In het jaar 1600. gat Ulyfles Aldrowandus
het
(a) Dit geheele Natuur-Kabinetis noch hedendaags
te zien in de Rariteit-kamer van den Groot-Her:og
van To/canen,
Maart en April 1719. TOE
het tweede Stuk #7 Folio van zynebefchryvin-
gen der Vogelen uit, en droeg het zelfde op
aan Alexander Perettus, doen Cardinaal
ZMontalto. Hy verhaalt, dat Sixtusde vyfde,
dewelke Oom van deze Montalto geweelt was,
hem zeer veel gunft bewezen en veel ver=
ftrekt hadde, tot uitvoering van zyne groote
ondernemingen,
8.
Dit Deel begint met het 13 Boek, en ein-
digt met het 18 Boek, beftaande vervolgens
uit zes Boeken. In het 13 Boek befchryft
“Aldrovandas de Paauw , de paauw van Japan,
het kalkhoen, de faifant, het berghoen of de
urhaan en deszelfs foorten, de groote Grygal.
lus, de kleine grygallus van t Zwitzers ge=
bergt, het hazelboen, de trapgans en deszelfs
verfcheide foorten, het land-eend, de (tarvo-
gel, deoedicnemus, de Iriellappen, de patry-
zenin ’talgemeen, en van alderhande foorten
van patryzen, het fteenhoen of de lagopus,
de kwartels, de kwartelkoning, de Brachvo-
gel „detuinvogeltjes. Het 14 Boek handelt van
de tamme hoenderen, en van derzelver ver-
fcheide foorten uit verfcheide landen. Het
vyftiende Boek {preekt van de duiven en der
zelver onderfcheid, van de tamme duiven,
wilde en ringelduiven, bergduiven, hout- of
-holts-duiven, tortelduiven, van de moffen,
van dehuismoffen, vande witte moffen, gee-
le moflen, geplekte rnoflen, en een groote
menigte moflen van vremde landen. Hetzes-
tiende Boek handelt van de iy{ters en derzel-
ver foorten, van de meerlen of zwarte 1yfters
en
192 Natuur-en Konft-Kabinet ;
en derzelver foorten , van de witte mee-
rels, van de blaauwe meerels, en andere van
veelderley foorten uit vremde landen , van de
fpreeuwen en derzelver onderfcheid, van de
fteenbyters of teenkraakers, of appelvinken en
derzelver verfcheide foorten. Hetzeventien-
de Boek handelt van’t Koninkje, en verfchei-
de foorten van Koninkjes, vandezwaluwen,
van de huiszwaluwen, van de witte zwalu=
wen, van de wilde zwaluwen, van de klipe
zwaluwen, van de zee-zwaluwen , van de
fteen-rwaluwen , van de wydkoppen, vande
meesjes en derzelver foorten en fchoone ko-
leuren, van de kwikftaartjes en derzelver ver-
fcheide koleuren en foorten, van de fpipola
en deszelfs verfcheide foorten , van de dwaa-
ze moflen, van de muggevangertjes en der-
zelver verfcheide foorten, van de braammos-
jes, van derootborsjes , van de root- of bloed-
vink, van de rootfteert of wyn-vogeltjes en
derzelver verfcheide koleuren enfoorten, van
de gras-mos ( die gezegt word de eyerendes
koekkoeks uit tebroeyen ) en deszelfs verfchei-
de foorten, de druif-vinken en derzelver
foorten, de Lyfviziola, de Grarola, de Vyg-
vink. Het achtiende Boek handelt van de
zoetzingende vogeltjes, namentlyk de nach-
tegaal en deszelfs onderfcheid, de witte aman-
del-nachtegaal en andere , van de puttertjes …
en derzelver onderfcheid , van de cynskens, van
de kanary-vogels , van de vink, geelvink, goud=
vink , bergvink , vlasvink , rode vlasvink,
blauwe zee-vlasvink, de leeuwerik en des-
zelfs verfcheide foorten, van de calander of
Ei groote
En En
Maart en April 1719. 193
groote leeuwerik, van verfcheide byfoorten
S vanleeuwerikken, de Chloris, groenvink of
‚ rapvink, deszelfs verfcheide koleuren en
\_vremde foorten, van de fchelzingende grillen
met geele borftjes, van de geelvinkjes en des-
zelfs verfcheide foorten „van verfcheide /z-
_ diaanfche voetzingende vogeltjes.
9.
… _ Het derde Stuk of Deel, in het welk U-
Jyfles Aldrovandus van de vogelen handelt,
5 beftaat uit twee Boeken , teweten, het ne-
gentiende en het twintigfte Boek, en fluit
zyne befchryving vande Vogelen. Hy heeft
dit derde Deel uitgegeven tot Bologne in ’
jaar 1603 12 Folio, en befchryft in het zelve
alle groote en kleine water-vogelen. Aldro-
wandus hecft dit derde Deel insgelyks als het
tweede aan den Cardinaal ZMoxztalto , Neef
van Paus Szxtus, opgedragen, klagende even
_ jammerlyk over zyn armoede en hoogen ou-
derdom; en hy zegt rond uit, dat onder de hoo=
_ ge Perzonagien en Prinffen een Beminnaar
‚der goede Letteren even raar gevonden word,
als een zwarte zwaan of witterave , daar hy
…, Moutalto echter buiten fluit, dewelke een
_ groot Mecenas in zyn levens-tyd was. In
het negentiende Boek handelt hy vande Zwa-
nen, van de Pellicanen of Ezelfchreyers, en
vogelen van Ezza, van de Artenna of water-
vogel, vande (a) Diomedifche Eilanden, van
N de
(a) De Diomedifche Eilanden worden hedendaags
Ifole de Tremiti genaamt, zyn vyfin getal, namenrtlyk
r.S. Marta de Tremiti. 2.S. Domino. 3. Garizzo. 4. Ca-
prara s.Credazzi, Deze Eilanden leggen tegens over
Apulien, en behoren onder’t Koningryk van Napels,
194 Natuur-en Konft-Kabinet ,
de zee-meeuwen en derzelver verfcheide foor-
ten, van de Starretjes, en de meeuw vier
genaamt, van de zwarte, asgrauwe, bonte,
{pierwitte meeuwen , van de Catharradta ,
(Oppianus , die deenigfte Schryveris, dewel-
ke de Catharradta befchreven heeft, zegt, dat
zy op uitgefchilderde viffen op paneelen met
zulk een hevigheid uit de lucht koomen val-
len, dat zy door dat middel gevangen wor-
den,) van de meeuw Gepphus ; de meerkoot,
van de Fran{che meerkoor of meerduivel, van
de foort van meerkooten by deEngelfchen cotta
genaamt, van de tamme ganzen en haar ver-
fcheide foorten, van de wilde ganzen en haar
onderfcheid. Van de vos-gans der oude toont
Aldrovandus, dat geen nader tevindenis, als
de Engelfcheberg-gans, van de Schorfche zee-
gans baflanus , dewelke nergens gevonden
word, als in en omtrent de klippen van %
Eiland Baf/um by de vloed Feurt, die voorby
Edenbarg vloeit , vande Schotfche wildegans
Guftarda , de Schotíche gans capricalca of
het bofpaard genaamt, van de gans Brazta,
dewelke in ’t Prinsdom Wallis in Engeland
gevonden word, en op veel andere plaatzen ,
en van verfcheide foorten onder de naam van
rot-gans by de Hollanders genaamt , en by
zommige boom-ganzen. Zommige Schryvers
zyn zo dwaas, dat zy getuigen dat deze rot-
ganzen in Schotland aan de boomen groeijen.
Vervolgens handelt Aldrovandus van de Een-
den, en een groote menigte van verfcheide
foorten, van de duikers en haar onderfcheid,
van de aersvoeten en haar foorten, de muft-
vogel ,
“Maart en. April 1719. ros
vogel , de water-ravens en haar verfcheide
foorten, en van een groote menigte van ys-
en winter- -duikers, en andere vremde en raare
water- vogelen.
10.
In het twintigfte en laatfte Boek handelt
Ulyffes Aldrovandus van de vogelen, dewelke
niet zo zeer in het water, als omtrent ’ zel-
ve huishouden en gevonden worden , nament-
Iyk van de oyevaars; hy befchryft de komt
en het vertrek derzelver , en bewyf{t dat zy
des winters in Mgypten en in de waterige
vlaktens van Africa woonen, na het getuige-
nifle van Bellonins en veel andere oog-getuie
en. Vande Egyptifche vogel lbis, van de
lammaat en deszelfs foorten , van de kraan-
vogel en deszelfs foorten, van de reigers en
derzelver vremde foorten in een groote me-
nigte, van de gans lepelaar met een bek als
een lepel, van de kemphaantjes en derzelver
ontelbaar ‘onderfcheid, van de vriefche fchryn,
van de totanus of ruiter te voet, van de franfche
barge, van de porphyrius bematopos of plu-
vier, van de waterhennetjes van zeer veel
verfcheide foort, van de gluttder Duitfchers,
van de root-pootjes, Iypjes en andere water-
hoendertjes , water-{nippen , hout-{nippen ,
brakhennen of brach-vogels, van de fchmir-
ringen en haar foorten , rotkmillis ‚ deffvt,
matbern, vuynkernel, fyden- hen, en veelder-
hande foort van {nippen ‚ de water-meerl,
veelderhande foort van poelvogeltjes , riet=
broek-vogeltjes , meer- en vliet- -vogeltjes,
heggefchaaïtjes of haagvroetertjes , van de
2 ys-
196. _Natuur- en Konfl-Kabinet,
ys- of water-hoentjes , gyfyts, van ’tkonings-
viffertje of de drappier,zy nde een _ys-vogeltje,en
verfcheide raare foorten van hetzelfde, vande
kievie en deszelfs verfcheide foorten, van de
water-vogel Zriel. Hier mede word het laat-
fte Stuk gefloten, en achter het zelfde volgt
een klein aanhangzel van eenige vremde vo-
gels, als de Morinellus van Engeland. de Eme
van Java, de Nuimidifche haanen, de lommen
van Groenland, de raáos forcados , guerguedula,
verfcheide vremde vogelen van de Kaap de
Goede Hoop als elders.
ile
% Is my niet mogelyk geweeft,om in zulk een
Oceaan van zaaken en ontelbaare menigte van
vogelen , iets byzonders of aanmerkelyks aan
te haalen, om niet te veel uit te dyen, maar
op dat myn Lezer een ryk denkbeeld van het
groote Werk der Vogelen van Ulyffes Aldro-
wvandas mag verkrygen, zal ik in ’t algemeen
aanmerken, dat Aldrowaadas handelt. 1. Van
de verfcheide rang en waardigheid der voge=
len, en {telt naar ryp overleg de Adelaar tot
Koning. 2. Handeit hy van de eguivocatie of
dubbelzinnigheid der naamen, daar de vogels
mede genaamt worden, niet zo zeer derzel-
ver verfcheide naamen uit verfcheidetaalen of
om verfcheide hoedanigheden, die verfchei-
de watten daar verfcheidentlyk door uitdruk-
ken, maar van verfcheide betekeniffen , die
dikwils een naam heeft, daar een vogel mede
genaamt word; want het gebeurt menigmaal,
dat een naam, die een vogel heeft, ook ge=
voegt is aan een plant, fteen, ziekte of dier;
ze
bd
Maart en April 1715. 107
zo zyn by de Oude verfcheide vermaarde Man-
nen met de naam van ‘Adelaar of Arend ge-
noemt, daar is ook een vifch, die Adelaar
heet, insgelyks ook een plaritgewas enz,
12.
“Wanneer Aldrovandus een vogel befchryft,
verklaart hy alle de verfcheide naamen , daar
zodanig een vogel door bekeut is geweeft by
de Oude, en hedendaags ook noch mede ge-
naamt word ; mitsgaders hoedanig een vogel
in elke byzondere taal met een by zonder naam-
woord word uitgedrukt ; byvoorbeeld, hoe
«een Arend uitgedrukt word in ’t Griekfch, en
dat noch zeer verfcheiden, insgelyks in ’t Latyn,
in’ Arabifch, Turkfch , Perfilch , in ’t He-
breeuwfch,'in ’t Franfch, Engelfch, Hoog-
duitfch, Spaanfch, Walfch, en vervolgens
in veele andere Taalen.
É 13.
Op dat alle de dont van een vogel tot
haar geflacht zouden konnen gebragt worden,
handelt Aldrovandus ook zeer waauwkeurig van:
de Siena Generis Charatteriflica, of de onaf-
fcheidelyke geflachts-kentekens van een vogel,
dat ís: als ín: een vogel die tekens en gedaan-
tens zyn, dat dezelve dan tot zodanig een ge-
{lacht behoort en maar in omftandigheden en
in foort verfchilt. Zodanige tekens worden ge-
ftelt aan de gedaanten van het hoofd, de bek „
oogen , voêten , eenzaamheid, roof, hardigheid
in vleefch „klauwen „{tevigheid van veeren en
van gebeente’, vôedzel , woonplaats, vlucht,
fnelheid, kragten, enz. welke alle by malkan-=
der gevoegt een-onaffcheidelyk kenteken uir-
À N 3 maa-
198 _Natuursen Konft-Kabinet,
maaken, dat het geflacht bepaalt; en alle de
vogels, daar dit in befpeurt word, hoe ver-
fcheiden zy ook zyn, worden dan als foorten
van zodanig een geflacht aangemerkt.
14.
Aldrovandas handelt ook in de Befchryving
van elke vogel van deszelfs zinnen, als het ge-
zicht, reuk, fimaak, gehoor , gevoel, ge-
zwintheid, traagheid , fterkte van mannetje
en wyfje, van haare woonplaatzen en vader-
land, wat geweft van de dampkring zy meeft
bevliegen, of zeer hoog , of middelmatig,
of laag, van haar vernuft en manieren, van
haar leerzaamheid, tem, van haar aas en fpys,
voortteeling , broeying en geboorte, van haar
grootmoedigheid , gematigtheid , van haar roof
en jacht op andere vogels of gedierte, van haare
gevechten en manier van ftryden, van haar
natuurlyken afkeer van zommige zaaken ,
van haare ziektens, van haar genezinge; van
de oude, nieuwe, waarachtige en fabeleuze
Hiftorien, die by de Schryvers en in de boe-
ken van deze of gene vogelen gevonden wor-
den, en zeltzaame voorvallen.
Is.
En dewyl de Grooten Schepper alles tot
zyner Heerlykheid, en tot gebruik der men-
fchen gefchapen heeft, handelt Aldrovandus
van de verfcheide gebruiken, dewelke de men-
fchen van elke vogel maaken, (hoe de menfchen
zomtyds een bynaam verkrygen , gelyk de
Evangelift Fobannes een Adelaar genaamt
word enz, Julius Cefar en Ariftoteles zyn
Adelaars bygenaamt ) van het gebruik zommi-
ger
„ Maart en April 1719. 199
ger vogelen in de ydele Afgodendienft der
Heidenen , welke voortekenen en voorzeg-
gingen tot goede of kwaade uitkomften van
zaaken zy uit zommige vogelen haar vlucht,
ontmoeting , gevechten enz. malkander by
outs wys maakten , alles met bygebragte
voorbeelden uit de Aaloude Hiftorie; welke
myftike en geheime dingen dikwils verborgen
of uitgedrukt wierden , onder de benaming van
eea vogel of deszelfs wonderlyke eigenfchap-
pea in de Heilige Bladeren, by de Oudvaders
en in andere Schriften, hoedanige zeden en
plicht-leflen zomtyds afgeleidt wierden van
de deugden of eigenfchappen zommiger voge-
len, van het gebruik der vogelen in de beeld-
_{praak der oude Mgyptenaaren en Oofterfche
Volkeren, van de (a) zinnebeelden en Fabe-
len, dewelke door zommige vogelen wier-
den uitgedrukt by de aaloudeen hedendaagze
volkeren, van het gebruik van elke vogel,
of deszelfs deelen of uitwerpzelen in de ge-
neeskonft, in de {pys en keuken ; hoe de vo-
gelen tot de jagt gebruikt worden, van het
gebruik der vogelen tot tekenen, als veld-
tekenen ‚ook in rouw, begraving, feeftviering,
krooningenz. , ook tot eer-tekenen in Ridder-
of andere eer-orders,en by beelden gevoegt, om
iets met dezelve uit te drukken, insgelyks in
wapens en zegels, op fchilden, borftwapens,
ftormhoeden, harnaflen, geweer, oorlogs=
gereetfchap, cieraaden, fcheepen „huizen enz.
16.
Aldrovandus befchryft niet alleen de uit-
4 Welle
(4) Emblemata,
zoo Natuur-en Konf-Kabinèt, «
wendige gedaante van elke vogel, maar ook
derzelver inwendige Fabryk en gedaante, en
gebruik der inwendige deelen door de ont-
leed-kon{t vertoont, en zulks menigmaal zee:
naauwkeurig deeltje voor deeltje , benevens
haare gersamtens. Hy handelt ook by elke
vogel van alle de fpreekwoorden , dewelke
van zodanige vogelen afgenomen zyn, op wel-
ke konftige wyzen de vogelen gevangen wor=
den, en wat al waar te neemen is in haar on-=
derhoudiag, voeding, melting, haar bereiding
van fpys en drank en zaad, derzelver tam-
making, aanleeringin’t klappen, fuiten, zin-
gen, onderwyzing tot de jagt , gelyk in de
valken enz. haar loosheid, haar neften, en
opvoeding van haare jongen, van verfcheide
misgeboorten en mon(ters onder de vogelen,
de affecten en begeerlykheden , minneryen,
fpraak en taal der vogelen, haar geilheid of
matigheid, en oneindig veel zaaken, dat ik
vermoeid word om dezelve hier alle aan te
haalen.
ís
Noch is dit heerlyke werk overal verciert
en opgeheldert met zeer keurlyke plaaten „
dewelke boven alles uitmunten, om dat de-
zelve na ’t leven zyn getekent, en gefneden
van de aldergrootfte Konftenaars van geheel
dtalien en andere deelen van Europa.
18.
In het jaar 1602 gaf Ulyfles Aldrovandus
zyn werk van de Zefeten en bloedelooze-
beesjes uit tot Bologne in folio, hy droeg de-
ze voortreffelyke vrucht van zyn Arbeid op
aan
Maart en April 1719. 20E
aan Francifcus Maria de tweede, ende zesde
Hertog van Urbizo. Ik zalvan dit Werk niets
melden, om wederom in geen oceaan van
volheid te geraaken , maar alleenlyk aan-
merken, dat alle de beesjes zeer keurlyk na
% leven in plaaten afgebeelt zyn, by welke
gelegentheid de Lezer mag aanmerken, dat
in het uitbeelden van de natuurlyke fchepzels
zeer veel werk word gemaakt vande tekenin-
gen, dewelke na ’t leven zyn gefchiet, ge-
lyk die van onzen grooten Aldrovandus.
19.
Na het uitgeven van deze vier ftukken
_ kwam onzen grooten Man te fterven, en hy
heeft het geluk niet gehad zo lang-te leven,
dat zyne overige groote werken het licht be=
fchouwden ; maar de Beroemde, Geleerde
en voortreffelyke Mannen , Bartholomeus
Ambrofinus , Fohannes Cornelius Uterverius
Hollander , Hieronimus Tamburinus , Thomas
Dempfterus Baron van Muresk , Marcus
Antonius Bernta, en veel andere hebben een
onuitdrukkelyke lof verdient, dat zy voor
deze Weeskinderen zodanige goede zorg
hebben gedragen, en dezelve zo heerlyk in
% licht gebragt, dat zy niets van haar glans
noch achting door ’s Mans dood hebben ver-
loren. '
' 20.
Zo ras als Ulyfles Aldrovandus geltorven
was, bevalde Raad van Bologze aan Bartholo-
meus Ambrofinus Hoogleeraar in de,(a) Natuur-
lykezaaken, dewelke betrekking op de Genees- _
N s konft
(a) Simplicia medisa,
202 Natuur-en Konft-Kabinet,
konft hebben, en Opperfte over de Stads.
tuin, geboren tot, Bologze ) om de nagela-
te werken van den grooten Ulyfles Aldrovan-
dus in ’t licht te geven, want Aldrovandus
had by uiterfte wil de aftekeningen en plaa-
ten enz. aan den Raad van Bologne aanbevo-
len en gemaakt. In hét jaar 1640 gaf onzen
Ambrofinus uit het vyfde (tuk vande Werken
van Aldrovandus, tynde een Hiftorie der
Serpenten , in folio, en in twee Boeken of
Hoofd-verdeelingen afgedeelt. Het Boek
wierd opgedragen aan de Prins Franciscus
Perettas, en is opgeheldert met fchoone plaa-
ten, in dewelke de Serpezten (na ’t leven af-
getekent ) verbeelt worden. Ik zal niet ver-
der van dit werk fpreken, dewyl ik te veel
te zeggen zoude hebben , en ook na dezen
met meer onderfcheid , klaarheid en nettig-
heid van die zaaken (als ik leve) meen te
handelen.
2ï.
In het jaar 1616 gaf Johannes Cornelius
Uterverius Hollander, en Hoogleeraar in de
Simple natuurlyke en enkelde geneesmiddelen
tot Bologne, uit in folzo het zesde ftuk van
de Werken van Aldrovandus, Het werk wierd
opgedragen aan Julius Sacchettas, Cardinaal
en Legaat a Latere van de Paus tot Bologze.
Paus Urbanus de acht{te maakte een Griekfch
en Latyních Lofdigt op onzen Aldrovan-
dus , die beide voor het werk gedrukt zyn.
In dit ftuk word gehandelt van de viervoetige
dieren (a) met vafte, heele en ongefplete Of
on
(2) De Quadrupedibus Solidipedibus,)
‘Maart en April 1719. 203
ongekloofde voeten ; als by voorbeeld. 1. Van
de Paarden en derzelver veelvuldige foorten.
2. Vande Ezels en derzelver groot onder-
fcheid , als de Woud-ezel , van de Muil-
ezel, van de gehoornde Ezels. 3. Van de
MMopoceros. 4. Van de Zebra Indica. 5. Van
de Olyfanten en der zelver onderfcheid. Van
deze dieren worden zo veel heerlyke en we-
tenswaardige zaaken verhaalt, dat dezelve een
geheel foltazt beflaan, en echter is alles even
vol rykdom en geleertheid,
22.
In het jaar 1613 wierd het zevende ftuk in
folio van Aldrovandus Tyne werken uitgegeven,
begonnen door Uterwertus, en volbragt door de
Schotfche Baron Dempflerus. Dit werk hans
delt van (a) de viervoetige dieren , welker
voeten gevorkt zyn, of in twee fpitzen ge=
deelt of gefpleten;zyn. Het werk wierd op-
gedragen. aan Paris Ledroniuns Aarts-Biffchop
van Salisburg. „Onzen Aldrovandus volgt in
zyne befchryvingen der dieren meeft altyd de
order van Arifloteles; hy verdeelt de kloof=
voetige dieren in twee, in aardfche en wa-
ter-kloofvoetige dieren ; onder de water-kloof-
voetige dieren is tot noch toe, zegt:hy ‚ maar
een enkeld ontdekt , namentlyk de Mzppopo-
tamus of het Waterpaard van de Ny/. De
vorkvoetige landdieren worden wederom in
twee foorten verdeelt, namentlyk de. vork-=
voetige dieren met horens „ en de vorkvoes
tige dieren zonder horens. Alle de gehoren-
de vorkvoetige dieren herkauwen , en gr
e
(a) De Quadrupedibus Bifulcis.
zog, Natuur-en Konft- Kabinet ,
de ongehorende’ herkauwt alleen de Kaz
meel enz,
28.
Dit werk beftaat emoe enkeld hoofddeel
&f boek , en uit duizend en veertig bladzyden,
het isverdeelt in zevenendertig kapittels, en
handelt. rt Van de Koebeelten en derzelver
verfcheide foorten uit alderlei vrernde landen,
en van alle de dieren, dewelke onder het ge-
flacht der Koebeeften konnen gebragt wore
den. 2 Van de Schaapen en derzelver ontel-
baare foorten en byfoorten. 3. Van de Gei-
ten en Bokken, en derzelver veelderhande
foorten en byfoorten uit vremde gewelten.
4. Van de Harten , derzelver verfcheide foor-
ten , en verwonderenswaardige byfoorten.
s Van de Eland. 6 Van de Rhinoceros of
Neus-hoorn. 7. VandeKameel en van veel-
derhande foorten van Kameelen.. 8 Van de
LEthtopifche Nabis of Carmelopardalis „ of’tKa-
meel-formig paard. _g. Van de Varkens „zo
tamme als bofch-varkens „en derzelver ver=
fcheide {oorten. Dit {tuk is zeer grooten
zwaar, en zeer doorwrogt ‚en als doorfpekt
met alderlei aangenaame Hiftorien, waarne=
mingen en aanmerkingen. Ek,
24e
Het achtfte ftuk tard Werken van Ulyf=
fes Aldrovandas is in ’t lieht gebragt tot Bo-
logne 1637 in folio, door de-vlyt en yver van
den’ voortreftelyken Bartholomeus Anmbrofinus.
Dit werk-handelt 1-in drie- Boeken (a) van
de viervoetige dieren. met geteende voeten,
e=
(a) De Quadrapedibus Digitatis Viriparis.
-
Maart en April 1719. Zoff.
en dewelke levendig baaren en gebaart wor-
den, En 2 van de (a) viervoetige dieren met
geteende voeten, dewelke Eyeren leggen, en
daar uit voortkoomen, Dit werk is behal-
ven de voorredens en regilters enz. 719
bladzyden groot , en zo ryk en overvloedig
van {tof , dat ik het zelve te kort zoude
doen, daar iets byzonders van te melden;
alles is na ‘t leven getekent volgens de wyze
van Aldrovandas.
PK
In ’tjaar 1613 was ook uit de nagelate
Schriften van UiyfJes Aldrovandus vergadert,
enein order gebragt door Johannes Corne-
lus Uterverins, het negende ftuk, het wierd
gedrukt tot Bologne in folio, en opgedragen
aan Franciscus Vitellius , Aartsbiffchop van
Zheflalonica, en Nuncius van den Paus by de
Republyk van Venetien. Dit werk händelt
in vyf boeken van de Viflen, en in een by-
zonder Boek van de Walviffen en derzelver
foorten, ’tzelve is van de alderuiterfte naauw -
keurigheid, (de plaaten zeer curieus en na’t
leven getekent) en alom voorzien met een
ongelooflyke {chat van gelcertheid en natuur-
kunde, ;
26.
In het jaar 1606. was tot Bologze uitgege-
ven het deel, dat volgens myu order het tien-
de ftuk uitmaakt van de werken van Ulyf/es
Aldrovaadús, dit werk is mede in fulzo gelyk
allede andere, en handelt van de bloedelooze
dieren en water-sz/eten, het isin vier boeken
ver-
(a) De Quadrupedibus digitatis oviparis,
zo6 Natuur-en Konft-Kabinet;
verdeelt. ’tEerfte Boek handelt van de (a) bene=
looze zee-kwabben. Het tweede Boek van de
(4) korftachtige fchub-viflen. Het derde Boek
van de(c)fchulp-viffen of kruik-viflen. Het vier-
de Boek handelt van de (d) dierachtige water-
planten. De Oude hebben zommige dezer ge-
‚ waflen enigzins gevoel toegefchreven , en ge-
oordeelt, dat dezelve noch onder de dieren,
noch onder de planten byzonder geftelt konnen
worden, maar een derde geflacht uitmaaken,
dat beider natuur deelachtig is. Alle de horent-
jes,kruikjes, fchulpjes,gewasjes en zee-diertjes,
plantjes, kwabbetjes, kreeftjes „krabbetjes en
andere zaaken op te noemen, zoude voor myn
Lezer verdrietig/zyn ; ik zal (als Godt wil ) daar
na dezen zelfs en op zyn plaats en tyd van
handelen. De plaaten in dit (tuk zyn zeer
naauwkeurig en na ’t leven getekent.
2Ta
Tot een flot van alles, wat Ulyffes Aldro-
wvandus van de Dieren heeft nagelaten , moo-
gen wy ftellen het elfde Deel van zyn Na-
tuurlyke Hiftorie, handelende van de misge-
boortens en monfters, dewelke van andere
befchreven zyn, en ook die gene, dewelke
van hem zelfs waargeromen zyn, onder
de menfchen, dieren, levendige fchepzels en
plantgewaflen, alles met zeer keurlyke plaa-
ten. Dit ftuk is uit de {chriften en afteke-
ningen van Aldrovaudus vergadert, en in 35
er
5 Mollia.
6) Cruftata.
(ce) Zeftacea five Conchylia,
(d) Zoopkhyta. $
‚__ Maart en April 1719. 2OP
der gebragt door Bartholomeus Ambrofinus,
en tot Bologne 1642. #7 Folio gedrukt, en aan
Ferdinandus de IL. Gtoot Hertog van Zoftae
nen opgedragen. Daar zyn achter bygevoegt
voor een aanhangzel alle de aftekeningen van
Dieren, Zwftdten, Vogelen enz. , dewelke in
de ontelbaare aftekeningen vaa Aldrovag=
dus gevonden wierden, en over ’t hoofd ge-
zien waren van de voorgaande Uitgever, al=
les door de voorzorge en arbeid van onzen
Ambrofinus.
\ 28,
Het twaalfde ftuk van den grooten Aldro=
vandus is het Mufieum Metallicum, uitgeko-
men tot Bologne 1648. ix Folio met plaaten.
In dit Werk word gehandelt van de Meraler,
Mineralen en Bergttoften, ’t zelve word gehou=
den voor een van de aldervoortreffelykfte Boe-
ken, dewelke ooit in’ licht zyn gebragt, en is
verrykt met een uitftekende Geleertheid.
20.
Het dertiende (tuk van Aldrovandgs is uitgege=
ven, en by malkander vergadert uít ’s Mans
Schriften door de Hoogleeraar Ovidius Mòz=
talbanus 1668. in Folio tot Bologne , met zeer
fchoone en na ’tleven getekende plaaten. Het
is een Hiftorie van alderhande Boomen en
Boomgewaflen, en derzelver vermaartfte
vruchten. Maar ’% is nietmogelyk, om aan
den Lezer een denkbeeld te geven van de
waardy dezer Boeken en Natuurkundige Ge-
leertheid, dewelke in deze dertien groote vz
Jianten gevonden worden, daarom zal ik te=
genwoordig niets meer van dezelve aanhaalen.
ik
zo8 _Natuursen Konft-Kabinet,
o.
Ik heb Ee ij dat ik myn Lezer het
verdriet aan moeft doen, met een fchets te
doen lezen van een Algemeen Hiftorifchryver
van de Natuur, niet die als Plinius de gehee=
le groote Natuur ( met alles wat daar in is)
getracht heeft te befchryven, maar die gelyk
onzen weergaloozen Aldrovandus een alge-
meene Hiftorie heeft nagelaten, vafì devoor-
naamfte zaaken uit het Koninkryk der Dieren,
uit het Koningryk der aardfche Bergftoffen,
en uithet Koningryk der Gewaflen.
1
Hoe ongemeen wr zaaken onzen Aldro-
vandas ook nagelaten mag hebben, en welk
een menigte zyn grooten Voorganger Coura-
dus Gefnerus (mede een onnavolgbaar algc-
meen Hiftorifchryver van de Natuur, ) zo zal
echter in gevolg van tyd aan de Lezer blyken,
dat haare Nakomelingen (totop dezen huidi-
gendagtoe gerekent) noch ontelbaarder me-
nigte van zaaken door onvermoeide arbeid,
reizen door alle de deelen des werelds, en
Onfchatbaare onkoften , van de natuurlyke
fchepzels en gewrochten hebben ontdekt.
Maar deze Schryvers alleenlyk maar op tetel-
len , en haare enkelde naamen aan te haalen,
zoude een geheel boekje uitmaaken, gelyk ik
in gevolg van tyd zal doen zien. Onder de
oude Heidenen is Plizius de grootfte Natuur-
lyke Hiftorifchryver, onder de nieuwe Schry-
vers en Chriftenen U/yJes Aldrovandus, en
onder alle Schryvers als ook onder de Hei-
lige Schryvers is de oudite Mofes, gelyk zal
blyken
Maart en April 1719. z09
blyken in ’t vervolg, want ik zal van de Na-
tuurlyke Hiftorifchryvers en van de Natuur-
lyke Hiltorien der Oude handelen na ver-
volg , en na de order der tyd rekenkunde.
By voorbeeld, als ik handele van de natuur-
Iyke Hiftorifchryvers en Natuurlyke Hiftorie
der Mebreërs, zalik zulksvan de eerfte oor-
fprong dier Natte tot deszelfs ondergang ver-
volgen van Schryver tot Schryver, of van zaak
tot zaak, en van deze wederom overgaande op
de Mgyptenaaren, Af]yriers, Arabieren, Per-
fen en Grieken, of andere Natien, zal ik elk
_ by zyne Natie vervolgen en afdoen.
_ Van de Oudheid der Natuurlyke Hiftorie,
en eerft van die der Hebreers,
1.
M Ofes is de eerfte, oudfte en waarachtig-
fte Natuurlyke Hiftorifchryver, (zo veel
__aan ons bekent is} dewelke van de Aaloud-
heid aan ons is nagelaten: Het is wel waar,
dat zommige Zhalmudiften van andere Schry-
vers droomen, maar de al te groote vrymoe-
digheid van giffen fteekt in die Schryvers alle.
zins te veel door; zo lang als ook noch nie=
mant bewezen heeft , dat de vyf Boeken van
MMofes van geen Goddelyk gezagzyn , en zo
lang als de oudheid aller volkeren en aller
Schryvers voor de oudheid van Mofts tyd-re-
kening zwichten moeten , heb ik groot en on-
wraakbaar recht om vaft te ftellen, dat Mofes
de oudfte Natuur-befchryver is, die wy overig
hebben.
o Schoon
zio Natuur-en Konft-Kabinet,
2.
Schoongenomen iemant bewees al eens , dat
zommige Boeken onder de ZEgyprifche , He-
breenwfche,Chaldeeuwfche, Syrifche of oude A-
rabifche gevonden waren , dewelke voor Mofzs
tyden, of doen Jacob met zyne kinderen in
LEgypten kwam, of zelfs eerder gefchreven
waren , dat zoude myn gedachte: weinig kon=
nen hinderen; want dewyl MMofes de Schep-
ping van de groote Natuur zelfs befchryft, is
deszelfs Natuur-befchryving of Natuurlyke
Hiftorie in zo ver de oudfte vanalle, dewel-
ke aan ons bekent zyn.
3.
Meeft alle de Geleerde, dewelke aanteke-
« ningen en uitleggingen gemaakt hebben over
Boek Jobs, koomen daarin overeen, dathet
Boek Jobs ouderis en eerder gefchreven, als
de vyf Boeken van Mofes, en dewyl in dit
Boek ook eenige natuurlyke zaaken gemeldt
worden, zoude vervolgens deze Natuurlyke
Hiftorie van Job ouder moeten zyn, als die
van Mofes , maar dit krenkt ook geenzins het
gevoelen , dat /Mofes de oudfte Natuurlyke
Hiftorie heeft gefchreven, want Mofes is by
Jooden, by Ghbriftenen door aanhalingen in
“Nieuwe Teftament, en by Turken voor een
Goddelyk Schryver aangenomen en altyd ge-
houden : en hier uit volgt, dat de Hiftorie
van MMofes de oudfte is, om dat hy van de
Schepping af begint. Al hadde de Geeft Gâds
van dit jaar 1719 (daar wy nu in leven )
voor ons door een menfch laten fchryven en
bekent maaken , wat in de Schepping der groo-
te
Mani èn April tto zr
te Natuur in der Hof van Eden, voör en in-
de Zondvloedt, iù-de Arke, en Kort daar na
enz. onder de Natúurlyke zaaken was vore
gevallen,zoûde zödamig een onfeilbare Befchry-
ving ( wat de zaak belángt) voor de alderoudfte
en eerfte Natuur!yke Hittorie moeten gehou-
den worden, en zoddnig ook zyn en blyven,
dewyl de leeftyd nóch de perzoon van Mofes
ons niet raakt ‚in ’t {tuk van de oudheid zyner
Natuurlyke Hiftorie,
4.
Dat het Boek Fobs zeer oudis, zal niemant
ontkennen, dewyl Job gecsteert word in het
Apocryphe Boek van Tobias , en door Eze=
chiel, en dewyl van zeer veel Heilige Schry-
vers plaatzen worden aangehaalt, dewelke
met zommige plaâtzen van Job gelykluiden-
de zyn, ja Zelfs van Mofeés. Maar de groot-
fte kragt word aan ’t gevotlen vande oud-
heid van ’t Boek fobs bygezet, dat in ’t ge-
heele Boek Jobs thergens eenige melding word
gemaakt van de wéêtten van Mof?s, noch van
_deverrichtingen dert kinderen Ifraëls.
5: |
Zommige zyn van gedachten , dat Jo% zyn
Boek in de Syrifche Taal gefchreven heeft,
en dat Mofes het zelve in de Hebreenwfche
heeft vertaalt, en met eetrige byvoegzels ver-
meerdert ; dit was ouwelings het gevoelen van
Origenes. De Geleerde Biffchop (a) Petrus
Daniel Haet vegt, dat Gregorins Nazianzenus
Salomon de Schryver van 't. Boek Jobs oot-
deeldetezyn, en dat Martinus Lauthêrus dit
O 2 ger
fa) Demonftratio Evangelisa Propofit, IV.
212. Natuur-en Konft-Kabinet,
gevoelen omhelft heeft ; dat wederom an-
dere het Boek PFobs aan de eene of andere
van de Propheten toeeigenen’; dat Frede-
ricas Spanheim oordeelt, dat Job (of zyne
Vrienden ) dit werk als dagelykze aanteke-
ningen heeft nagelaten in de oude Arabifche of
Syrifche Taal, en dat uit deze aantekeningen
ten tyde van Salomon, door een Hebreër of
Jood van die tyd daar de Hiftorie van Jot
(zo als wy dezelve nu hebben ) is gemaakt en
te zamen geftelt, ;
Maar dat Mofes de oudfte Heilige Natuur-
befchryver, dewelke wy hebben, zoude zyn,
word kragtig beveftigt door den zeer Geleer-
den Huetius, want na dat hy alle gevoelens
naauwkeuriggeexamineert heeft, {telt hy vaft,
dar ’t Boek Jobs door Mofes zelfsún zyn jong-
heid is gefchreven, terwyl hy by zyn Schoon-
vader Jethro was , om de Jfraëliten of het
volk van zyne Natie te trooften in haar on-
derdrukking, door de dwingelandy van Pha-
rao veroorzaakt. Hier toe brengt Muetius
veel bewyzen uit overeenkomft van ftylby, en
dat de {taat en elende der kinderen Jfraëls wel
met de Hiftorie van Job overeenkwam , dat
Pharao de Zatan was , en meer waarfchyn=-
Iyke giflingen, dewelke de Lezer daar kan
nazoeken. Dit (zegt hy } is ook het gevoe-
len der Zhalmudiften in Baba Bathra, en van
Rabbit David Kimehi, van Origenes , van
Methodius by Photinus, Polychronius enz.
en ook een menigte van nieuwe Schryvers ;
Ja zommige hebben het Boek Jobs aan de
vyf
ee ne en
Maart en April 1719. 213
vyf Boeken Mofis als een zesde Boek ge-
voegt, en in dit geval, Lezer, zoude Mofes
dan de oudfte Heilige Hiftorifchryver der Na-
tuurlyke Schepzels zyn, die wy hebben , maar
dit gevoelen kan niet doorgaan, dewyl Job
veel ouder is, en omtrent met Caath gelyk
in ouderdom, die de Grootvader van Mofes
‚eneen Zoon van Levi was. Job fchynt gebo-
ren uit Zara Nichtvan Ezau, op dien tyd,
toen Fofeph van de vrouw van Potiphar tot
overfpel wierd aangezocht. Maar dewyl het
Boek PFobs zo zeer niet voor een Natuurlyke
Hiftorie kan geacht worden, als de vyf Boe-
ken Mofis, zullen wy ons aan dat Boek in dit
geval zo veel niet kreunen.
Dat de Boeken van Mafe: de oudfte Boeken
zyn van de gene , dewelke wy over hebben
behouden , blykt noch kragtig , dewyl de
Boeken van Mofes (dat zeer aanmerkelyk is)
de Bron en Fontein zyn, daar de Schryvers
van alle de oude Volkeren uit gedronken
hebben , daar by na alle de Natter van de
geheelen aardbodem haare Afgoden , halve Go-
den, Helden en eerfte uitvinders van nieuwe
zaaken uit hebben verziert. Alle Natien heb-"
ben haare Godsdienften en Oudheden maar
bezwalkt met een mit van verzieringen, ver-
tellingen , fabelen en vermommingen, uit
deze eerfte Boeken van Mofes getrokken. De
Pheniciers, de Zgyptenaars, de Perfianen,
de Grieken, de Indranen, de Thragsers, de
(oude Romeinen, de oude Duitfchers, Gal-
Oo
3 vn den,
214 Natuur-en Konft-Kabinet ,
len, Britanners, Spanjaarden , en zelfs-de
Amertcanen: hebben onder. alderhande perzo-
nagien ,gedaantens en vermommingen, Mofes
goddelyke eer aangedaan „ gelyk onweder-
fprekelyk getoont word van de (a) Biffchop
Huet. 8 kt MS ,
Wie zal ons ook weigeten, dat inde Boe=
ken van Mofes een Nartuurlyke Hittorie. ge-
vonden word, of-een ,Hiftorie der groote
Natuur, daar de eerfte beginzelen van alle
gefchape záaken in de-Baekensvan Mifes ge-
vonden worden > Wy vinden in ZMofes niet
alleen de befchryving van «de {cheppinig der
geheele groote Natuur en dezes. Aardbodems,
maar ook Godskunde en den Godsdienft,
door dewelke de Schepper van zyn Volk wil-
degedient zyn. Wy vindenin dezelve naauw-
keurige Geflacht-regitters en. Hiftorien van
de alderheerlykfte der Natuurlyke Schepzelen,,
namentlyk de Menfchen , en van de geflach=
ten en onderfcheid der dieren;s wy vinden in
dezelve Land-befchryvingen van zeer veele
en verfcheide Landen , mitsgaders een. uit-
muntende Regeerkunde, naauwkeurige be-
fehryving der Leger-tuchten en orders, de
wetenfchap der Wetten en van het recht
en billyk, Weeg- en Meet-konft, Bouwkun-
de , Smids-kontten , Smeltkonft „ Schoen- *
makers- en Leerbereiders konften, Verf konft,
Borduurkon(t,en meer andere Konften en Am-
bachten; lees (gelyk hier van boven dien een
groote menigte andere Schryvers konnen gele-
zen
*
(a) Demonfirat, Evangehca propofit. 17,
ii}
Maart en April 1719. zis
_ gen worden }de meergemelde Biflchop(a) Huet;
en’ zal klaarder opkoomen, wanneer wy na
dezen en in andere twee-maandelyke Kabinet-
tenhandelen van de Natuurlyke Hiftorien ,
Wetenfchappen , Konften en Ambachten der
oude Hebreërs.
9.
Mofes wierd geboren in het jaar na de Schep-
pingo der wereld 2373, en voor de Geboor-
te Chrifti 1611 , wanueer ( na het fchryven van
Demetrius by (b) Eufebius ) Amram de Vader
van Mofes 78 jaaren oud was. Dezen Am-
ram wierd geboren in het jaar na de Schep-
pinge der wereld 2295. en voor de Geboorte
Chrifti 1639. Eufebins getuigt , dat omtrent
dien tyd geleeft zoude hebben ( na ’t fchryven
van veele zyner voorzaaten ) PROMETHEUS,
dewelke de wilde menfchen tot burgerlykheid
hadde overgebragt.
10,
In dezelve tyd, dat Mofes geboren wierd,
regeerde de zestiende Koning van Affyrzen
Spartheus, dentyd van tweeenveertig jaaren,
na de aantekening van Eafebius, en over
(c) Syctonien de veertiende Koning, met
O4 naame
(a) Demonftrat. Euangelica,
(6) IX Preparat. Evangelic.
(c) Sycionia was een klein Landfchap , dat noch
hedendaags als ingelyft legt in ’'t Herrogdom Cla-
ventie onder de Turk , en heeft nu zeer weinig in-
woonders, het legt in't Koningryk Morea, dat een
Byna-Eiland is in Griekenland, en word hedendaags
Bafilica genaamt, maar is meelt vervallen; het was
ouwelings
216 _ Natuur-en Konft-Kabinet, *
naame Marathus, den tyd van twintig jaar,
volgens den zelven Euftbiuns ; en in de le-
venstyd van Mofes hebben noch geleeft de vyf-
tiende Koning van Stcyoz , Echyreus , en heeft
geregeert vyfenvyftig jaar volgens Eufebins,
en de zeftiende Koning over Steyon, Corax,
dewelke volgens Eufebius geregeert heeft der-
tig jaaren, gelyk ook de zeventiende Koning
van Sicyon, dewelke volgens Eufebius vyfen-
dertig jaar regeerde „en Epopeus genaamt wa,
Noch regeerde na Spartheus onder het leven
van Mofes over die van Aflyrien de zeven-
tiende Koning, Afcatades, den tyd van acht-
endertig jaar, volgens de aantekening van
Eufebins. Onder het leven van Mofes heeft
ook geregeert Phorbas, de zesde Koning van
de (a) Argiven, en deze regeerde vyfendertig
jaar, na het getuigenis-van Eufebius ; als ook
de zevende Koning der Argiven, Zriopas ge-
naamt, dewelke na ’t zeggen van Eafebius
zesenveertig jaaren geregeert heeft, mitsga-
ders de achufte Koning der Argiver, Croto-
pus genaamt, dewelke volgeus den meerge=
melden Exfebius eenentwintig jaaren gere-
geert heeft ; ook heeft noch by het leven van
Mofes
ouwelings zeer vermaart wegens de overvloed der
Olyven ; de Inwoondersvan dit Land wierden hyde
Ouden doorgeftreken over haar ongemeene weelde, of
laffe overdadigheid en gemakkelykhied, ’t Isook zeer
geroemt om de liefhebbery der (childerkonft, en isook
de voornaamfte werkwinkel geweeften fchool van de
marmersen albaften, van de metalen en mineralen,
en zeer vruchtbaar in laurierboomen enz.
(a) De Argiven is een volk planting in Griekenland
geweelt,
id
5 7
Maart en April 1719. _ 217
Mofes geregeert Amyntes de achtiende Koning
van Affyrien , en regeerde vyfenveertig jaar.
Onder de leeftyd van MMofes bezat ook Phor-
bas het Eiland Rhodus, en Fob is geftorven
terwyl Moes geleeft heeft, vyfenveertig jaar
voor dat de Kinderen Afraëls uit LEgypten
vluchteden, in zyn hondert negenentachtig{te
Jaar, doen Mofes vyfendertig jaar oud was.
IL.
In hetieven van Mofes, en in het Jaar na
de Schepping der wereld 2426, en voor de
Geboorte onzes Zaligmakers 1558, heeft het
Koningryk van die van Atheren een beginzel
genomen, en de eer{te, dewelke daar gere-
geert heeft, was Cicrops, en de tweede was
Cranaus, die negen jaar, en de derde was
Amphiklyon , die tien jaar regeerde, volgens
Eafebins. By het leven van Mofes ftierf ook
(a) Amram, de vader van Mofes, in zyn
hondert en zevenendertigfte jaar.
12,
Onder het leven van Mofes in het jaar na
de Schepping der wereld 2438, en voor de
Geboorte Chrifi 1546, oorlogden de (4)
Os
Chal-
(4) Ziet Exodus VI: 20,
(4) De Chaldeërs was een volk in t Koningryk
van Babilonien , welker Koningryk Cuarpaza ge
naamt was, en in ’t gemeen Yerachen Caldar , en by
de Turken CurpisranN word genaamt, na het
Betuigenis van Fopannes Leunclavius 5 'tis het ge-
deelte van Babilonien ‚ dat na ’r zuiden ftrekt, ra-
kende aan het woeft Arabie en aan de Perfiaanfche
Golf, het was voor dezen onder her des
er.
218 Natuur. en Konft-Kabinet,
Chaldeers tegens die van Phenicien (a)volgens’
het getuigenifle van Eufebius.
13:
Ik geloof niet, dat al aan myn weet-gie-
rigen Lezer mishagen zal, dat ik mededeel
alles , dat merkwaardig onder het leven van de
Man-Gods Mofes „ by andere Natien is voor-
gevallen, en van de aaloude Schryvers uit de
diepfte duifternis is opgebaggert, dewyl deze
zaaken veel licht zullen geven aan de Natuur-
Iyke Hiftorie des Bybels, en aan de Natuur-
Iyke Hiftorikunde der andere MNatiew, de-
wel-
Perfianen, maar is nu onder de Turken, te weten
geheel Babilanien, In dit land worden de Rivieren de
Tiger en de Euphraat te zamen gevoegt, en des-
zelfs voornaamfte Steden zyn Bagdad, Balfèra, Cu-
Ja, enWaftrum. Vide Ferrarii Lexie. Geogr, litt. Ch.
(a) Phenicie is een Landíchap van Syrie aan de
zeekant, tuflchen het overige van Syrie nade noord»
kant, en Pateftina na de zuidkant. In Phenicie wa-
ren wel eer de wydvermaaerde fteden Zripolis, By-
blus, Tyrus en Sidon, en tegenwoordig noch Fripo-
lis en Barytus. De Pheniciers waseen volk, dat van
de kant van de Roode zee hier wel eer was aange-
koinen , en in verfcheide Provintien gefticht hadden de
fteden Tyrus , Sidon, Thebes, Utica „, Hippo, Lep-
zis, Maffilia en vele andere. Plinius, Lucanus en
andere getuigen, dar deze Phuniciers eerft delerteren
en de konft des fcheepvaarts zouden gevonden
hebben. PAenicie was ouwelings twederley. 1. Het
eigentdyk Phenicie, daar de fteden Tripolis, Boirys,
Byblus, Berytus en Sidon in waren. En 2, Phenicie
van Damafcus, in her welke de fteden Darzafcus,
Heliopolis, Abyla Lyfame , en Cefarea Paneas
gevonden wierden. Vide Lexicon Geograph. Bau-
drandex Suida , Stephano de Urbibus, Strabone,
Plinio Gvc,
Maart en April 1719. 219
welke ikvan tyd tot:tyd ( elk by zyn eigen
gatie gefChikt ) mene af te handelen.
EK 14.
‚By het leven van Moss heeft Dercalion op
den Berg Parzaf/us begonnen te regeren,
in hetjaar nade Schepping der wereld 2442 ,
en voor de Geboorte Chriíti 1542. volgeus
het getuigeniffe van Enfebius, en na de uit-
rekening van den grooten Jezuit Petavius, in
zyn Boek over de Geleertheid der T'yden.
En de vermaarde Zondvloed; dewelke de
Zondvloed van-Deucalion by de Fabeleufe
Oudheid genaamt. word, moeft (_na de aanr-
tekeningen van Clemens den Alexandriner )
voorgevallen zyn in het jaar na de Schepping
der wereld 2470 , en voor de Geboorte van
Chriftus 1514. en voor de brand van Zroyez
330-jaaren.
13.
Op dat gy de Oudheid van Mofes tydreke-
ning, zeer waarde Lezer, zoud ontdekken,
en hoe zeer de Fabelachtige Griekjes en an-
dere Natienhaare Outheden ontleent hebben
uit de fchatten der Hebreeuwfche Wysheid en
Schriften van /Mofes „is het de moeite wel waar-
dig, dat gy aanmerkt, dat de Oude droom-
den, dat Deucalian was de zoon van Pro-
… metheus , aan dewelke (doen hy volwaffen
was) Ephimetheus, dewelke zyn Oom van
… Vaders kant was, zyn eigen Dochter ten
Houwelyk gaf, met naame Pyrrha, Wan-
neer nu deze Dencalion , die Koning van
Theflalte was, regeerde , ontftond (na zyn
droomen) een algemeene watervloed. over
de
226 Natuur-en Konft-Kabinet,
de geheelen Aardbodem, waar door het ges
heele menfchelyk geflacht wierd uitgeroeit „
zodanig nochtans, dat de Koning Deucalion,
en zyn wyf de Koninginne Pyrrha, met haar
beide alleenlyk overbleven , dewyl zy met
haar fcheepje aan den Berg Parnas aan land
dreven , dewyl daar het water eerft fcheen
te vallen. Hier vroegen zy aan ’t Orakel
van Themis om raad , teweten door welke
middelen het menfchelyk geflacht zoude te
herftellen zyn, en kregen tot antwoord, dat
zy de beenderen des grooten Moeders over ’t
hoofd op de grond zouden fmyten. Zylieden
hier doorde fteenen des aardryks verftaande ,
raapten dezelve van de grond, en fimeten de- .
zelve wederom over ’t hoofd, dewelke date=
Iyk in levendige menfchen (zo wel mannen
als vrouwen ) veranderden. Byaldien nu de
Lezer deze Hiftorie niet mochte geloven,
kan hy zelfs dezelve lezen by Ovidius, Vir=
gilius, Manilius, Juvenalis, Lucianus, Pla.
tarchus, Theophilus, en een menigte andere
Schryvers.
1ó.
By het leven van de Man Gods Mofes,
wierd ‘de Stad (a) Corinthe ( dewelke te vo-
ren
(a) De Corinthiers waren ouwelings zo zeer tot
Hoerery genegen, dar zy dat foort van vrouwen in
een groote waarde hielden, en dar zy in haar open-
baare gebeden Venus baden „dar zy doch de hoeren
wilde vermeerderen en bewaren; de vermaarderyke
hoer Lais is een Corinthifche hoer geweelt. Die
Stad is tegenwoordig noch zeer groot en bevolkt,
maar zonder enigelterkte; zy is te voren onder de
Heer-
Maart en April 1718. _zzE
ren Epbira genaamt wierd) gelticht „te weten in
’t jaar nade Schepping der wereld 2463.en voor
de Geboorte van Chriftus 1sa1. volgens Eufe=
bius. Deze Stad legt op Morea, en deelt haar
naam mede aan’t Landíchap Corinthie,zy word
(na het getuigenifle van Leaxclavius) van de
Turken Gereme genaamt, en was voor de-
zen een zeer vermaarde Republyk. De zee-
boezem van Corinthe word hedendaags Golfo
di Lepanto genaamt.
1%:
Petavius (dewelkede T'yd-rekenkunde ten
uiterfte verbetert heeft) tekent aan, dat de zond-
vloed is voorgevallen in ’t jaar na de Schep-
ping der wereld 1655, en voor de geboorte
van Chriftus 2329. en geeindigt met het jaar
na de Schepping der wereld 1656, en voor
de Geboorte van Chriftus 2328. En dewyl
Mofes geftorven is in het jaar na de Schepping
der wereld 2493, en voor de Geboorte on-
zes Zaligmakers 1491, zyn tuffchen de zond-
vloed en de fterfdag van de man Gods Mofes
verlopen acht hondert en zevenendertig jaa-
ren. En dewylde Kinderen Zyraëls in Mgypten-
land geleeft hebben (van zedert dat de Stammen
met Jacob daar in kwamen , totdat zy onder
Mofes daar wederom uitgeleidt zyn ) een tyd
van twee hondert en zeventien jaaren, is het
wel bedenkelyk , dat de Jfraëkten, en ver-
vol-
_ Heerfchappy der Venetianen geweeft, maar nu on-.
‚der de Turken, want de Turkfche Keizer Mahomet
de tweede heeft in *t jaar na Chriftus geboorte 1458
dezelve de Venetianen ontweldigt. Wide Lexton
Geograph, Ferrarii List. Go,
222 Natthur-en Konft-Kabinet;
volgens ook zelfs Moes de Wetenfchappeh ,
Konften, Handwerken en kennifle der Na-
tuurlyke Zaaken van de Zgyptenaaren heb-
ben konnen leeren, behalven de zaaken, de-
welke haare Voorvaderen aan haar hadden
nagelaten. Op dat een onkundige Lezer hier
niet belemmert mag worden met de tydreke-
ning , zal ík noch iets zeggen, want Exo-
dus Kap. xit. vers 40. en 41. AÂor.vir #,6.
en Galaten 1m. y. 17. ftaat wel uitdrukkelyk ,
dat de Kinderen Jfraêls 430 jaaren onder de
flaverny der Zgyptenaaren geleeft hebben,
maar deze tyd moet gerekent worden, ’t
zedert Godt de belofte aan Abraham dede.
Ziet Genefis Xv. f. 13, 14. na welke tyd
Abraham en zyn zaad zoude vremd zyn, en
Onderdrukt worden goo jaaren, waar by ge-
voegt de 30 jaar van de tyd af, dat Abrabhanz
uit Ur der Chaldeenging, doen hy de eerfte
belofte ontfing, zyn dus de 430 jaaren
vervult; en daarom moeften de 430 jaaren
niet eigentlyk noch alleen van J&aëls wo-
ningin ZEgypten, maar ook van haarer V oor=
vaderen woning in Caraan en Mefopotaitie
verftaan worden, gelyk dit van werfcheide
geleerde Lieden getoont is.
18.
Wanneer wy aandachtig letten op de tyd
van een groote zeshondert jaaren, dewelke ver-
lopen zyn tuflchen de Zondvloed en voor
dat Jacobin LEgypten kwam, konnen wy zeer
wel begrypen, dat de Zgyptenaaren tyd ge-
noeg gehad hebben, om een welgeftelt en ben
volkt Koningryk uitte maaken , en om en
vec
Ki
Maart en April, 1719. _ z25
veel Wetenfchappen, Konften , Handwerken
_ en Natuurlyke Hiftorikunde te verkrygen,
als ik na dezen toonen zal, dat bydie Narie
en haar gebuur-volkeren in die tyden bekent
zyn geweeft. Als wy eens’ in aanmerking nee-
men , hoe kragtig wy inveel Konften, Weten=
fchappen en Handwerken in deze laatfte twee
hondert jaaren gevordert zyn, zouden wy
dan niet zeer lichtelyk konnen begrypen , dat
de menfchen over de geheelen aardbodem, van
de Zöndvloed af tot de fterfdag van MMofes,
in een tyd van een geheele acht hondert en
zevenendertig jaaren, onuitfprekelyk veel
in die zaaken konnen gevordert zyn ge-
weeft?
19.
Maar ’t geen de kenniffe der Natuurlyke
Hittorien , Wetenfchappen , Konften en Hand-
werken der Aaloude Mebreën noch meerder
glans byzet, is, als wy begrypen, met welk
een fchat en rykdom van Wetenfchappen ,
Konften en Natuurkunde, Noach (die zo
veel honderde van jaaren voor de Zondvloedet
geleeft hadde) en deszelfs zoonen en huisge-
zin verrykt moet gweelt zyn , doen hy na
de Zondvloedt uit de Arke wederom op
dezen Aardbodem kwam. Waarom zouden
zyne Nazaten, die met een ryke voortteeling
van kinderen gezegent wierden, niet hebben
konnen vermenigvuldigen , en dat ineen tyd
van achthondert en zevenendertig jaaren 8 En
waarom zouden die Nazaten van „Noach,
„dewelke onder her beftier en de leiding Gods
wa-
ma4 Natuur-en Konft-Kabinet ;
Waren , niet hebben overgehouden, en by
overlevering van haare Voorvaderen bewaart
de kenniffe der zaaken en verfcheide konften?
Waarom, vraag ik noch eens, zouden zom-
mige van de Goede (hier en daar onder de
kwaade verfpreidt ) de kennifle der natuurlyke
zaaken ,de Wetenfchappen en Konften vanVa-
der Noach niet hebben konnen voortplanten ?
Dat wy dagelyks , wanneer eenige Verftandige,
eenige Geleerde, of eenige Konftenaars ín een
boerfch en onbedreven land koomen, zien
gebeuren, zoude dat alleen niet waar moe-
ten zyn, noch hebben konnen gebeuren aan
de oude Mebreén ?
20.
Alle de Hiftorien der Aaloude Volkeren,
en alle die voor Uitvinders van Wetenfchap-=
pen , Konften , Handwerken , en kennifle
der Nartuurlyke fchepzels by dezelve geacht
zyn, worden zodanig opgedilt, dat wy door
de minfte van alle haare fabelen, daar zy de-
zelve mede trachten te bedekken of te ver-
heerlyken, zeer lichtelyk heen konnen zien,
dat zy dezelve ontleent hebben van de geleert-
heid van Noach en zyne kinderen, of dat
zy met haarevermomde Perzonagien, Goden,
halve Goden, Helden en uitvinders van zaa- _
ken , niemant hebben befchreven (dog onder
andere naamen ) als zodanige Hebreeuwfche
Perzonen , als reets by de Jooden al lang
voor haare Schryvers befchreven waren, ge-
Iyk ik middagklaar, als ik van haare natuur-
Iyke Hiftorien, Wetenfchappen, Konften en
Handwerken handele, zal toonen. iest
‘der
Maart en April 1719. 225
der Hermes Trismegiftus,of Thaut of Mercu-
rius , haar Jris, Ofiris, haar Zoroafter , en
a
een ontelbaare menigte andere zullen uit haa-
re fehuilhoeken voor den dag gehaalt worden,
en door *t Hebreeuwfche licht der geleert-
heid voor uwe oogen verzwindelen , en in
ydele naamen veranderen; hoewel ik echter
niet zal trachten (als een uitmuntend geleert
Man van de voorleede eeuw ) byna alle uit-
vindingen der Oude aan een menfch (hoe
‚zeer ook onderwezen van Godt ) te weten
aan JMofes toe te eigenen.
Wan het Leven van de eerfte Natuurly=
ke Hiftorifchryver , de Man Gods
Mofes.
5 1.
Te oordeele, dat het zeer nodig is, en veel
nut aan myn Lezer zal toebrengen, dat ik
een korte en klaare befchryving geve van het le-
ven van de alderuitmuntenfte, alder waarachtige
fte, aldereerfte van alle die ons overig zyn,
en van de alderheiligfte Natuurlyke Hiftori=
fehryver en Man Gods Mofés; want, behal=
ven dat myn toeleg is, om door het befchry-
ven van alle deze zaaken te bewyzen, dat de
Boeken van MMofes waarachtig en goddelyk
zyn, en dat dezelve de Fonteinen zyn, daar
naderhand alle wysheid en geleertheid , we=
tenfchappen , oudheden en hiftorien van an-
dere Natten en Volkeren, door haare Schry-
vers zyn uitgehaalt en ontleent, zal ik noch
daar en boven (na en) aantoonen de {chat
en
226 Natuur-en Konft-Kabinet,
en rykdom der Natuurlyke Hiftorien, We-
teufchappen „ Konften en Handwerken der
Aalouden, dewelke in deze Boeken (als in
een onbederfelyke en goddelyke fchatkitt) voor
de nakomelingen ingezult zyn.
ps
De Aartsvader Jacob bragt in Agyptea, 20
t zyne Zoonen alsderzelver Huisgezin (a)
behalven Fofeph) vyfenzeventig zielen, van
dewelke alle ‚de Kinderen Jfraêls , die na-
derhand in zulken groote menigte uit fgyp-
tenland onder het geleide van Mofes vertrok-
ken , voortgekomen waren in de tyd van
217 jaaren. (4) Doe nu Fofephgeftorven was,
ende alle zyne Broeders, ende al dat geflachte,
zo werden de Kinderen Ifraëls vruchtbaar,
ende wieflen overvloediglyk, en zy vermeerder=
den,ende werden ganfch zeer magtig ‚zodat het
Land met haar vervult werd. Daar na flondeen
zienwe (c) Koning op over Agypten „die Jofepb
miet gekent hadde enz. Deze Koning (gelyk
inde volgende verfen van dat Kapittel van Éxo-
dus enz. blykt ) verdrukte de Kinderen 4f=
raëls door fchattingen en kwellingen en ge-
bood, dat alle het mannelyke , dat van de
Vrou-
(a) Ziet Handelingen, Kap. vir... 7.
(B) Exodus 1. 7,6. vor 16.
c) Deze Koning was nieuw ten opzicht van zyn
wyze van regeren, en fchynt een van de vyf achter-
een volgende Tyrannente zyn, dewelke over Z7yp-
ten geregeert hebben , als r. Mezopkus. 2. Oras of
Burfirid. 3. Cecrops. 4. Thermutis. $. Rathoris.
Want de naam van Pharao wâs gemeen aan alle
Koningen van ZEgypten, Dieterici Antiguit,Biblic,
| Maart en April 1719. 227
_ Vrouwen gebaart wierd, in de Rivier moefte
verdronken worden.
Dit gebod was ik, oorzaak , dat Mofzs,
die uit de Stamme Levi geboren was, door
zyn Moeder in de Rivier tuflchen de biefen
wierd gefleld in een toegepekten gelymt kift-
je van biefen, na dat hy drie maanden oud
en zeer fchoon was, daar hy by geval door
de Dochter van Pharao ontdekt wierd, en
_ by zyn eigen Moeder ( dewelke by Pharao's
Dochter voor de Moeder niet bekent was ) ter
opvoeding beftelt.
4. |
… _ Zo haaft als onze Heilige Hiftorifchry-
ver der Natuur een jongeling was gewor-
den, wierd hy aan de Dochter Pharao's we-
derom opgedragen , dewelke hem voor haar
Zoon aannam ; (a) Ende zy noemde zynen naam
Mofe, ende zeide, want ik hebbe hem uit het
water getogen.
Te voren is hk dat Amram de Vader
van Moses was , maar Mofes hadde een
‘Zufter, dewelkeouder wasals Hy. Deze was
Mirjamof Maria genaamt, en wierd ge-
boren in ’t jaar na de Schepping der wereld
2367. en voorde Geboorte van Chriftus 1617.
na de ftelling der Hebreers in de Chronyken.
Behalven deze Zufter hadde /Mofes ook een
ouder Broeder, dewelke AARoON genaamt
was; deze Aarorjs geboren in het jaar na de
Schepping der ld 2370, en voorde Ge-
Bee 4 boor-
(a) Exodus uw. zo
z28 Natuur-en Konft-Kabinet ,
boorte van Chriftus 1614. zo dat Aaron drie
jaar ouder was als Mofes,gelyk gefchreven ftaat.
(a) Enae Mofes was tachtig jaaren oud, en
Aaron drie en tachtig jaaren oud, doe zy tot
Pharao fpraken,
Na dat Mofes onder de Migyptenaars ge-
woont hadde, en als een Zoon van de Doch-
ter Pharao's aan ’t Hof verkeert hadde, en
veertig jaaren oud was geworden, gelyk
blykt uitde () Handelingen der Apoftelern uit
de volgende woorden: Ende Mofes wierd on-
derwezen in alle wysheid der LEgyptenaaren,
ende was magtig in woorden ende in werken.
Als hem nu de tyd van veertig jaaren vervult
was , kwam hem in zjn herte, zyne Broeders
de Kinderen Ifraëls te bezoeken.
#:
Doen Mofes zich op de reis begeven hadde,
en (het Hof verlaten hebbende ) de laft en on-
drukking zyner Broederen de Kinderen Zfraëls
met ongenoegen befchouwde, ontdekte hy by
geval, dat een zeker Egyptenaar een 1fraë-
lyt of Hebreeuwfch Manfloeg. De edelmoe-
digheid het medelyden ontfteken hebbende, en
het medelyden de toorn gaande maakende,
floeg Mofes ( om zyn Broeder te wreeken )
den Egyptenaar , dat hy ftierf, en begroef
hem of ftopte hem weg in het zand.
8
Het geval, of liever de Beftiering Gods
wilde, dat Mofes des anderen daags juift twee
He-
(a) Exodus VIL. 7.
(b) Handel, VII, /. 22, en 23, enz.
Maart en April 1719. 229
Hebreeuwfche Mannen zag twiften : datelyk
deed zich wederom een uitwerking van de
rechtvaardigheid en edelmoedigheid op in de
Geelt van Mofes. (a) Ende hy zeide tot den
ongerechtigen, waarom [laat gy uwen naaften ?
Maar deze van het ongeluk van MMofes met
de Mgyptenaar kennis hebbende, verweet de
manflag, dewelke daags te vooren gebeurt
was, aan Mofes, die deze zaak ter herten
nam, en wetende, hoekwalvyk dit aan’t Hof
en by Pharao luiden zoude, de vlucht nam,
na het Landfíchap Midian, of Madian by de
Madtaniten.
9.
De Geleerde Samuel Bochartus (b)toont,
„dat Midraz in het ftenig Arabier legt, dathet
Land van Chus en Madia een en het zelfde
was, dat. deze Volkeren met verfcheide naa-
men, die een en hetzelfde betekenden, wier-
den genoemt, als de Chufiten, Madtaniten,
Jfmatliten, Sceniten, en in latere tyden de
Saracenen. Dit Landfchap Chus ( daar Madt-
an in is) daar ZMofes de vlucht na toe nam,
legt aan de Arabifche zyde na de boven
kant van’t rode Meer , aan * gelukkig Arabien;
dit Volk is van een bruine koleur, en word
„van veel hedendaagze Schryvers de Saracenen
of Mooren genaamt, en (trekt zich uit tot Me-
dina en Mecha. Zy zyn atkomttig van Cas,
daar Mofes van fpreekt: (c) Ende Chams zoon
3 nen
(2) Ziet Exodus Kap. II. 7.13.
(4) Vid. Phalez. Lib. 4. Cap.r.
te) GenefisKap. X. w. 6.
230 Natuur-en Konft-Kabinet,
nen zyn; Cus ende Mifraim, ende Put, en.
de Canaan,
re, 1:
Dat de Sta DIAN; daar Mofes na
toe gevlucht was, ín Arabien aan de oever
van de rode Zee gelegen was, blykt uit (4)
Fofepbus, uit (b) Hieronymus , uit (c) Pro-
lomeus , uit Bochartus op de plaats van my
aangehaalt, en (alshet nodig hadde) uit veel
bewyzen. Dit Volk woonde meeft onder
tenten , en waren halve roofvogels. Het is
uit de oudfte Schryvers wel klaar te bemer-
ken, dat deze Chufiten ‚ Madianiten en If-
matliten enigzins verfcheide Volkeren wa
ren, om verfcheide betrekkingen , maar zy
woonden als vermengt onder malkander , en
zyn eindelyk ín eene Natte te zamen gefmol-
ten, dewelke lang daar na de Saracezen ge-
naamt wierden. Dit Landfchap van Arabie
word hedendaags Hegias genaamt, en fcheidt
het fteenachtig, Arabie van het gelukkig Ara-
bie, en hoort (cigentlyk genomen.) aan geen
van beiden ; dit Hegtas word verdeelt in ’
Hegias van Medina, en in t Hegtas van.
Mecha: dit Volk was by oude tyden zeer tal=
ryk en machtig „ maar zeer veracht. De
naam van Chus, dat ouwelings het geheele
Landfchap betekende, is nu by de Arabieren .
geheel onbekent, maar zy hebben de riaam
van Chus verandert, en noemen ’t hedendaags
Chafthafa.
ij De
(a) Fofephi Anfigg. Lib.2. Cap.s.
(b) Hieronymus de Loc, hebr,
(c) Prolomeus Lib. 6: Cap. 7e -
Aen
Maart en April 1719. 231
Éb.
De naam van dit Volk (te weten deze Sa-
racenen of Sarazynen ) was voor dezen die van
de SCENITEN , dat een en ’t zelve Volk is.
Dewyl dit (oort van Arabieren uit een zamen-
loop van alle de naaft-gelegene Liandfchappen
beftaat, en in haar zelven zeer veel is onder-
fcheiden, eneen groot Land bewoont, heeft
zuks veel belemmering veroorzaakt aan de
Geleerde ‚door de verfcheidenaamen, daar zy
mede genaamt zyn: maar door derzelver over-
oude algemeene naam van Scextten , en in
latere tyd en noch hedendaags van Saracexese
worden zy alle in een begrip door betekent.
12.
Dat de Man Gods Mofes gevlucht was in
dit gedeelte van Arabie, daar deze Saracenez,
of Chufiten of Madiantten woonden, blykt
zelfs uit Zippora, de Vrouw, die Moes daar
trouwde, te weten de Dochter van de
Priefter van Madiaz, met naame Jethro;
want Mirjam de Zulter, en Aaron de Broe-
der van Mofes (4) verweeten aan Mofes, dat
hy een Chufitifche Vrouw getrouwt hadde,
waar door Mirgam van Godt met (4) me-
Jaatsheid geftraft en zeven dagen buiten het
Leger (c) geplaat(t wierd , dog door.de voor-
bidding van Mofes wederom genezen wierd.
„Ook kwam (d) Jethro de Priefter van Min
„dian of Madian (de Schoonvader van Mofes )
P 4 bv
(2) Ziet Numer, Kap. XII. . x.
(4) Ziet Numer, Kap. XIL wro.
(e) Nummer. Kap. XI... 15.
(d) Exodus Kap. XVI.» t.enz.
ln
232 Natuur-en Konft-Kabinet,
by Mofes, doen hy by Horeb gelegert was in
de Woeftyne, en dit was het zelfde Land.
Ook vinden wy, (a) dat Mofes zyn Vrouws
Broeder Hobab, die een Zoon van Jethro of
Reguel was, nodigde om mede op te trek:
ken na ”t Beloofde Land, en als Hobab zulks
weigerde , zeide Mofes „en verlaat ons dog niet:
want dewyl gy weet , dat wy ons legeren in
de Woeftyne , zo zult Zy ons tot oogen zin.
Een blyk , dat Hobab in dat land bekent was.
Ook weide Mofes de kudde zyns Schoon-
vaders aan deze Berg Horeb, doen Godt in
een Braambofch verfcheen, en aan JMofes
zelfs zeide, dat hy Godt wederom aan dezen
Berg dienen zoude, als hy de Kinderen Zfraëls
uitgeleidt hadde.
13.
Dit Midian of Median was een Stad of
Plaats van de zelfde naam , als het Land{chap
zelfs, en hier mag wel aangemerkt worden,
dat wy twederhande plaatzen vinden, de-
welke Midia BE Madtan genaamt worden,
gelyk als 1. it Land der Moabiten aan
(U) dees zyde der Fordane van Jericho, en ten
2. Madtan aan de rode Zee, of dat gedeelte
van Arabie na ‘t ooften, gelyk (ec) Bonfre=
rius en andere Geleerde Mannen aanwyzen.
En dit laatfte Madian was de plaats, daar
Mofes gevlugt was, en twee Zoonen gewan
by zyne Huisvrouw Zippora of Zephora, van
de.
(2) Numer. Kap.X. YY. 29,30, 3I, 32
6) Numer. Kap. XXIL . 1. en 4.
5) Onomaftic. Urbium &* Loc. Sac, Ser, lit M,
Maart en April 1719. 233
dewelke de oudíte Zoon genaamt wierd
GERSOM, en de jongfte ELIEZER.
Hieronymas vegt by den zelven Borfrerius,
dat Madran legt ineen woeftyne van de Sa-
racenen of Sarazynen, aan ’t ooften van de
rode Zee, van welke de Madianiten en
het Landfchap Madianie genaamt word; en
Enfebius regt, nu word die Stad Madiane ge-
naamt. Het is naauwlyks te vermoeden ,
hoe zeer verfcheide voortreffelyke Geleerde
Lieden dwaalen, in deze twee Landfchap-
pen riet wel te onderfcheiden, de Hiftorie
van de eene gedurig voor de andere nemen-
de, en daarenboven dikwils alle beide voor
een Landfchap alleen.
I4.
Myn beftek laat niet toe, om naauwkeu-
‚_riger en omftandiger het Leven van den groot-
ften en aldereerften , en uitmuntenften Na-
tuurlyke Hiftorifchryver en Man Gods Mofes
mede te deelen, ook zal ik gelegentheid ge-
noeg krygen in de volgende verhandelingen
van de Natuurlyke Hiftorien, Wetenfchap-
pen , Konften en Handwerken der aaloude
Hebreers, om het geheele leven van Mofzs
naauwkeurig en omftandig af te handelen.
Hier zal ik maar alles in ’t kort laten vol-
gen.
ifs
Als Mofes nu (a) veertig jaaren lang in dit
Bt woefte
la) Het is aanmerkelyk , dat 2Zo/ès op zyn veer-
tig jaar elke reis een zeergroore verandering onder-
ging ; in het laat{te van zyn eerfte veertigfte jaar vluch-
/ te
23 Natuur-en Konft-Kabinet,
woelte land of Woeftyne gewoont hadde,
of in of omtrent Madras, ea inzyn tachtigite
jaar oud was, weide Mofes aan de Berg Ho-
reb dicht by de Berg Zina: ( of na ’t fchryven
van zommige Zina zelfs, hoewel dezelve by
de meefte Schryvers en Kaarten als twee ver-
fcheide Bergen genomen worden ) zyn
Schoonvaders kudde, ende de Engel des
Heeren verfcheen hem in een vlamme des
viers uit het midden eenes Braambofchs;
dit gefchiede in ’t jaar na de Schepping 2452,
en voor de Geboorte van Ghriftus 1532, en
was de eerfte maal , dat Godt zelfs met Mo-
fes {prak by den Berg Zine:, welke plaatze
God heilig noemde, en ZMfafes gebood niet
te naderen als met ongefchoeide voeten.
ró.
Godt vermaande hier aan Afofes , dat hy
zoude wederkeeren na zyne Landslieden de
Kinderen Ifraë/s „om dezelvere verloflen,maar
Mofes, dewelke zyn klein vermogen altyd er-
kende ‚beriep zich op zyne geringheid „waar op
Godt met twee tekenen zyn geloof verfterk-
te, veranderende zynen ftaf in een levendige
flange, en zyne hand melaatfch makende,
en dezelve wederom datelyk heritellende.
Dog Mofes, aan dewelke geboden wierd
voor
te hy nade Woeftyne ‚ na dar.hy in Zgyptenland
‘veertig jaar gewoont hadde ; het laarfte van zyn
tweede veertigfte jaar komt hy wederom in Zzyp-
zen, en doet de wonderen voor Pharao, «en verloft
de Kinderen Z/raêls uit haare verdrukkingen; en
op hert laatfte van zyn derde veertigfte jaar frerft
Mofes, ond zynde hondert twintig jaaren.
EE O7
Maart en April 1719. 235
voor Pharao te moeten fpreken , maakte
een uitvlucht op zyn belemmertheid van
fpraak , tot dat eindelyk Godt aan hem be-
loofde , dat Aaron ( zyn Broeder.) door zyne
‚welfprekentheid hem te hulpe zoude koo-
men.
17.
Na dat Mofes met zyn Huisvrouw en beide
zoonen zich op reis begeven hadde, wierd hy
aan den Heiligen Berg door Aaroz zyn Broe-
der ontmoet , dewelke volgens bevel Gods
uit Zgyptenland optrok „ en Mofes te gemoet
teisde ; van “waar zy gezamentlyk in Zigyp=
genland kwamen, en het volk tot de uittogt
__aanmaanden , en van haar groot vermogen
overtuigden door wonderen en tekenen.
18.
Na dat nu alle de plaagen Gods, en de
wonderen van Mofès( £Egyptenland overgeko-
men ) aan Pharao bekent waren, ging Mofes
met alle de Kinderen Jfraêëls, en veele dewel-
ke het Leger volgden, uit de flaverny-der
LEgyptenaaren , 1yide yuilt 2477 jaaren, nadat
Facob met de ftrammen in Mgyptenland geko-
men was. De eerfte dag kwam het Lueger
van RAMESES tot Succora. Detwee-
de dag legerden zy in ErnAM , daar de wolk-
_ eolom des daags en de vier-colom des nachts
zich voor haar aangezicht voor de eerítemaal
opdeeden ; hier van daan reisde het Lieger tot
PriacHiRotTHu, haar derde leger-plaatrs, daar
zy zich ter nederplaatften aan de Rode Zee.
Maar dewyl Pharao haar met zyne krygs-
magt najoeg en achterhaalde, gingen zy zie
e
236 Natuur-en Konft-Kabinét,
de Zee, daar de Koning van Agypten met zyn
geheele Krygsmagtin verfinoorde, terwyl het
Leger der Jfraêliten aan den OvER-OEVER
der Zee zich nederfloegin haar vierde leger-
plaats: van daar kwamen zy tot MARA,
daar zy haar vyfde verblyf-plaats hielden: van
daar kwamen zy tot ErL1Mm, de zesde leger-
plaats, daar zy (na groote dorft en ongemak
doorgeftaan tehebben ) twaalf waterfonteinen
en zeventig palmboomen vonden. Dezevende
Legerplaats was wederomdicht byde Rope
Zee, byeen inham van dezelve: en de acht-
fte legerplaats namen zyinde WoESTYNE
Zin, dietuflchen Elim ende Berg Zinat in
legt.
19.
Doe Mofes de it iidereh Ifraëls in deze
Woeftyne geleidt hadde, en dat haár ípyze
ontbrak , genoten zy hier voor de eerfte maal
het MANNA , dat tot haar lieder fpys als
eenen dauw uit den Hemel nederviel, en haar
geheele legerplaats wierd met kwakkelen be-
dekt. De negende legerplaats was in Dorn-
CA: de tiende in Arus: de elfde in Ra-
PHIDIN: hier ontítont een murmurering on-
der de Kinderen Jfraëls, uit gebrek van wa-
ter en grooten dorft, maar Moes floeg met
zyne ítaf of roede op een Rotsfteen, ende
daar ontíprong een fontein van goed water.
Terwyl het leger in Raphidin gelegert was,
wierden zy aangevallen en beftreden van
Amalek ‚ dog Amalek en zyne Krygsknech-
ten wierden onder ’ beleid van de Veldheer
Jozua geflagen,
Na
‚Maart en April 1719. 237
ds Be 20.
__Na de overwinning tegens Amalek, kwam
in ’t Leger tot Raphidin, om Moftste verwel-
koomen en te bezoeken , JeTuHrO de Prie-
fter van Midian of Madian (de Schoonvader
van Mofes,) met ZePHORA de Huisvrouw
van Mofes, en zyn beide Zoonen GER-
SoMenEriEzeERr, (want Mofes hadde haar-
liedente voren na Vader en Grootvaders huis
gezonden, waar uit zeer klaar opkomt, dat
“fethro niet ver van dienBerg Zinai moet ger
woont hebben,
‚ar
Doen deze Pllter Jethro de gerichts-be=
handeling en regering van MMofes over het volk
Ifraëls zag, zeide hy tot JMofes. (a) Gy zalt
geheel vervallen, zo wel gy, als dit volk,
welk by u is: want deze zaak is te zwaar
woor u „gy alleen en kontze niet doen. Weeft
gy voor het volk by Godt, ende brengt gy de
zaaken voor Godt. Ende verklaart heu de in-
flellingen ende de Wetten: Ende maaktze be=
kent den weg, daar zy in wandelen zullen,
ende het werk, dat zy doenzullen. Doch ziee
omme onder alle den volke, na kloeke Man-
nen „ Godt vrezende , waarachtige Mannen, de
gierigheid hatende: fleltze over ben, Overfte
der duizenden , Overfte der honderden, Overfte
der tienen. Dat zy dit volk tot aller tyd rich-
ten. Deze Mannen zouden de magt hebben ,
om alle kleine zaaken af te doen, maar de
groote zaaken moeften voor Mofes zelfs
koomen.
De
(a) Exodus XVIII, w. 28, 29: 20, 2%,
(a)
F
238 _ Natuur-en Konft-Kabinet ,
22.
De Man Gads Mofts ‘volgde in alle die
zaaken den raad van zyn Schoonvader Jethro,
en leide vervolgens de eerfte Fundamenten van
zyne Republyk in dezelfde legerplaats RA-
PHIDIN. Van Rapbidin vertrok het Le-
ger, en kwam by de Berg Zinat, daar zy ne-
derfloegen in haar twaalfde verblyf- of lee
gerplaats , in de Woeftyne van Zina of
Zinai.- Hier maakte Godt een nader verbond
met zyn volk het zaad Jacobs, heiligde den
Berg, en verboodt niemant op te koomen, als
Mofes, om hem tegenaaken, en gaf aan den
volke de tien Geboden, en een groote me-
nigte Wetten van Staats-beftier , en Gods-
dienftige plichten , onder hét geluit van grouw-
zaame donders en het gezicht van vier. ZMo- -
fes bouwde aan -de voet van den Heiligen
Berg Zinai een Alvaar „en rechte twaalf Co-
lommen op, na de twaalf (tammen Jfraëls,
na dat hy alle de Wetten en Geboden Gods
in een Boek hadde opgefchreven , het welke
hy den volke voorlas.
23:
Dewyl myn oogmerk is, de Natuurlyke
Schepzels , Natuurlyke Hiftorikunde, We-
tenfchappen, Konften en Handwerken, de-
welke zo in de Boeken van ZMofes ‚als in die der
oude Hebreen gemeld worden,na dezen van tyd
tottyd, doch alles beknoptelyk , zo wel als ook
van de andere alderoudf{te volkeren te befchry-
ven , hebbeik nodig geacht , elke verblyf-plaats
Ta-der Kinderen Jfraëls, benevens een klein
bula Ee Kaartje (a), daar alle de plaatzen in uitgedrukt
5 .
ftaan,
Maart en April 1719. 239
+ ftaan, mede te deelen, en haar tydrekening
aan te tekenen : want het is noodzakelyk ,
als wy deze dingen ín de grond trachten te
verftaan, dat wy haare oudheid, en de landen,
daar zy of eerft gevonden , often minften door
de Schryvers eerft bekent zyn gemaakt, be-
hooren na te vorfchen.
24
Uit deze en diergelyke aantekeningen zal
de Lezer konnen gewaar worden, waar en
uit welke landen, en van wat volkeren eigent-
Iyk de kennifle der Natuurlyke Schepzelen,
Natuurlyke Hiftorien, Wetenfchappen, Kon-
ften en Handwerken haar oorfprong hebben
gekregen, van wie en in welke landen dezel-
ve gevonden zyn. De Landen, Wateren,
Rivieren, Bergen , Saizoenen , Gewaffen,
Dieren , Metalen , Mineralen , Edele Ge-
fteentens , Kontftftukken , Wetenfchappen ,
Landbefchryvingen, Konflen en Handwer-
ken, dewelke in deze zeer aaloude Boeken
van Mofes, en noch verder in de aaloude
Boeken der Heilige Schryvers voorkoomen ,
en gemeldt en befchreven worden, zyn zo
menigvuldig en verfcheide, dat ík hier (om myn
kleyn beftek ) dezelve niet by de naam kan op-
tellen. 24.
In het jaar na de Schepping der wereld
2454, en voor degeboorte van Chriftus 1530,
en nâ deuitgang uit Migypren 2, heeft Mo-
fes den Fabernakel opgerecht , en op dezel-
ve tyd Aaron en zyne Zoonen geheiligt, ge-
zalf, en de Geeftelyke of Priefterlyke gewaa-
den aangetrokkens na welke tyd het Lueger is
ver-
240 Natuur-en Konft-Kabinet ,
vertrokken uit de Woeftyne van Zizai , en
gekomen in haar dertiende Legerplaats, inde
Woeftyne van PARAN: en van daar in de
veertiende Liegerplaatstot ASSEROTH: en
van daar in de vyftiende Legerplaats tot RirH-
MA : in dezeltiende Legerplaatstot RiMMoNs
Perez: in de zeventiende Legerplaats tot
LiBNA: in de achtiende Legerplaats tot
Kissa: in de negentiende Legerplaats tot
KEHELATHA: in detwintig(te Legerplaats
in ’t gebergte SAPHER: in de eenentwintig-
fte Legerplaatstot ARADA: in de twee-en-
twintigtte Legerplaatstot MAKELOTH: in
de drie-entwintig(te Legerplaats tot THa-
CHATH: in de vier-entwintigfte Legerplaats
tot TrARAH: in de vyfentwintigfte Leger-
plaats tot MitTHxKa: in de zesentwintigfte
Liegerplaats tot HASMONA: inde zevenen-
twintiglte Legerplaats tot MosEROTH: in
de achtentwintigfte Liegerplaats tot BENE-
JAAKAN: in de negenentwintigfte Leger=
plaats tot HoR-GIDGAD : in de dertigtte
Legerplaats tot JoTBATHA: in de de een-
endertigfte Legerplaats tot ABRONA: inde
twee-endertig{te Legerplaats tot EZEON-GE-
„BER: indedrie-endertig(te Legerplaats kwa-
men zy wederom inde Woeftyne Zin of Zi-
aat, Inde vierendertigfte Legerplaats aan de
Berg Hor of Horen. Doen ftierf Aaron
op dezen Berg in zyn hondert en drie-entwin-
tigfte jaar, en het Leger kwam in zyn vyf-
endertigíte Legerplaats tot ZALMONA: en
in de zesendertigfte Legerplaats tot PHUNON:en
in de zevenendertigfte Liegerplaats tot ak ;
n
ee.
„Maart en April 1719. 241
en in, de achtendertigfte Legerplaats aan de
heuvelkens ABARIN, in de landpaalen van
Moas: en in de negenendertigfte Legerplaats
tot DiBONGAD: eninde veertigfte Lueger-
plaats tot ALMON-DiBLATHAIM, nâ
dat zy by de veertig jaaren in de Woeftyne
omgezworven hadden. In dit veertigtte jaar
ftierf Mirjam de Zulter van Mufes, te weren
na de Schepping 2492. voor Chriftus Geboor-
te 1492, na deuitgang uit Aigypten 49 jaaren.
k 6.
2
Op het laatfte van dit veertigfte jaar, en na
de Schepping der Wereld 2493, en-voor de
__ Geboorte Chrilti 1491 gebood Godt aan Mo-
fes, dat hy de Berg Abarin zoude opklimmen,
_ sen van daar befpiegelen het Land, dat aan de
Kinderen, Zfraëls belooft was, en heeft zyn
_ voorige Dienftknegt Jozua tot zyn Navolger
in de ‘Regering aangeftelt En doen fprak
Mofes voort volk alles, wat in zyn vyfde Boek
(DEUTERONOMIUM) telezenis, en klom
op-den Berg Nebo in: de landpaalen Moabs,
alwaar hy ftierf in zyn hondert en twintigfte
jaar, en van Godt in een onbekende grafíte-
de begraven wierd,
a
__ Uit deze zeer korte Befchryvinge van het
leven van ZMofes blykt klaarlyk aan den Le-
zer „ dat Mofes maar veertig jaaren in ZEgyp=
denland gewoont heeft, en tachtig jaaren in
deze Woeftyne, ende in en omtrent de Lan=
den der Chuziten of Madianten, of die telf=
de Arabieren, dewelke namaals en heden=-
daags Sarazyzen of Saracenen ‚genaamt wor-
cn den;
z4z __Natuur= en Konft-Kabinct,
den; het welk ik den Lezer aânmane om op
te merken, dewvyl ons zulks na dezen in de
opheldering der oude Natuurlyke Hiftorien,
Zaaken, Konften, Handwerken enz. veel
licht zal’ geven:
28.
Ik zal in, deze twee maanden van het leven
van Mofes niet meer fpreken ; maar als, ik ia
% vervolg van de Natuurlyke Hiftorien,
Wetenfchappen , Konften en Handwerken
der.oude Mebreërs handele , zal den Lezer
allenskens een volflagen denkbeeld des Lie-
vensbefchryvings van den eerften en. Heiligen
„Natuurlyke: Hiftorifchryver. {Mofes zien aan-
groeyen; en, geboren, worden ; mitsgaders
de levens van alle de oude Hebreërs „dewel-
ke in de kenniffe der Natuurlyke Hiftorie heb-
ben uitgemunt.
Wan:de Gedaante envan de Uitbeel-
dingen van Mofes.
Y zommige van de aaloude Schryvers
A worden eenige omftandigheden van {Mofes
Gedaante gemeldten gevonden, dewelke veel
gelegentheid hebben gegeven „dat in de lätere ty-
den , zó ín penningen als witgehouwe of gefchil-
derde úitbeeldingen , verfcheide gedaantens van
_Mofes uitgedtukt zyn, als by voorbeeld: Pzo-
“lomeus Chenuits fchryft, dat Mofes ALPHA
genaamt ‘wierd, om dat zyn: lichaam met
fchûrft en fchilferachtigheid bezet was: het
zelf-
Maart en April 1719. 243
zelfdegetuigt ook (a) Helladins Bizantinous,
en Artapanus , dewelke een verhaal van de
Jooden heeft nagelaten, waar uit Alexander
by, Zufebins eenige zaaken heeft uitgefchre-
ven.
Van deze Befchryving van Artapanus wor-
den eenige dingen gevonden by Clemens, en
inde Alexandrynfche Kronyk, gelyk te vinden
isby (4) Huetius, namentlyk, dat Mofes was
lang van perfoon, ros van hair , blank van
vel, met lang hair en een achtbaar wezen.
2.
De Oudvaders en veele andere Geleerde
Mannen hebben getracht te bewyzen, dat de
oudfte Volkeren haar eerfte Koningen, Go-
den, Helden, Grondleggers en Uitvinders
van groote Zaaken, zodanige Eigenfíchap-
pen’, Hoedanigheden, Wetenfchappen, Uit-
vindingen, Konften , Regeerkunde, Verrich-
tingen hebbentoegefchreven:, dewelkezy alle
meenden te konnen bewyzen , dat met de
eigenfchappen , hoedanigheden , gevallen , we-
tenfchappen, konften , uitvindingen en daaden
van de Man Gods Moses over een kwa-
men, en dat zy derhalven op een fchaduw-
achtige en fabeleuze wyze de waarachtige
Oudheden der oude Jooden hebden ontleent,
en dus haar eigen zo gemaamde Oudheden,
Volks-oorfprong „ Helden, Koningen, Uit-
vinders, door dezelve verbeeldt, Want het
kan aan geen Man van Letteren, onbekent
Q 2 zyn,
(a) Vide Eius Chreftomatls. apud Photium, Cod, 145,
179. "4
(£) DemonftratioEvangelica Propof.IV.
\
v
244 Natnur-en Konft-Kabinet ,
zyn, dat ouwelings de Schryvers byna van
elke Natie om ftryd bezig waren te bewyzen,
dat de eere van het oudfte Volk te zyn alleen-
lyk aan haar Natie, en aan geen andere toe-
kwam.
De uitmuntende ei Fribamereirad Biffchop
Huetins tracht uit, zeer veel aaloude Schry-
vers te bewyzen, dat de oude Heidenen, de
LEgyptenaaren, Grieken, en een groote me-
nigte andere niemant anders hebben uitge-
drukt (fchoon zy door de fabeleusheid en tyd
zelfs verblind wierden ) als de Man Gods
Moses, door alle de volgende Naamen,
te weten: 1. TneutuH of TnoruH, die
in latere eeuwen ook Hermes Trismegiftus is
genaamt. 2. Apas. 3.ORUS. 4. Osiris.
5. SERAPIS, 6. ANUBIS. 7. APOLLO.
8. EscurarPius. g. FAUNUS. 10.
CecRrops. tr. EvANDER. 12. Báac-
CHUS. 13. ADONIS. 14. AMPHION. IS.
MERCURIUS. 16. ORPHEUS. 17. PAN.
18. SILVANUS. 19. PRIAPUS, 20.
VULCANUS. ar. TYPHON. 22. VER"
TUMNUS. 23. T HAMMUS. 24. PERSIUS,
25. PROMETHEUS. 26. PROTEUS. 27.
ARISTEUS. 28. EumoLrPus. 29. JA-
NUS. 30.LiNus. 31. MARNAS. 32. R0-
MULUS. 33. Musaus. 34. MNEvi1s.
35. Tiresras. 36 Minos. 37. RHA-
DAMANTUS. 39. Eacus, en noch veele
andere.
4
Ik durf wel toeftaan, dat deze rak Sf
' \ es
Maart en April 1719. 245
Geleerde Biffchop zeer kragtig bewezen heeft,
dat de Oude zeer veele van de bovengemelde
(met haare fabelverzieringen omzwachtelt en
verduiftert)zodanig hebben uitgedrukt „dat de-
zelve ret zommige hoedanigheden van Mofes
ovEreenkoomen , en door overlevering hier
door Mofes hebben uitgebeeldt, en deszelfs
zaaken , eigenfchappen , verrichtingen, uit-
vindingen aan haar eerfte Koningen , Hel-
den, uitvinders, of verzierde Goden hebben
toegepalt; maar in alle die bovengemelde
zoude zulks ( om veel redenen, dewelke ik
na dezen, als ik van die Volkeren fpreek , zal
toonen) geen plaats konnen hebben. Wy
moeten onze bewys-redenen, om de Schrif-
tuur op te helderen en te bewaarheden, niet al
te ver zoeken. Wy hebben genoeg onwe-
derfprekelyke bewyzen, voor de waarheid en
oudheid van Mofes, en van de zaaken, de,
welke in Mofis Boeken gevonden worden.
Ik meen, dat ik nadezen, onder de verhande-
lingen van de Natuurlyke Hiftorien, We-
tenfchappen , Konften en Handwerken der
Boeken Mo/is, en alle andere Heilige Boe-
ken (als de vrywillig regerende Godt my in
het leven Ípaart ) de Goddelykheid en Aal-
outheid van deze Boeken zo klaar zal too-
nen, dat geen Man , dewelke niet brutaal
is, daar aan zal durven of konnen twyfe-
len.
TE
Onze Heilige Natuur-befchryver de Man
Gods Moses vinden wy op verfcheide
ftukken uitgebeeldt in Stazzen , in Schilderyen,
3 Kop
246 Natuur-en Konft-Kabinet,
op Penningen , Beeldwerken „en zelfs gegra-
veert in koftelyke edele Gefteentens. Zom-
mige van de oude en latere Volkeren hebben
Mofes uitgebeeldt met twee hoornen, andere
hebben de hoorens verwiffelt in twee licht-
ftraalen, dewelke op de plaats, daar andere
Ere de hoorens doen uitíteken, de dikke lichtftraa-
Fri, len doen uitgaan, Ziet de eerfte verbeelding
her Jed
3 in de (a) Figuren 1, 2, 3- en de tweede uit-
Fig.4, 5. beelding in de Figur. 4,5. vande Tabula ar.
6
Als wy een uitbeelding zoudengeven , de-
welke overeenkomftig was met de Befchry-
ving uit de H. Schrift, zoude het geheele aan-
gezicht van Mofes met fterk licht glinfteren-
Fig.6, de moeten uitgebeeldt worden, als in Figur.
6. uitgedrukt ttaat,
je
„ Wanneer wy onze gedachten veftigen op
de tyd, in dewelke Mofzs geleeft heeft, en
de eeuwen , dewelke die uitmaakt voorde Ge-
boorte onzes Zaligmakers, en de Gewoon-
te der Bgyptenaaren en andere oude Volke-
ren, van byna alles in beelden uitte drukken,
zoude het niet onmogelyk fchynen, dat wy
noch wel uitbeeldingen onder deze of gene
verkeerde naam zouden konnen hebben , door
overlevering van de eene op de andere, de-
welke met de gedaante van Mofes over een
kwamen; maar het zoude ons zwaar vallen,
om
(a) Aan deandere zyde van de Penning van Mo-
Jes, Fig.6. {taat met Hebreeuwfche lerters in 't He-
breeuw{ch: Ik ben de Heere uwe Godt, die u uit
LEgyprenland geleidt hebbe.
Maartsen April 1719.” _ 247
om dezelve met zekerheid te kennen. „Voor-
waar Lezer, wy hebben van audere zeer ou-
de en groote Perzonagien wel uitbeeldin-
gen, dewelke voor zeer agzerbigue, worden
gehouden.
Ik zal over de zaak van de uitbeelding van
Mofes myn eigen oordeel alleenlyk niet. be-
touwen, maar raad vragen aan de aldervoor-
zichtigfte en grootfte Kenders van diezaaken,
enderzelver advis getrouwelyk aan u mede
deelen. De Hoog-edele ‚en Hoog-geleerde
Baron en Koninglyke Ambaffadeur Eze-
CHIEL SPANHEIM (a) zegt ronduit, dat
het uitbeelden van MMofts, zo in fchilderyen,
gravering, fteenen en flaren , âls pennin-
ge, met twee hoorens, van veel later tyd en
jabrycg is, als de outheid van de Man Gods
dofes: pn /
9. d
Deze uitftekende geleerde Man en Oudheid.
kender ftelt valt, dat deze verkeerde uitbeel-
ding van Mofes met twee hoornen, véroor-
zaakt is uit een kwade overzetting van, Exo-
dus Kapittel 34-W.29 en 30. Daar y. 29. ge-
zegt word: Ende het gefchiede, doe Mofe van
den Berg Zinai afging , ( die twee tafelen der
zetuigeniffe nu waren in de hand Mofe „ als
w van den Berg afging ) zo en wifte Mofe niet
det bet vel zynes aangezichtes zlinfderde , doe
Hynret hein fprak. ‘En #30. Als na Aaron
end: alle de-Kinderen Ifraêls Mofe aanzagen,
Q 4 ziet
(a) De Preftantid -&-Ufa Namifiuatum autiquer
rum , Differtation, Septima, Bie or ademde
248 Natuur-en Konft-Kabinét,
ziet zo glinfterdebet vel zynes aangezichtess
daarom vreesden zy tot hem toe te treden.
Deze plaats word ook aangehaalt by (we) Pau-
lus Alzo dat de Kinderen Ifraêls het
aangezicht Mofis niet en konden flerk aan-
zien omde heerlykheid zyns aangezichts, enz.
10.
De Grootachtbaare Ezechiel Spanheim be:
wyít, dat zommige hebben overgezet, als cf
Mofis aangezicht (dat is hier zyn voorhooft )
met hoornen voorzien was, hoewel andere
deze plaats uitleggen, het fchitterendeen bin=
kende aangezicht van Mofes
Al
Maar als ik myn oordeel mag geven cver
deze zaak , vande verkeerde uitbeelding, kaa ik
(boven en behalven deze verkeerde uitlegging
van Exodus 34. y. 29 en 3o. )veel reden vinden,
waarom (Mofes in latere tyden met hoornen
is verbeeldt. is het niet zeer wel te geloven,
dat de latere Schryvers en Uitbeelders, de ge-
woonte der Zgyptenaars, Macedoniers en
andere Aaloude Volkeren hebben nagevolgt,
dewyl die Volkeren haare Koningen, Hel-
den, Goden of groote en roemruchtige Man-
nen zeer dikwils met hoorens hebben uitge-
beeldt, willende daar mede te kennen geven
haare kragten , haar onverzaagtheid , af kom
van de Goden, als van Jupiter Hammon ent.
haar dapperheid, fterkte , groot vermogen,
rykdom, overvloed, groot gezag,enz.
Daar
(a) Tweede Brief aan die van Cerinthen in het 3.
Kapittel en 7. w,
Maart en April 1719. 249
12.
Daar wierden in de Uitbeeldingen verfchei-
de foort van hoornen by de Oude toegepaft ,
na het getuigeniffe van (a) Porphyrius , na-
mentlyk aan fupiter de hoorens van een Ram,
aan Pan die van een Bok, aan Bacchus van _
eenStier. Ziet Fig. 7. Fupiter Ammon , mede FZ. 7.
gedeelt door Achtlles Status, in’t jaar 1569.
Het was een marmere uitbeelding van een
zeer oude datum , zegt de Heer Spanheim:
en ziet in Figuur 8. een Jupiter Ammon by Fiz.8,
Michaël Angelus Caufeus de la Chauffe, ge-
graveert op een edel gefteente, - Deze Jupt-
ter Ammon is zeer geviert by de Zg yptenaaren
en Aaloude Afrtcanen, en byzonder ook by
de Grieken van-verfcheide foort, maar is van
de Mgyptifche verziering of uitvinding eigent-
Iyk atfkomftig, dewelke door ’t woord Am-
mon Jupiter betekenden. Ziet Diodorus Ste
culus en andere.
13.
De oude en zelfs race LEgyptenaaren heb-
ben veeltyds de gewoontegehad, door gehee-
le dieren , of door derzelver hoorens , of vellen
van dieren, in haare Beeld{praaken uit tedruk-
ken Koningen, Vorften, en groote Man-
nen, gelyk de oude overblyfzels overvloedig
getuigen , en hedendaags noch gevonden
word zelfs by de Chinezen, Japonezen en
andere Ooftindifche Volkeren, Gelyk de Ou-
deen zelfs hedendaagze Arabieren gewoon
zyn in haar taal onder gelykeniffen en zinfpe-
lingen iets kragtigs uit te drukken, zyn de
Qs zel.
(4) Wide Lib.de Abflinentia.
2sa __Natuur- en Konft-Kabinet ,
zelve daar ín gevolgt door de Hebreërs, daar
de Bybel overvloedige getuigeniflen van mede
deelt; zo wierden zy daarin gevolgt vande -
gyptenaars door uitbeelding: Want gelyk zom-
mige dieren of fchepzels „menigmaal uitmun-
ten in groote fterkte, kragt… verwoetheid,
grootheid, voorzichtigheid, edelmoedigheid,
vlugheid, -verfchrikkelykheid. van aanzien,
vruchtbaarheid, nuttigheid «en andere-hoeda-
nigheden , hebben de Bgyptenaaren die-hoeda-
nigheden willen uitdrukken , en aan groote
Mannen toeeigenen , en daar door haar; Beeld-
fpraak aan de Kenders-dier heilige taal (zoals
zy die noemden ) betekent.
14.
De Grieken, dewelke meer de Letter als
Beeldf{praak hebben gebruikt, en van veel jon=
ger datumziyn, alsde Migyptenaaren „hebben
echter veel van de Mgyptifche uitbeeldingen
overgenomen, enderzelver oude Helden en
roemruchtige Mannen van haar ontleent, en
tot haar eerfte Koningen, Vorften of Goden
gemaakt, om kwanfuis mede geheel oud-té
fchynen ; gelyk inderdaad ook zommige Grie-
ken zeer oud zyn, hoewel zy in die aaloude
tyden juift noch niet heel roermruchtig, noch
groote volkeren waren. De 'T'yd-rekenkundige
Petavius (telt. Alexander de Groot detwaalt-
de Koning in rang van Macedonien , en heeft
dít uitgevorfcht uit de Vader van de Aaloude
Hiftorifchbryvers Herodotus, en ook uit ‘Zhu-
eydides „ en is daar in nagevolgt van de wakkere
Ezechtel Spanheim. Op de volgende wyzedan
zyn de Koningen van Macedonien, 1. PER-
DIC-
| Maart ren April 1719: 25t
PICCAS deeerfte. 2. ARZus., PoiriPPus
de. Seres ‚4. A RORUS.. 5. ALCEDAS.
6. AMYNTAS deeerfte. 7. ALEXANDER
deeerfte. 8. PERrpiccas detweede. 9. AR-
CHELAUS. 10. AMYNTAS de tweede,
rr. PuiripPus derweede. 12. Â LEXAN-
DER DE GROOTE. *
15.
Van deze vyfeerfte Koningen van Mace-
donien 1yngeen penningen meer overig, maar
de zesde Koning en de volgende zyn noch ín
penningente zien. Alexander de Groote wilde
gehouden worden voor de Broeder van Mer-
cules en de Zoon van Jupiter Ammon, Cle-
mens Alexandrinus egt: Alexander wilde niet
anders als gehoorent gegraveert of uitgehou-
‚wen worden, gelyk dagelyks noch gezien
kan worden; als ook zyn navolger 4zzigo=
mus Tutor,,op twee na de laattte honing
van Macedonten: ja zelfs is Alexander de
Groote daar in nagevolgt vande Prclomei ,Ly-
Jimachus en andere.
16.
De Schryvers hebben aangetekent, hoe dat
zomtyds menfchen gevonden zyn, aan dewelke
waarlyk twee hoorens uit de twee uitpuilingen
van’t voorhoofds-been uitgroeiden. (a) Zho-
mas Bartholinus citeert uit Valerius Maximus,
dat ‚Genitins Pretor zeer kleine hoorens uit dit
voorhoofd-been hadde (teken, dewelke al-
daar uitgegroeit waren: en dat fohannes Rho-
dius aan hem voor de waarheid had mede ge-
deelt, dat hy zelfs gekent ende gezien hadde tot
Padua
(a) Vide ejus obferwationes de Unicornu Gap. 2.
252 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Padua een Benedittiner Monnik, die twee
hoorentjes hadde. Ik weet meer Schryvers,
dewelke van deze Monnik gewag maaken,
maar ik durf over de waarheid geen oordeel
vellen; hoewel het waarachtig is, dat de uit-
puilingen van ’t voorhoofd-been in zommige
menfchen zo groot en puntig gevonden wor-
den, dateen Man, die zomtyds wat Fabelach-
tig is, daar lichtelyk de naam van hoorens
aan zoude durven geven.
17.
Behalven veel Oude Koningen, dewelke
met hoornen vebeeldt zyn geworden, vinden
wy zelfs penningen van den Ryks-vloek 4t-
tila, daar dien alverwoeftende T'yran met
hoorens verbeeldt word , waar uit over-
vloedig blykt , dat ‘het uitbeelden met
hoornen by de Oude, en zelfs in latere tyden_
zeer gemeen is geweeft. Wat al Bofch-Go-
den, Satyrs en Vloed-Goden vinden wy niet
B verbeeldt met hoornen? Ziet zelfs de Zee of
2" 2! Neptunus in dit oude overblyfzel van Fig. 9,
Fig. TO, verbeeldt, ja zelfs den Ryn onder Fig. ro.
Het geheele Werelds-deel van Africa is met
hoornen alseen Synzbalum uitgebeeldt , en een
Fig. rr.Olifants-{nuit. Ziet Fig. 11.en uit de la ChaufJe
3 Hie. 12
Fis. 12. 5. 4
, I8.
Als ik alles wilde bybrengen van Pax , Pria-
pus, en zelfs Luna of Juno „en andere, dewelke
de Oude met hoornen hebben verbeeldt , zoude
ik veel te overvloedig worden, dewyl ik al-
leenlyk maar voor heb, om aan myn Lezer
overtuigelyk te doen zien, dat de Chriftenen,
of
me
Maart en April 1719. 253
of latere Heidenen en andere ZMofes met hoo-
rens hebben uitgebeeldt, om deszelfs groot-
heid en Mayjefteit daar door uit te drukken,
en tot deszelfs eerenlof, en niet, gelyk Zho-
mas Bartholya (u) uit Steuchus oordeelt, dat
zulks van de Jooden kwalyk zoude zyn geno-
men geweeft : want hoornen waren als van een
Koninglyke betekenifle by de Oude Hebreërs, _
gelyk in Danziel de Koningen en de Koningry-
ken dikwils hoornen worden genaamt, en
(volgens de Uitleggers ) ook zelfs onder het
Nieuwe Teftament in de Openbaring van Jo-
hannes. 19.
Ik hebbe zo veel bewys , dat de Heilige Wet-
gever en Man Gods MMofes noch met hoor-
nen, noch met twee opgaande (traalen moet
uitgebeeldt worden, en dat deze dwaling uit
een navolging der Heidenen is voortgekomen,
dat ik myn beftek al te veel zoude overtreden,
wanneer ik alles wilde bybrengen ; maar alleen
is genoeg, als wy op de onfeilbaare woorden
der Goddelyke Boeken maar willen acht ge-
ven, die zullen ons bewyzen, dat het aange-
zichte van Mofes glinfterde, ja in zo verre,
dat hy een dekzel voor zyn aangezicht moeft
doen, dewyl de Kinderen /fraëls, die hem aan-
zagen , het licht zynesaangezichtes niet konden
verdragen. Ik zal hier van afbreken , maar
ik verzoek vergiffenis, Lezer, datik uw ge-
dult te lang gerekt hebbe , met zo veel Outhe-
den (tot opheldering van Moes) by tebren-
gen, hoewelik gelove, dat gy het niet kwalyk
zult neemen, als gy uw aandacht laat gaan,
hoe
(4) De Unicornu Cap. 3,
zs4 Natuur-en Könft- Kabinet ,
hoe veel onsaan de kenniffe van Mofes gele-
gen is, endathyisde Bron van alle Wysheid,
Waarheid, Wetenfchappen en Goddelyke Ge-
boden, Inftellingen „ Verboden, Regeringen
enz. en te gelyk de Prins vanalle de Natuur
Iyke Hiftorifchryvers , daaralles , “wat ík voor=
taan u zal mede deelen, zyn licht en glans
… van zal verkrygen.
Verhandeling vanbet Goud.
IL.
ee heb belooft , dat ik in elk tweemaande-
lyk Natuur- en Kontft-Kabinet zoude han-
delen van het eene of het andere Natuurlyk
Schepzel of Gewrocht, het welke by de men-
fchen in gebruik was en te gelyk een onder-
werp van Konften en Ambachten enz.; en dit
alles vinden wy in het Goup. Wat het gebruik
van ’: Goud belangt, endebegeerte, dewelke
de menfchen na het zelve hebben ; en de groo=
te gevallen, dewelke uit deze begeerte onder
de ftervelingen dagelyks gebeuren, ik geloof’,
dat de Lezer die alle zo aanmerkelyk en groot
zal oordeelen, dat hy lichtelyk aan. Plizius
zal toeftaan,. dat hy het Wonderlyk noemt.
Hoe ts het mogelyk, (zegtdiegroote Romein)
dat een ding alle dingen kan zyn, en-dit, vers
volgt‘ hy, ss evenwel hetgoud |. De menfchen
roepen en roemen altyd zo veel van de goude
Eeuw, en vande aaloude goude Tydenz maar
beleven wy-hedendaags niet: recht de goude
Eeuw , want aan welke zaak worden tegen-
woordig meer offerhanden en eer baren -
als
Maart en April 1719. 25f
als-aan het Goud, is dit niet de Bruid, daareik
om danft ?
zk 2.
Als wy onze aandacht laten gaan , op des-
zelfs vafte ineendringing, band, vaftigheid ,
duurzaamheid en onvergangkelykheid , zwaar-
te, ftoffelykheid en uitrekkelykheid , koleur „en
overdekkende eigenfchappen, moeten wy dan
niet‘bekennen, dat het Goud een weergaloos
eir verwonderens waardig natuurlyk gewrocht .
ipo.”
‘Het Goud is onder de natuurlyke fchepzels
mede aldereerft gemeldt geweeft van Mofes , in
zyn Hiftorie van de Schepping des grooten.Na-
fuurs. Deze Koning der Aard- en Berg-{tof.
fen, of der Mizeralen en Metalen, word van
Mofes kort na het Verhaal der Schepping ge-
meldt, want daar hy (a) {preekt van het Paradys,
zegt hy: Ezde een Rivier was voortgaande uit
Eden, om dezen Hof ( te weten het Paradys )
te bewateren, ende werd van daar verdeelt,
ende werd tot vier hoofden, De naam der
eerfte Rivier is Prison, deze is't die het
ganfche land van Havila omloopt, daar het
gend iss Ende het Goud dezes lands is goed
Enz.
Van zodanig een labret tyd, daar geen
Schryver noch Volk, als alleen Mofes, met
waârheid van-heeft' gemeldt, word reeds al
met onderfcheid van ’t Goud gefproken, te
Weten-dat! het goed was. Die nu het onder-
elk “fcheid
(4) Genefis IL. W.1o, 11, 12.
256 Natuur-en Konft-Kabinet,
fcheid weet van het goud, zal hier in datelyk,
de heilige Wysheid konnen opmerken , dat
de Prins der Natuurlyke Hiftorifchryvers en
Heilige Man MMofes het goud van Havila goed
noemt „ en dat Hy hier-klaar mede te ken.
nen geeft, dat de kennifle van ’ onderfcheid
des verfcheiden Goud-metaals by hem bekent,
was. Het Goud, dat uit de goudryke Rivie-
ren gevifcht word, is goed, zuiver en fyn,
dewyl het zelve door het golvend water, en
door langen tyd afgefchaaft, en door voort-
rolling en wryving, door deze beweging zeer
gezuivert word. … /Mofes fchreef deze zaak in
de vyftiende eeuw, voor. Chriítus Geboorte,
wanneer hy.melde dien tyd „dat de wereld noch
maar eenige dagen oud, was, fprekende van
het Paradys. Wy moogen, nu wel veilig ge=
loven, dat Mofes in detyd; doen hy dit fchreef,
deze goudryke.Rivier, Pifon. of dit goudryke
Land Havila niet alleen kende, maar dat dezelve
ook by-de Mebreen „ daar hy voor fchreef en
by omging ‚in't gemeen. bekent waren; als
ook „ dat de aldereerfte Volkeren het gevifchte
en door zand opgeworpe goud eerder in ’t-ge=
bruik, hebben. gehad „als dat door zo veel
moeite uit de, Mynen moet-gewerkt worden.
Maar dat Mofes in zyn tyd ook noch ander
goud gekent heeft, als;het goud van Mavsla,
is wel te geloven, -dewyl‚hy. tot onderfcheid
zegt dat het goed was, en ook „dat in detyd
van Mofesin Egypten veel in de Bergwerken en
Metalen tot Zhebez als anders gewerkt wierd,
En nochdaarenboven dat hy. tachtig jaaren ver»
keert hebbende in ’t landder Arabieren, daar
: door
Maart en April 1719. 257
door kennifle van de bekentfte Landen van
zyn tyd gekregen heeft, door de ommegang
met de Arabieren , dewelke door dit Land
reizende met haare Koopmanfchappen, over-
al natoetrokken en te rug kwamen, gelyk ik
na dezen zal toonen. ij
ie
Ik zal nu niet verder melden, hoe ver de .
Aaloude Hebreen in de kennifle des Gouds,
en in deszelfs bereiding, konft-ftukken en
gebruik ( daar de Heilige Bladeren van krie-
len ) gevordert waren , dewyl ik zulks zal
af handelen in de vervolgen van de Geleert-
heid der Aaloude Hebreen, omtrent de Natuur-
Iyke Hiftorien, Wetenfchappen, Konften en
Handwerken , by haarlieden bekent en ge-
oeffent.- Dog ik zal nu maar eens kortelyk
aantoonen de outheid van de kennifle van het
Goud by andere Aaloude volkeren.
6
_ Herodoot van Halicarnaffen ( de aldereerfte
en de Vader der Wereldlyke Hiftorifchryvers)
verhaalt in Eaterpe, of liever in zyn tweede
Boek, dat hy zelfs in perzoon tot Zyrus is
geweelt , een Stad in Phoezicie , alwaar hy
in de Tempel van Hercules een zuil heeft
gezien van maffif goud, dewelke tot een gee
fchenk aan die Afgodt of liever Tempel.
paapen vereert was. Hy verhaalt in C/i0 of
in zyn eerfte Boek , dat Cre/xs zo magtig,
was van Goud, dat hy goude en zilvere Lie-
dekanten of Legerplaatzen aan de Tempel
van t Orakeltot Deiphos {chonk; endat hy
veel konftige goude drink{chaalen en andere «
R konft-
258 Natuur-en Konft-Kabinet ,
konft-ftukken van goud, als ook een Beelte-
nis van een goude Leeuw, en goude en zil-
vere fchotelen liet maaken , en aan ’t Orakel
vereerde,
3 { 4 7. en
Van Lydie ( zegt Herodoot in Clíoyis niet veel
„te vinden,dar de moeite waardig is om te verhaa-
Ten, als datzy goude affchaafzels en korlen beza-
ten, en dat zy deeerfte Volkeren zyn geweeft ,
dewelke (zo veelals wy weeten )goude pen-
ningen hebben gemunt of gemaakt. Merodoot
fpreekt noch van veel andere groote fchatten
van Goud; maar omtrent de manier, op de-
welke het uit de grond wierd gehaalt, is hy
volgens de Griekfche mode 170 fabeleus en on-
kundig , dat ik my zoude fchaamen, zulks
aan den Lezer mede te deelen. Ik heb in Ze-
rodoot het algemeen gebrek gevonden’, om-
trent de kenniffe der Natuurlyke Hiftorien ,
daar meeft alle oude Schryvers ( behalven
Mofes ende andere Heilige Boeken ) mede ge-
plaagt zyn 5 dat is: dat zy veel van’ de Na-,
tuurlyke Hiftorie fchryven van hooren ver-
tellen, behalven’tgeen zy zomtyds eens zelfs,
dog gewoonlyk niet naauwkeurig genoeg
bevonden hebben; hoewel onzen ouden He-
rodoot dit echter overal zelfs belydt, gelyk ik
zulks in Pligzius over twee maanden ook aan-
gemerkt heb. Merodoot heeft gefchreven in ’
g4gfte jaar voor de Geboorte van Chriftus
onzen Zaligmaker , by gevolg een groote
duizend jaar na de Man Gods Mofes, en al
‘tgeen waät deze Griek (daar anders zo zeer op
geroemt word) van de Natuur en de Natuur-
Iyke
\
Mart en April 11 2p5
Iyke Hiftoriefchynt geweten tehebben , is zeer
onnozel en erbermelyk , in vergelyking van
de ‘Goddelyke ‘Wetgever MMofes-, de. Prins
vaii alle: oude Geleertheid-en Natuurkunde.
Far Ì Tal ï 8 - á
_ Wy vinden verfcheide plaatzen van het
Goud in Homerus, 't-welk een bewys is, dat
zelve bydeaaloudfte Grieker: niet alleen zeer
wel is bekent geweelt ; maar zelfs Homerus
fpreekt van een geheele: goude Keten, die
aan de ‘toppen van de Olympus. geklonken
was , en daar *t-geheele Weeldklootje. aan
valt hing : hy fpreekt van geheele goude
trompetten , konttig uit Goud gemaakte fchil-
den , klederen van’ geheele goude ftoften.
Hy fpreekt zelfs van de Goud-{mit Laercius,
Eni van de'Goud-gietery , van ’t vergulden
van goude drink-bekers, fchaalen , en ande-
_re goude kleinodien, van zilvere drinkfchaa-
len en bekers met vergulde randen ; en zulks
op zo veel plaatzen, dataan een Lezer, die
immermeer Mumerus gelezen heeft , zulks
niet onbekent kan zyn.
De leeftyd van Homies is zeer onzeker,
maar dit weten wy zeker , dat Homerus de
oudfte Schryver is, dewelke wy van de Griek-
fche Schryversoverig hebben; en dat Hefiodus,
daar wel van zommige voor gepleit is, voor hem
in ouderdom de vlag moet ftryken. Eenige Ge-
leerde {tellen de leeftyd van Homerus valt nade
23. Olympiade , andere ftellen Homerus zelfs
voor de inftelling der Olympifche Spelen; dog
het zy daar mede zo als het wil, de Oudheid
Bertin iere oder
260 Natuur-en Konft-Kabinet,
der Griekfche Natuurkunde , Natuurlyke Hie
ftorien, Wetenfchappen , Konften en Hand wer-
ken , daar Homerus alom van krielt, zal ons na
dezen wel zonneklaar blyken, en dat dezelve
voor de outheid van de Prins der Natuurlyke
Hiftorifchryvers ‚de Man Gods Mofes , de vlag
moet ftryken , en datde outheid van Mofes die
der Grieken en van onzen Homerus eeuwen
voorby vliegt. IO.
Gelyk Mofes onder de Hebreën de eerfte en
de oudfte Natuurlyke Hiftorifchryver is, en bo-
ven dat noch onfeilbaar , en een Schryver door
de leiding van Gods Geeft, en te gelyk is
eweeft de Bron, niet alleen van alle Hebreeuw-
the W ysheid,Kennifle enGeleertheid,maar ook
de fchatkift , daar alle latere Volkeren haar ken-
niffe en zaaken uit gehaalt hebben , moogen wy
dit zelfde getuigen van HOMERUS, maar alleen-
Iyk ten opzichte van de Grieken en haare navol-
gers ; want niet tegenftaande meer als zeventig
Griekfche (a) Schryvers konnen opgetelt wor-
den , dewelke voor Homerus (na 't oordeel
veeler Aaloude Schryvers ) hebben geleeft , heb-
ben wy echter niets overig,dat als een Boek aan-
gemerkt zynde , onder de Griekfche Boeken bo-
ven de outheid van Homerus gaat. IL.
In deze eenige en onder de Grieken alderoudfle
Homerus legt byna de geheele GriekfcheWys-
heid (alsin een. kleine juweelkaften fchatkiltt )
opgefloten. En daar is , behalven de heilige en
oudfte Hebreeuwfche Schryvers niet een Schry-
ver bekent, dewelke van alletyden af zo veeì
aanzien heeft gehad, en zo veel eer is aange-
daan
(4) Vid. Fabricii Bibliothee, Grac. Tom. 1,
>
Maart en April 1719. 261
daan als aan Homerus, hy is geëert, geviert,
in flatuen gebragt, in perningen en op edele
fteenen gegraveert, en op alle wyzen gefchil-
dert en uitgebeeldt, ja zelfs als een wonder der
menfchen aangemerkt geworden,en als eenGod
geëert. En voorwaar Lezer, hetis niet te ver-
wonderen,dewylinHomerus(een Schryver van
zulk een onbedenkelyke tydzynde ) te gelyk zo
veel heerlyke zaaken worden vervat, dat byna
van alderhande Wetenfchappen, Zedekunde,
Heidenfche Godtkunde, Regeerkunde,Genees-
kunde, Wiskon(t ,Starrekunde, Landfchap-en
Wereldkunde, Natuurlyke Hiftorien,Konften,
‘Handwerken , Oorlogen, Zangkontft ,Speel-
konft, Dichtkonft, en duizend andere zaaken,
zeer verftandiglyk (hoewel na de wyze der Grie-
‚ ken metfabelen en verzieringen befmet)inzyn
werken word gefproken;in zo ver, dat Homerus
voor de aldereerfteen grootíte Natuurlyke Hi-
ftorifchryver onder de Grieken zal opkoomen
en doorfteeken,wanneer ik van de Wetenfchap-
pen, Natuurlyke Hiftorien , Konften en Hand-
werken der Grreken zal handelen.
12.
Wy hebben nu wel gezien uit de alder-
„oudfte Schryvers der Hebreën, als Mofes en
de andere Heilige Schryvers ; uit de alder-
oud{te Schryvers der Grieken, als Homerus en
Herodotus, dat het gebruik en de kennifledes
Gouds van een zeer oude datum is, maar wy
hebben noch geenzins ontdekt , in welke be-
„kende landftreeken der aaloude Volkeren het
Goud overvloediglyk uit de grond uitgemeu-
«belt, of uit de bekende goudryke Rivieren
R 3 | uit-
262 _Natuur= en Konft-Kabinet,
uitgevifcht wierd „en in. welke landen -hetzel-
ve overvloediglyk te vinden was.
, 1 : 1350, MIIIVAIG TS
Uit gebrek van deze. kenniffe zyn veele
Uitleggers van den, Bybel geweldig in alarm,
waar Opbirseigentlyk. was, of waar het goud-
ryke- Land-geltelt -moefte- worden, „daarsde
Koning Salomon zyne fchepen na toe zond;
omGound van, daan. tes haalen, … Ik -zal'sdie
zaak „hier. geenzins- ophelderen, als behoo-
rende tot de ' Natuurlyke Hiftorikunde. der
Fooden ‘maar echter zo- veel wel doen- zien,
datde ‘Koning Sulomou na “zodanige plaat-
zen zyne fchepen niet heeft behoeven te zen-
den, als zommige Uitleggers. wel gedroomt
hebben. 7
sort PEEK
Alhoewel de Griekfche , Weréld-befchryver
Strabo: op. veel tyd-na niet zo-voud-is, alsde
voorgaande: Schryvers , zalechtereenviegelyk,
die Strabo Amafenus leeft; moeten bekennen,
dat niemant ‘van; de, Oude zo veel. zelfs onder
vonden , zelfs*doorzien,en zelfs doorreift
heeft, als deze Uitmuntenfte Wereld-befchry-
ver Strabo Amaftnus ‚dewelke „geleeft ‘heeft
ten-tyde. van de Keizers Auguftusen Tsberius.
Strabo was van veen voörtreftelyke Famshte,
en in-meelt-alle wetenfchappen en-vrye!kon-
ften‘geoffent, -Behalven. dat Strabo veel ge=
leerde lieden «heeft. wezen-hooren, heéft-hy
ook gereift door Mgypten „ door Afie, door
Griekenländ, door Jtalien „in verfcheide Ei-
landen s’-als Sardinie enz.als ook door xÂr-
mente „door de Pont Euwin „en zelfs tot-de
Ì uit-
Maart en April 1719. 263
uiterfte grenzen van ZEthiopien; hy is ook
gereift-door gelukkig Arabiez, insgelyksdoor
alle de Landen van Africa , dewelke in zyn
tyd onder de wyd-uitgeftrekte Heerfchappy
tan “de Roomfche Wereld-Monarchen wa-
ren. Zo dat wy ( wat de zaaken van eigen
bevinding betreft’): Strabo wel moogen hou-
den en achten vooreen Schatkift „vol heer-
Iyke. zaaken -der Aaloude Natuurlyke Hi-
ftorien ‚> Wetenfchappen , ‘Konften, Hand-
werken enz.
gers
(4) Strabo verhaalt, dat geheel Spazjeg van
Metalen overvloeide , en zeer ryk was van
Bergitoffen. Hy merkt aan, dat de Landen,
daar veel Metalen’ gevonden wierden, zeer
onvruchtbaar waren van. andere vruchten
voor het leven def. menfchen , en dat in te-
gendeel de vruchtbaarfte landsdouwen de
armíte gevonden worden van ryke Metalen.
In de Wereld, zegt hy, is-aau' my geen-Land
bekent, daar het Goud, het Zilver; het Ko-=
per en ‘het Yzer zo overvloedig gevonden
‘worden, als'in Spanjez. Het Goud, vervolgt
hy, word daar niet alleen uit de- Mynen ge-
‚ graven, maar ook uit de Rivieren gevifcht,
em dat de vloedenaan haar boorden-een zand
opwerpen ‚ dat met goud doormehgt is. Hy
getuigt, dat in zyn leeftyd onder Ausuffus en
Tiberins op veel- meer plaatzen in Spanjen
Goudviflcheryen waren,’ als wel Myn-wer-
ken of Goud-graveryen ;en dat de Spanjaarden
daar zekere putten maakten, en dat zy wiften
je R 4 door
“ (€) Vid.Strabo de Situ Orbis Lib. 3.
264 Natuur-en Konft-Kabinèt,
door konft en groote behendigheid het zand
zodanig uit te waffchen, dat het Goud in die
putten op de grond leggen bleef.
16
Strabo verhaalt, dat zomtyds onder het
Goudftof in dit opgeworpen zand ftukjes ge-
vonden wierden, die zy in die tyden Pale
noemden , van dewelke eenige een half
pond zwaar wierden bevonden’; en dat zom-
mige van die goudftukjes zo zuiver dikwils
gevonden wierden, dat zy weinig zuivering
( door {melting )meer van noden hadden.
Dat ook zomtyds kluitjes en brokjes ge-
vonden wierden , daar veel zilver onder
was; en hy verhaalt,door welke konftige midde=
len de Spanjaarden deze twee Metalen in die
“_oudetydenal zeer zuiver van malkander wiften
af te fcheiden. ATEN,
Onder de Heerfchappy van Keizer Auguftus,
waren de Heerfchappyen der verfcheide we-
relds-deelen vry wat meer bekent aan malkan-
deren geworden als te vooren, door alle die
grouwzaame en wyduitgeftrekte oorlogen der
Romeinen: en dewylalles nade roemruchtige
Stad Romen vloeide, is ook de reden, dat
Strabo veel Landen kende en melt daar
Goud gevonden wierd. Inhet dertiende Boek
van zyn Wereld-befchryving verhaalt hy,
dat in ’t Land van Phrygie by Zrojen een Stad
hadde gelegen, daar ook een Goud-myn was
geweelt, dewelke in zyn tyd meeft uitgeput
was, en zeer weinig gaf. Daar Strabo van
Armenie fPreekt , zegt hy, dat by Camoale
Goud-mineraal gevonden.wierd,
/ 18.Wy
Maart en April 1719. 265
18.
Wy konnen zeer lichtelyk bemerken „dat
zedert het ontdekken der Goud-kuften en de
rykdommen van America, de menfchen de
Goud-mynen van Egropa en elders hebben
„beginnen te verwaarloozen, want Strabo ver-
haalt in zyn vierde Boek, dat zelfs in de 4/-
pifche gebergten Goud-mynen waren , die zeer
ryk van Mineraal waren. Hy verhaalt, dat deze
Berglieden in een gedurige oorlog waren, om
dat die by Salafte het water in haare Bergwerken
leidende, de andere , die in de daalen woonden,
het water onthielden , en dus haare landen
onvruchtbaar maakten , waar uit gedurig oor-
log en twift onder dit volk ontftond. Noch
melt Szrabo , dat by Aguilea by de Saurs-
fcen, dat noch hedendaags onder ’t Huis van
Ooftenfyk behoort, zo veel goud-aarde ge-
vonden wierd, dat dezelve zeer ondiep uit-
gegraven wierd, en dat in zyn tyd de Ro-
meinen die Mynen bezaten in eigendom; en
dat in deze gedeeltens der Alpes zelfs rivie-
ren gevonden wierden, dewelke goudryk wa-
n, het welke noch hedendaags blykt aande
oud-mynen, dewelke in Mongaryen zyn.
19.
De Rykdommen, dewelke van Goud en
Zilver door de Romeinen in Zowloufe in
Vrankryk gevonden wierden, waren na’ ver-
haal van $#rabo zo groot, datde Romeinfche
Burgermeefter Cepio uit die Stad roofde
110000 ponden Goud, en vyftienmaal hon-
dert duizend ponden Zilver ; dat de Inwoon=
ders het zelve in haare T'empelen hadden ver-
R 5 bor-
266 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
borgen, en zelfs in de mveraflen hadden laa-
ten ‘wegzinken, dog dat de Romeinen deze
moeraflen aan de meeftbiedende verkochten’,
“dewelke daar noch groote {chatten uithaalden.
zo, 17 ei,
In Afia wierd in -die-tyd op veele en ver-
fcheide plaatzen ook Goud in overvloed ge-
vonden. « Strabo zegt in *t 16. Boek, datby
de vloed: de Ganges- volkeren woonden, -de-
welke groote rykdommen van Goud beza-
ten, zodanig, dat zy zelfs haare Olyfanten
„en Huiscieraaden.met beflagen en mafif Goud
wercierden. Dat by’ de Roode Zee volkeren
woonden, die Debe- genaamt wierden, ‘van
dewelke zommige herders en andere -Jänd-
bouwers’ waren, dat zy een zeêr“Goud-ry-
‘ke tivier hadden , ‘dewelke door haar: fand
liep ‚dog dat zy de’ kont niet wêrltotiden
van ‘bet Goud te fmelten. -Infgelyks dat‘niet
“ver van deze Debe eén ander Natie“was,
‘dewelke goud groeven, ei zomtyds brokjes
goud vonden, van de welke zommige wan
“ren vals een kleine noot,en andere als «een
‘halve of kleine mifpel of ‘okkernoot ; datay
door deze brokjes gaten drilden, en dezelve
als braffeletten om haare armen droegen, en
zomtyds aan andere Matter vóor een gerin-
ge prys verkochten , te-weten voor dfiemaal
zo veel koper of voor ‘tweemaal zo veëlzil-
versen dat deze naaft aan: de Sabei of die
van gelukkig Arabie greùfden. :
21.
Uit alle deze getuigeniffen blyktklaar ; dat
overzeventienhondert faaren „ doeStrabo leef-
kt de
EEEN
Maarten April 1719. 267
de en fchreef, de wereld alom zo’ wel met
goud voorzien is geweelt , als nadien tyd,
dat de Spanjaarden kwanfuis Europa met het
goud van Ameriea verrykten. Jaonzen Strabo
verhaalt in zyn 11 Boek, dat zelfs de Mafjageten
of Sarmaten,dieaande Pont Euxinen het Meo-
tis Meir woonden, overryk van Goud waren;
dat zy-goude gordels droegen „ en dat zelfs de
-toomen van haare paarden met goud beflagen
„en vergult,en‘haare fchouder-riemen met goud
„overdekt “waren : “en dat wel voornamentlyk
hetgoud en koper by deze/Maflageten zeer over-
vloedig gevonden;wierd „als-ook dat in Ayrca-
nie by de Cafpifche Leereer goud-ryke metaal-
sâardegevondeinwierd, Hy verhaalt in’t achtfte
„Boek „ dat in-de Stad van Corixtbez zulke: on-
„noemelyke {chatten en ‘rykcommen van-goud
swareny dat Cyfelusaan Olympta'een gefchenk
„dede van een levensgroote dzarze- van mafif
„goud. 22:
… „Wy hebber in her begin-van deze verhan=
rdeling gezien „ dat'2Mofes inzyn-tyd al zeer on-
sderfeheidentlyk van ‘tGoud-heeft gefchteven ;
„dag als-wy-wilden)nagaan alles, ‘dat van ’t
„Goud verhaalt-wordein: die: vyf aaloude, Boe-
„ken van Mofes, en in andere Boeken van de
Bybel, als van de goude Vaten „van de over-
dekkinge.met goud, van veel andere konft-
_ “ftukken en werken van ’t goud: zouden wy
_ „wel zeer klaardhier uitkonnenvaf leiden; dat
fBgypten gende Woefltyne:, en fteenig, Arabien,
“en alle die omgelege landen, ‘daar de Jooden
“verkeerden, zeer’ ovefvloëdiglyk van, goud
‘moeten voorzien;geweelt.zyn, …„Als.ik nu uie
do „de
258 _Natuursen Konft-Kabinet,
de oude Heidenen kan toonen, en uit Schry-
wers, die geen kennifle van /Mofes (als van hoo-
ren zeggen) fchynen gehad te hebben, dat
zulks waarachtig is, fchynt my toe, dat daar
uit voor de opmerkende Liezer een zeer voor-
treffelyke waarheid te ontdekken is; te we-
ten , dat de groote Natuurlyke Hiftorifchry-
ver en Man Gods Mofes, van de Natuur en
Konft-gewrochten dier landen in zyn aalou-
de tyden zodanig gefchreven heeft, als de
Heidenfche Schryvers, die lang na hem ge-
leeft hebben , uit andere Heidenfche Schryvers
ef overleveringen beveftigen.
bied
Wie zal, die maar eh weinig in de oude
Heidenfche Schryvers ervaren is, durven ont-
kennen, dat in de alderoudfte tyden , de Lan-
den, daar de Kinderen Jfraëlsof gewoontof
verkeert hebben , de Moeders en V oortkweek-
fters of fonteinen zyn, daar de kennifle der
Natuurlyke Hiftorien , Wertenfchappen, Kon-
ften en Handwerken eerft gebloeit, en van
haar by de latere en naaftgrenzende volkeren
over en afgevloeit zyn. (a) Diodorus Siculus
zegt, als uit de mond der Zgyptenaaren zelfs,
er sdaar
Ca) vid. Lib.I Cap.rs.
Diodorus Siculus was geboren in ’t Eiland Sicilie ,
in de Stad Hegyrie, en heeft geleeft onder Fulins
Cefar, en ook noch onder Auguftus. Hy heeft de
Hiftorie van de doenmaal meeft-bekende wereld-
deelen van haare beginzels tot aan de 18u Olympia-
de befchreven, en wel meet de zaaken der Epyp-
tenaaren, Aflyriers , Meden, Perfianen, Grieken,
Carthagmenfers , Sicilianen, die van Rhodus , Ma-
eedoniers , Cretenfers enz,
Maart en April 1719.” 269
daar hy veel mede omgegaan heeft, dat zelfs
by de regering van Ofirtsen Ifis , in de roem-
ruchtige en wyd vermaarde Hoofdftad a)
Thebe (met hondert poorten ) in ’t Thebaan-
fehe Land al Goudflagers en Koperflagers win-
kels waren opgerecht. 24
Dat de wydvermaarde Stad Zhebe zeer
oud is geweeft, en van een groote roemruch-
tigheid , getuigen alle oude Schryvers der
‚gyptifche Hiftorien,de geheele Outheid roemt
de Aaloutheid der Zhebanen. Diodorus
Siculus zegt zelfs, dat in zyn tyd de Wyze
of Sacerdotes( Pricfters ) van Zgypten onder
malkander over deszelfs outheid en eerfte
oorfprong twifteden. Het Goud was in dezel-
ve zeer overvloedig, want dewyl dezelve in
%x hoog Mgypten (trekt, waszy het algemeen
Magazin der Bergwerken, Metaal- en Mine-
raal-winkels,en Steen-flyperyensen ’t Land van
Thebe was vol Marmer-en Steen-groeven , als
ook de moeder en voedf{ter van veeleKonften en
Ambachten,uit de Mineralen, Metalen, Steenen
en andere natuurlykeSchepfels afkomende.Dio=
dorus (b) verhaalt , dat die van Thebe zicltroem-
den ’t alderoud{te en eerfte V olk van alle V olke=
ren te zyu, endatby haar de Wysbegeerte of
Na.
(a) Thebe waseen Stadin Zzypten , dewelke hon-
dert veertig Stadien in haar omtrek was, en was de
Hoofdftad van ’t Landfchap Theben in ZEgypten ge-
legen, niet verze van de Ny/, tuffchen Memphis en
Siene’, en noch hedendaags Zheves genaamt, volgens
her getuigenilfe van Reizigersen Ful. Africanus, hoe-
wel by San/on dezelve hedendaags Minio genaamt
word, dog is nu van weinig belang,
(6) Lib-I, Cap.so.
z5o __Natuursen Konft-Kabinet,
Natuur-kennifle, en de Sterrekunde eerft in
haar behoorlyke ordre was gevonden en ge-
fehikt. shite he
25.
Dezelfde Schryver (a) verhaalt, dat aan
de grenspaalen van Zgypten na de zyden van
Arabie en Lthiopie een groot Gewelt gevon-
den wierd, daar uitftekend veel Goud-groe-
ven en Bergwerken waren. De grond van
dit geweft was fteenig, en overal doorloopen-
met aderen van wit marmer, en veel blinken-
de fteen of marcazyt-ftoffen en metaal-ertfen,
uit dewelke door behulp van geketende flaven
de Overften dezer Bergwerken met zeer groo-
ten arbeïd veel goud lieten graven en berei-
den. De Koningen van Agypten ( vervolgt.
hy ) hadden de gewoonte, de in oorlog gevange-
ne of de misdadigers van haar eige landaard
in deze Mynwerken te bannen.
26,
De wyze van dit goud-graaven by deze oude
LEgyptenaaren , val wel de moeite waardig zyn,
om nagevorfchtte worden. Diodorus Siculus
zegt op de zelfde plaats, dat deze aan de bee-
nen geketende Slaven en andere Myn-wer-
kers, degoudryke grond , dewelkeal te hart
en te fteenig was , door veel vier gloejend
maakten , en op die wyze braaken en deden
vermurwen en barlten. Zulke een Hoofd-
bergwerker liet op zyn polt met tiendui-
zend menfchen daar aan ârbeiden met
alderhande breekyzers , eù zodanig een
Berg-meefter wift de erts uit te kiezen en te
ont=
(«) Zib. TIL Cap. za.
Maart en April 1719. 27e
ontdekken, en aan de arbeiders de weg te
wyzen, em gebood de alderfterkfte. karels,
met fcherpe breek-yzers het marmer en: de
el ertzen met. gewelt aan ftukken te
breekEn. Zy maakten haare Mynen:en‚on-=
deraárdfche loopgraaven juift niet naveentrech=
te lyn, maar na de ryke ader, en zo alsde
Bergen bett opfpleeten.
5 27: 6
Detoude Zgyptenaars fehynen’ dierhalven
(uit het getuigenifle van onzen Diodorus Stene
us) al zeer groote kennifle van de konft.der
Bergwerken gehad te hebben. Het is waar,
iemafit! zoude konnen, tegenwerpen „ dat
Diodorus Sienlus deze zaak befchrytt,
zodänig als hy diezelfs gezien en gevonden
heeft , doen hy ten tyde van omtrent de Geboor-
te orizes’ Zaligmakers over zeventien hondert
jaar geledeir in ZEgypten was, maar, by (u)
getuigt, dat de uitvinding en ontdekking van
deze Mineralen of Ertren toen in Aigypten-al
over-oüd was, en van haare aaloude. Konin-
gen van een onbedenkelyke tyd voorleden al
uitgevonden was. Waar uit my dunkt, dat
het klaar genoeg opkomt, dat deze ‘wyze van
inde Mynen te werken „ al ten minften by ja
zelfs voor het leven van Mofes „in Mgypzes in
% gebruik geweett is. 5
wets
„Op dat de Lezer zoude zien, op welk een
wyze de Oude Agyprenaaren het Goud
Witten, te. bereiden en te zuiveren , is
dänmerkelyk , alles dat onzen Diodorus Si-
culas
(a) Lib. III. Cap. 14.
272 Natuur-en Konft- Kabinét ,
eulus met de uiterfte naauwkeurigheid en om-
ftandigheid (a) verhaalt. De Myn-werkers,
zegt hy , waren ( om de wonderlyke diepe
en zeer kromme omwegen der loopgraven }
genootzaakt; kleine lampjes aan haare voor-
hoofden vaft gemaakt als voor zichte dragen,
om door derzelver licht te konnenzien. Ter-
wyi nu deze elendige {laven nacht en dag by
verpozing bezig waren met hakken en bree-
ken, wierden de afgehakte fteenbrokkendoor ©
Jongelingen, die in de mynen kroopen, op- |
geraapt en uitgedragen.
29.
De Mynwerkers ok Slaven , dewelke bo-
ven de dertig jaar en daar omtrent oud wa-
ren, wierden gebruikt, om deze uitgekapte
en afgefcheurde Erts en fteenftukken in daar
toe gemaakte: fleene mortieren met yzere
bollen fyn te ftampen, en grovelyk aan ftuk
te wryven. Behalven dit gereetfchap hadden zy
noch Breekmolens in een groot getal, daar
zy door fterkemenfchen ( zo wel vrouwenals
mannen) deze gekneusde en gebroke klomp-
jes in fyn maalden. driodorus verhaalt, dat
deze elendige menfchen daar alle naakt in de
Mynen en daar omtrent (tonden te werken ,
en niets tot haar dekzel hadden, en dat de
enkelde aanfchouwing dezer elendige lieden
een iegelyk tot deernis verwekte. De wreed-
heid tegens deze menfchen ging zo ver, äat
…_(onaangezien haar Sexe, zwakheid, ziekte,
„ tederheid of ouderdom) zy, tot dat zy ae
€
(a) Lib, III, Cap. 12.13.14.
Maart en April 1710. 273
de moeilykheid van den arbeid bezweeken en
ftierven , wierden aangedreven.
op
Dit fyn-geftampte Mheer of liever deze
fyn-gebroke erts wierd op uitgeholde marme-
re tafels geftrooit, en door water gewaffchen,
en gedurig noch fynder en fynder gewreven;
en alles, dat aardachtigen fteenachtig was,
zachtelyk uitgefpoelt, tot dat eindelyk het
Goud door zyn overgroote zwaarte op de
grond gezonken bleef leggen. Hier over
wierd gedurig wederom water gegoten, en
met de handen zachtelyk gewreven en omge=
roert, en het troebel water gedurig zachte-
lyk afgegoten, en met zeer lichte fponzen
de lichte en onreine (tof zeer voorzichtiglyk
afgeveegt, tot dat eindelyk het goud-ftof en
goud-fchaafzel zeer gezuivert opde grond ge-
vonden wierd.
31. 4
Dit gezuivert Goud-metaal wiefd van an-
“dere Konft-arbeiders of Smelters uit de holle
fchotels, of bakken of tafels genomen, ver-
gadert, ‘en ín van aarde gebakke {melt-
kroezen overgebragt; en na de hoedanigheid
van dit gezuiver’- Metaal, dat is, na dat
het zelfde meerder-of minderrein was, wierd
te gelyk in deze kroezen geworpen een ge-
deelte loodt, eenige greinen zout, een weis
nig tin, en een gedeelte zemelen van garft,
en datelyk op deze kroezen een dekzel gedaan,
dat zeer wel op dezelve floot, en met leem
toegeftreken wierd; dit alles wel bezorgt
zynde, wierden en in ftook-ovens
ge
274 Natuur-en Konff-Kabinet
geplaat{t, en de tyd van vyf nachten en dagen ge=
duriglyk gekookt.Na verloop van welke tydde
kroezen wederom uit het vuur wierden gehaalt,
en koud geworden zynde geopent, en wierd in
dezelve niets gevonden, als alleenlyk het gezui-
verde Goud; zynde al het loodt, tin, zout,en de
onreinigheden,die noch by het goud-metaai wa-
ren, door de groote kragt des vuurs verteert
en als vernietigt. Dit is eindelyk, zegt Dio-
dorus Siculus, de bereiding van het Goud in
de Mynen, dewelke op de uiterfte grenzen van
Zgypten gevonden wierden,
Xe
De Patrtarch DEP Ad PH o-
Tius heeftin zyn Bibliotheeeg een uittrekzel
van de Befchryving. der Roode Zee en des-
zelfs naaftgelegene Landen, door de Hiftori-
fchryver AGATAKRCHIDES CNIDIUS,
daar alles, in het vyfde Boek aan het xide
Kapittel, van deze Goud-metaalen Bergwer-
ken van hoog Egypten word beveftigt, het
geen ik uit onzen ouden Diodorus Steulus heb-
be aangehaalt, en word hier met dezelve naauw-
keurigheid befchreven; en door welke Vol-
keren Zgypten naderhand overvallen, en de-
ze werken geftaakt zyn, met veele omftan-
digheden, dewelke de naauwkeurige Lezer (4)
daar zal konnen vinden.
33:
Het is aan de kinderen bekent, dat fazon
verziert word het gulde Vlies van Colchos door
behulp van de toveryen van Medea gehaalt te
hebben; maar Strabo, daar ik te vooren van
ge-
(a) Vid, Photië Bibliosh. Cod, 259,
Maart en-April 1719. 275
gefproken hebbe, (a) oordeelt, dat deze
Fabel verziert is, om dat de Oude Scythen,
dewelke omtrent CGolchos woonden , te weten
tuflchende Pont Euxinen de Cafpifche Zee,
overvloeiden in rykdom vangoud , het welke
zy in doorgeboorde en met gaten gewerkte
tafels, en daar overgefpanne vellen;uit de Goud-
ryke Rivieren, die door haare Landen vloei-
den, vifchten, en dat Jazon met zyn vloot
het goud daar van daan heeft gehaalt. Het
welk ook getuigt en beveftigt word,van Ap-
pianus, ‘daar hy van de Oorlog van Mitbri-
dates fpreekt, en verhaalt, dat Pompejus in
zyn tyd die Goudryke Rivieren zelfs gezien
‚ hadde, in dewelkede Inwoonders deze hairi-
ge vellen als onder water ftaken, aan dewel-
ke het Goud-{tof en affchaafzels hangen ble=
ven, en hy oordeelt, dat dit het zelfde gul-
de vliesis, dat Yazon roofde. En watde out-
heid van deze Hiftorie belangt, zulks kan
zeer wel met de Scythez over een koomen,
want de Scythen zyn na alle waarfchynlyk-
‚ heid noch ouder Volk als de MEgyptezaars
zelfs, het welk ik op zyn plaats genoegzaam
hoope te zullen konnen toonen. «Wanneer
ook Noach met zyn Familie uit de Arketrad,
was hy veel nader aan Colchos of deze Scythen,
(om een Volkplantinge te verwekken) als aan
het veraf gelegen Agypten, daar Abraham na=
derhand eerft de Volkplanting ontmoete; en
dat deze zeer oude en mede eerfte Volkeren,
te weten de Scythez van Colchos, zeer ryk
van goud geweeft zyn , zullen wy datelyk
S 2 lee-
… (£) Vid. Strabo Lib,X,
276 Natuur-en Konft-Kabinet,
leeren uit Plinius, die altyd geweldig naauw-
keurig geweeft is, in het opftooven der Aal-
oudheden en afkomf{t der Natuurlyke Zaa-=
ken.
Plinius {preekt an de zeer groote ryk-
dom in Goud van de Scythez in zodanig
een overmaat, dat ik met {chroom mede dee=
le, ’t geen hy in zyn drieendertigfte Boek
aan ’t derde Kapittel verhaalt, dat de Ko-
ning van Colchos geheele Kamers en trappen
van goud en zilver hadde , maar dit zal bui-
ten twyfel van met goud bekleede wanden:
verftaan moeten worden.
5.
Alhoewel ik nu Hd heb-
be, dat de Aaloude Volkeren , en voorna-
mentlyk de Aaloude Hebreërs , Scythen, Ara=
bieren, LEgyptenaaren, Lybiers, en andere
Volkeren zeer ouwelings groote kennifle
van ’t Goud gehad hebben , is tot noch toe
niet genoeg getoont, op welk een wyze by
ouds in Europa het Goud uit de Mynen ver»
gadert wierd; want dewyl de Aaloude Fraz-
fchen, Spanjaarden , Hongaaren, of Volke-
ren dewelke die Landen bewoonden, de
Volkeren aan de Zwarte Zee, en zelfs de
Volkeren , die de Alpifche Gebergtens be-
woonden, overvloedig ryk in Goud waren,
fpanden echter onder de Europianen by ouds
de Spanjaarden de kroon van alle de andere
Europijche Natien , en in Spanjen wierden
zo wel als in Zgypten groote en grouwzaa-
me
Maart en April 1719. 27
me Bergwerken gevonden , daar by ouds
Goud uit gemeubelt wierd.
. 5
(4) Plinius zegt: He Goua ‚dat uit de Bergen
word gehaalt, noemen zy Mynrerts , of myn-
ofader-metaal, en dit goud-metaal ( vervolgt
hy ) groeit in de zelfftandigheid van het mar-
mer in Sparjen, en loopt met aderen door
de Marmere Bergen. Deze Myn-aderen
worden ingegraven, gehakt en gewerkt , en
dan met houte zolderingen en pylaaren onder-
fteunt, op dat zy niet zouden invallen. De
Erts, die uitgehakt is, word geftampt, ge-
brandt , gemaalen en gewaffchen; zy,‚dryven
door gewelt van vuur in haar brand-en fmelt-
Ovens het zilver, dat daar onder vermengt
is, uit; en de fprankels, die onder het koo-
ken daar uit{pringen, worden naderhand we-
derom geftooten en tot Goud gekookt.
36:
— Plinins regt, dat de fmelt-ketels of fornui-
zen, of liever fmelt-kroezen , daar zy het
goud in kookten, gemaakt wierden van een
witte aarde, die van een vafte en kleyachtige,
en voor 't vuur een beftendige materie was 5
dit werk in de Bergen gaat ( nazyn zeggen }
hee werk der oude Reuzen te boven, want
zy hakten en klopten met zwaare hamers en
ander brekend gereetfchap zo lang in deze
rotsachtige Bergen, tot in haar diepfte inge-
swanden ,in zo ver , dat zy zelfs het daglicht ver-
Joren; zo dat deze Bergwerkers zomtyds geen
daglicht zagen in eenige maanden, en Es
et
{a) Lib, 33. Cap.4
273. _Natwur- en Konft-Kabinet ,
her licht der lantarens gedwongen waren te
arbeiden. Zomtyds fpleten (zegt hy ) de Ber-
gen onder het werken zo onverwacht en
grouwzaam van malkanderen , dat de Ar-
beiders wierden overftolpt en levendig be-
graven.
37
Zomtyds ontmoeten zy (vervolgt Plinius
onder het ingraven en inhakken, groote kei-
of vuur-{teenen, deze maaken zy door kragt
van vuur gloejende , en doen dezelve fprin-
gen, en vermurwen zommige met fcherpe
azyn. Dag en nacht droegen deze Bergwer-
kers groote brokken fteenen en erts opde rug,
die zy aan malkanderen over reikten , om
na buiten te brengen , de wanden en zy-fteen
{plyten zy op met groote yzere wiggen en
zwaare hamers. Alszyzomtydsde Bergwer-
ken onder hebben uitgewerkt, ftont altyd
boven op de Berg iemant op de wacht, en
als die gewaar wierd, dat de Berg begon te
bewegen , en dreigde in te ftorten, wierd het
volk door een teken fchielyk na buiten ge-
roepen , en elk nam de vlucht, terwyl on-
dertuflchen zodanig een fluk van de onder-
gegrave rotsbegon in te ftorten, het welk een
gedruis en een wind maakte , die niet uit te
drukken is. En deze groote moeite en ar-
beid deden zy menigmaal , zonderdat zyeens
verzekert waren, of zy Gouderts-aderen zou-
den vinden; hy befchryft de gevaartens van
haar waterleidingen en uitemmering, en veel
zaaken, die by Plimius gelezen konnen wor-
den. Deze waterleidingen worden zodanig
Se-
Maart en April 1719. 279
gemaakt, dat zy met een vreeslyk gewelt
koomen afvliegen, en groove: ftukken van
rotzen door haar kragt mede voeren en weg-
fehuuren: Hy verhaalt, dat in de Landfchap-
pen van Afturie , Gallicie en Lufitanie wel
„het meefte goud viel.
: 3 E
Plinius verhaalt, dat in zyn tyd uit vee-
le Goud-ryke vloeden ook goud wierd opge=
vifcht, als uit de Zaag in Spanjen, uitde Po
in Jtalien, uit de Hebrus in Thracien, uitde
Paltolus in Afia , en uit de Ganges in Ix=
dien. Plinins heeft ook verfcheide plaatzen
aangetekent ‚ daar ’t Goud niet zeer diep uit
de oppetvlaktens der aarde in zeer ryk men
taal zomtyds gevonden wierd By het le-
ven van onzen Plinius was Romen over-
vloedig van Goud, en voorwaar geen. won-
der, dewyl de Romeinen by-na alle de Na-
tien van de bekenden aardbodem haare ryk-
dommen beroofden, en in haär Wereld-ftad
opftapelden. Hy getuigt, dat in zyn tyd de
treffelykfte Lieden de wandenen zy-muuren
van haare huizen met goud lieten vergulden,
even gelyk of het Kleinodien en goude vaten
waren ; dat binnen Romer alderhande konft-
„werken van goud gemaakt wierden, en dat
de konft van in ’tgoud te werken zo ver
„gebrágt was, dat hy zelfs gezien hadde, dat
Agrippina een kleed aan hadde, dat van maf=
fif goud geweven was, als zy naaft Claudius
zat op een tyd, dat hy een Spiegelgevecht te
water liet vertoonen. Hy merkt aan, dat
“in al het Goud min of meer Zilver gevonden
ko S 4 wierd,
2860 Natuur-en Konft-Kabinet,
wierd, zomtyds een tiende, zomtyds een
negende, en zomtyds een acht{te part, enz,
9.
Uit alles, dat tot Berk toe van de aal-
outheid van het Goud verhaalt is, kan de
Lezer zeer wel merken , dat ten fyde van
Mofes, en zelfs voor Mofes tyd, behalven
het opgevifcht of anderzins gevonden Goud,
ook al Goud door zwaar werk uit de
onderaardfche mynen is gehaalt, en“dat ver-
volgens de konft van Bergwerken en Me-
taal-gravery al zeer lang voor het leven van
Mofes in de wereld is geweeft. De Aalou-
de Agyptenaaren, ja zelfs haar eerfte Ko-
ningen, waren by uit{tekentheid groote Lief-
hebbers van de Myn-werken, Ertzen, Me-
talen, Steenen en Mineralen, gelyk uit de
getuigeniflen der aaloude Hiftorien, en Schry-
vers van onbedenkelyke tyden zeer klaar
blykt. Voornamentlyk waren onder de ZE
gyptifche Prinffen die van de Stad Zhebez
of het Zhebaanfche Land beroemt in deze
voortreffelyke natuurlyke Hiftorikunde , en
Metaal-en Mineraal-konften. Het overoude
Theben was ouwelings de fchatkift en het
magazin van Goud, Zilver, Koper, alder-
hande Metalen , Mineralen , Steenen, en
van alle de Konften, Konft-(tukken , We-
tenfchappen en Handwerken , in alle deze
natuurlyke gewrochten en fchepzels.
40.
T'HEOPHRASTUS Errsius, geboren op’t
Eiland Lesbos, dewelke de Prins van alle de
Leerlingen van Ariftoteles was,en hem Rn
00
Maart en April 1719. 28r
ok in het recht van Lieermeefterfchap is op=
gevolgt tot Athenen, heeft onder andere Boe-
ken aan ons nagelaten een zeer klein Boek-
je, handelende van de Edele Gefteentens;
maar dewyl Zheophraftus in dit Boek reets al
van de Koningen van Zgyptea van een zeer
ouden Datum melt, konnen wy veel licht in
deze Outheden fcheppen, als wy zelfs aan-
merken, dat Zheophraftus Erefius zelfs drie
hondert «en vier en twintig jaaren voor de
Geboorte van onzen Zaligmaker, dat is in
de hondert en veertiende Olympiade, (a)en zelfs
al een weinig voor dien tyd geleeft heeft;
dat is, detuffchentyd van het laat{te van ZMo-
Jes leeftyd, tot het begin van de leeftyd van
onzen Zheophraftus Erefius, kan maar ruim
elf hondert jaar uitmaaken. ,
L.
Als wy nu eens nne letten op alles,
„dat Theopbraftus van de Gefteentens fchryft,
en op alles, dat hy van de konften aanhaalt,
door dewelke dezelve wierden of gepolyft, of
gegraveert , of gefpleten, konnen wy lich-
-telyk begrypen, dat al veel tyden verlopen
‚moeten zyn geweeft, eer deze zaaken zoo
omftandiglyk konnen uitgevonden zyn ge-
„weeft ; te meer als wy daar by voegen alles,
dat van de Metalen, Goud, Zilver, Berg-
-ftoften en edele Gefteentens, als in de Borít-
lap des Hoogenpriefters enz. in de Boeken
van Mofes gemelt word, konnen wy hier uit
zeer lichtelyk afleiden, en als een waarfchyn-
Ss lyk-
(a) Want in die tyd wierd Theophraftus al in de
plaats van „AZriffoteles als zyn Opvolger geftelt.
282 Natuur-en Konft-Kabinet,
lykheid vaft ftellen, dat die van Theben al
lang voor de leeftyd van de Man Gods Mo-
fes hebben geleert geweeft in de Bergwerken
en bereidingen der Metalen, Mineralen,
Goud, Zilver, Koper, Steenen, Albaften,
Edele Gefteentens; mitsgaders in de kennifle
der natuurlyke Hiftorien, Konften en Hand-
werken, dewelke omtrent deze zaaken te pas
kwamen,
2.
Daar Ebba che maakt van het
Marmer, onderfcheit hy wel duidelyk vier
foorten, dewelke alle byzonderlyk genaamt
wierden na de byzondere Luandfchappen, daar
dezelve Steen-groeven of Steen-breeken ge-
vonden wierden, als de vermaartfte zynde,
daar hy kenniffe van hadde, namentlyk. 1De
Steengroeven van het Eiland Paros, dat zeer
vermaart om zyn Marmer was. 2DeSteen-
groeven van * Griekfche Gebergte van Pez-
zolicum. 3De Steen-groeven van ’t bergach-
tige Eiland Crios, in de Egefche zee gele-
gen. En 4. van de aaloude vermaarde Steen-
groeven en Mynwerken van Tree in Zgyp-
ten. Hy verhaalt ook uit de aantekeningen
der levens der oude Koningen van Zgypten,
dat de Koning van Babylonien groote ge-
fchenken liet doen aan die van Agyptez , van
zeer uitnemende groote Smaragden, daar de
groote Liefhebbery van de Zgypufche Prinf-
fen van dit flag van zaaken klaar uit opkomt,
Daar hy van de Chryfocolla of Borax fpreekt,
melt hy, dat de zelve zeer overvloedig in de
Goud-mynen ot Bergwerken gevonden wierd,
pre-
Maart en-April 1719. 283
fprekende vervolgens van de Goud-mynen,
als van een zeer algemeen bekende en over-
oude zaak. Daar hy van de Agaat {preekt,
zegt hy, dat in de goud-mynen en bergwer-
ken van Lampfacus teer heerlyke Steenen
gevonden wierden. Dit Lampfacus was een
vermaarde Stad in klein Afiez, die nu noch
onder de Turken van aanzien is,en daar
getuigt (by deze handeling van. de Agaat)
onzen Zheophraftus, dat by zyn. tyd al een
Goud-myn gevonden wierd. 5
abi)
„ Wy konnen by dezeoverlezing, van Zheo=
phraftus ook aanmerken, ter opheldering van
de Outheid van de kenniffe des Gouds „ dat in
zyn tyd en al lange tyden voor hem de
Toetfteen ( om.door dezelve het Goud te
beproeven ) in ’ gebruik en zeer, gemeen-
zaam bekent was ; dat de zelve gevifcht
wierden uitde Vloed Zwolos, maar Plinius
getuigt, dat de Toetfteenen in zyn tyd op
veel plaatzen in verfcheide rivieren overal
gevonden wierden,
Maar om ber Kan koomen tot de Out-
heid der Metaal-en Mineraal-kunde der ZE
gyptenaaren , en ‚van de Bergwerken van het
beruchte Zheben, is de plaats van Theophra-
flus zeer kragtig, daar hy verhaalt, dat de
Schryvers, dewelke deyerrichtingen der eer-
fte Lgyptifche. Koningen. hebben nagelaten,
getuigen, dat de eerfte van. die Prinflen:de
uitvinder is geweeft, om de Lazuur-fteen-of
__Lapis Lazuli -door- konft te maaken, ‘alzo
fchoon é
284 Natuur-en Konft-Kabinet,
fchoon , als de Lapis Lazuli, dewelke de
Natuur in ZBEgypten voort bragt: hy zegt
zelfs, dat van alle de foort van Lazuur-
fteen de Zgyptifche de fchoonfte was.
45
Als dit nu tegens de mogelykheid aanliep,
(gelyk wy ftaaltjes omtrent de zwerzers in de
Alchymie dagelyks bevinden) zouden wy
Zheopbraftus niet konnen geloven , maar aan
wie is dog onbekent, dat wy door kont,
van ’t zilver enz. het Ultramarin of de La-
pis Lazuli konnen bereiden ? Hedendaags
werd immers noch als voor een geheim ge-
houden , de edele gekoleurde Gelteentens door
konft na te maaken ; en wy hebben maar een
eenig Schryver, dewelke daar met eenige ver-
klaring over gefchreven heeft , namentlyk
KUNKELIUS; want Kircherus, Joan. Bapt.
Porta , de Boot , Neri en andere zyn of
veel te laborteus, of zelfs zeer onkundig,
gelyk ik na dezen zalbewyzen met de proe-
ven; en hier komt een overoud en eerfte
Koning van MEgypten, dewelke dat kunsje
al in de grond verftaan heeft, en aan ons
voor een goede getuigeniffe verftrekt, dat by
die van Theben in MEgypten alle de weten-
fchappen en Mineraalwerken , en Kontten en
Goud-bereideryen zeer bekent en gemeen ge-
weeft moeten zyn. En wieziet nu ook niet,
dat hier door zeer word beveftigt en opge-
heldert, ’t geen in de Boeken van MMofes,
van de goude en zilvere vaten, van de ryk-
dommenenjuweelen onder de ZEgyptenaaren
en kinderen /fraels, zo dikmaal gemelt A
C-
Maart en April 1719. 255
dewyl de leeftyd van Mofes maar elfhon-
dert jaar voor Zheopbraftus geweelt is.
6
Wie zoude ook Bel twyfelen, dat het
Goud, deszelfs bereiding uit de bergen, de
konften van goud-{medery, goud-gietery, en
zelfs bladgoud-kloppery, onder de Migyptenaa=
rea ten tyde van /Mofes, en lang voor dezel= —
ve bekent en geoefent geweelt zyn, als zo
veel oude Heidenfche Schryvers met Mofes
in die zaak overeenftemmen ? Wat zet dit
alles aan de Schriften van /Mofes een heerly-
ke glans van waarheid by! De goude vaten,
dewelke de kinderen Zfraels (a) de Aigypte-
naaren ontleenden, de goude oorcieradien.
der Jfraelitifche Wyven, Zoonen en Doch-
teren, daar Aaron het goude kalf van goot,
en duizend andere bewyzen, zyn die niet alle
tot overtuiging, dat de Goud- fmeed- Goud-
giet-en Goud-finelt-konften , en zelfs ’t Goud
zeer gemeen, zeer overvloedig en zeer be-
kent zyn geweeft by de oude Migyptenaaren >
De verbreking van ’t goude kalf door Mofes
tot drinkbaar (tof , wat is het anders, als
een bewys, dat de Man Gods Mofes deze
Metaal-fmeltkonft enz. zelfs grondig gekent
heeft? Als wy ook alle de overdekkingen
des Tabernakels als anders met goud en
diergelyke werken, Pilaaren, lyften , tafels,
kranzen, ringen, wilden examineren, daar
Exodi3 kap. 36. en 37. van gemelt word,
Wie zoude durven ontkennen, dat de blad-
“goud-flagers konft alzo wel als de andere
hand-
(a) zies Exodus 32, vers 2.3
286 _Natúur- en Konft- Kabinet ;
handwerken en konften in’tgoud,by de ou-
de Egyptenaaren en kinderen Zfraels zeer
gemeenzaam bekent zyn geweeft , dog dit en
oneindige bewyzen uit de oude Heilige Schry-
vers zál ik {paaren voor een ander tyd. Daar-
om zal ik nu (a) van BEzALEEL den zone
Urin des zoons Hur, van de ftamme Jude,
zieken, noch van zyne wetenfchappen
en ““rnuft in alle handwerken, als de wer-
ken in Goud, ende in Zilver, ende in Ko-
per, ende in konftige Steenfnydingenomin te
zetten, ende in konftige Houtfnydingen;, noch
ook van zyn Leerling AHoLIAB, de zone
Abifamach, vande ftamme Dan, en dierge-
Iyke aaloude zaaken. :
47.
Ik geloof, dat ik bewys genoeg aan myn
Lezers gegeven zal hebben, om de zelve te
doen begrypen, dat alles, dat ik uitde aalou-
de Heidenfche Schryvers gemelt hebbe, van
de aaloutheid des gouds, van de bergwerken
en goud-ertzen in Zgypten enz. en de konft
van ’t goud, en de goud-en zilver-fmits win-
kels der oude Zhebanen en Mgyptenaaren,
overeenkomt met de befchryving dier zaa-
ken, door Mofes en andere Heilige Mannen
nagelaten, voornamentlyk als dezelve dit koo-
men te vergelyken by tgene, datde oude Boe-
ken van Mofes en die der Heilige Schriftuur ons
alom zo wyd en breed van deze natuurlyke Stof-
‘fen, Konften en Handwerken mededeelen.
My dunkt in der daad, dat de waarheid van
de Boeken 2Mofis zeer word beveftigt en op-
gehel-
(a) Ziet Emoilus3s, vers 30, ZL. 32e 33e
je tuflchen Pergamen en Atorne haalden,
Maart en April 1719. 287
geheldert, wanneer de oude Heidenen en de
geflage vyanden van Gods volk, uit de al-
deroudfte overblyfzels en bewysftukken, de-
welkezy hebben, gedwongen worden „de na-
tuurlyke zaaken , konften en handwerken,
en zulks inde zelve landfchappen , zodanig te
befchryven , dat derzelver befchryving metde
omftandigheden en hoedanigheden der zaa-
ken en tyden van MMofes overeen koomen.
4 e
Hoewel ik maar alleenlyk melding gedaan *
hebbe van twee vermaarde Goud- Meraal-en
Bergwerken der aaloude, te weten van die
der Agyptenaaren en die van Spanjer, en
de andere maar ter loops hebbe aangeroert,
zoude ik myn Lezer noch wel andere Me-
taal - en Goud-erts groeven, Goudmynen
en Bergwerken der aaloude Volkeren kon-
nen befchryven, als myn. beftek my zulks
niet verbood; als by voorbeeld (volgens het
getuigenis van Scepfius by Strabo) van de
Metaal-groeven in Phrygie, en van. Thracie
by de Berg Pangous, en van’t Goud, dat
Priamus by Abydum uit liet graaven ; maar
Strabo getuigt, dat in zyn tyd daar niet als
de tekens der uitgegrave kuilen van overge.
bleven waren , ter plaatze daar hy te gelyk
melt, dat de goud-rykdommen van Mygas uit
de Metaal-bergwerken van de Berg Wermins
voortkwamen , en dat Gyges, Alyattes en
Groefus haare grouwzaame Rykdommen van
goud uit de mynen van een verlaten plaats-
daar
(«) Vid. Strabo de fitu orbis Lib. XIV.
288 Natuur-en Konft-Kabinet ;
daar noch veel uit-egrave plaatzen waren,
na debelydenis van Strabo, die door degoud*
gravers waren uitgewerkt, maar ik zal de
Outheid verlaten , en tot de kenniffe. des
Gouds,en de Bergwerken , Mynen en Goud-
„Ertzen overgaan van de latere eeuwen en
onze tyden.
Tweede erhandeling van het GOUD waar
“indeKenniffe enWetenfchappen desGoudsy
en der Goudriuynen ‚ en Landen en Plaat-
zen van AMERICA vertoont worden:
>
K
teerd verhaalt, dat in desgrouwzaame
Bergen, dewelke wy de Pyrineen noe-
men, en die de twee groote Monarchien var
Vrankryk en Spanjen van malkander fchei-
den, al gewerkt en gegraven wierd ten tyde
van den Carthaagfchen Hannibal , en zelfs
lang te vooren, en dat geen Natie in deze
Goudmynen en Bergwerken by ouds beter
bedreven was, als de aaloude Spanjaarden,
daarom zal ik ook van dezelve in de ver-
handeling van de Goud-kenniffe der heden-
daagze wereld eerft beginnen, en met haare
Vlooten overfteeken na het Goudryke 4-=
mericâ4.
pi
De ontdekking van America door Curr-
STOFFEL KOLUMBUS in het jaar 1492. is
een van de Aanmerkelykfte gefchiedeniffen,
daar eenige latere Hiftorifchryvers van gmel-
den
Maart en April 171g. - 289
den. En ’t geen de zaak aanmerkelyker
maakt, is,dat Kolumbas van niemant eenig
Yicht tot zyner ontdekking van eenig zoo oud
__als nieuw Schryver heeft konnen ontvangen ;
want te willen vaft (tellen, gelyk zommige in
Spanjen toen ter tyd deden, dat America by
de Aalouden bekent is geweeft, en dat zom-
mige Schryvers daar zelfs van gemelt hebben,
is een laftering, dewelke de vyanden van de
lorie en welverdiende lof van Kolumbus by
de tuiten uit eenen duifteren afgrond van mift
én fchaduwe voor den dag haalden, om niets
als haar eigen nydigheid en kwaat gedrag me-
de te bewyzen. Dat veel bedorve zielen te-
gens Kolumbus opftonden, bleek alleenlyk
genoegzaam daar uit, dat hy eerft aan de Se-
naat van Gezua, naderhand aan de Koning
_ van Portugaal zyn'dienft geprefenteert had-
de, maar wierd of mishandelt, of befpot of
bedrogen. Hy zond zyn Broeder na de Ko=
ning van Eggeland, dog ook al te vergeefs ;
Eindelyk begeeft hy zich na Spanjen by de
Koning Ferdinand en de Koningin Z/abella,
die hém zeer toegenegen was, en voor de-
welke Kolumbas zyn geheele leven lang ook
veel eerbiedigheid gehad heeft, want na dat
Kolambus vyf jaaren lang aan dit Hof met
de afgunftige geworftelt hadde, wierd hy
_ door beleid van de Koningin eigentlyk gehol-
en, totdathy eindelyk met drie Schepen on-
der zeil geraakte.
heus kee \
« Zoekt, bidde ik U , alle oude Wereld-be-
Schryvers, die over de geheele of ten deel
p re be-
290 Natuur-en Konft-Kabinet,
bekende Aardkloot gefchreven hebben , als
Ptolomeus, Strabo, Pomponins Mela, Phi
nius Secundus, Polybius, Stephanus, Soli-
aus, Plutarchus, Falius Cefar, Antonini I-
tinerariun, Paufanias, Ravennates, Dioni-
fins, Dieearchus, Martianus Heracleota, de
overoude Hanno van Carthago, de aaloude
Scylax, Agasbarchides, Artemidorus van E-
phefen, Scymnus van Chio, 1fidorus Chara-
seuus, Agathemerus , en veele ,dewelkeik o-
verfla, en eenige onbekende en zonder naa-
mien, van dewelke wy zommige geheel, en
andere by ftukken en brokken overig hebben.
Onderzoekt verder alle aaloude Hittorifchry-
vers, Philofophen, en andere oude Schryvers,
niemant van haar zal u eenige melding doen
van dat onmeetlyk groot gedeelte des Aard-
bodems, het welke wy America of de nieu-
we wereld noemen, en door de Spanjaarden
eerft ontdekt is.
Ik weet wel, dat OE bybrengen een:
voorzegging uit de Medea van Sereca, en
de woorden van Gregorius over de Brief van
Clemens, dat’er over den Oceaan een andere
Wereld zoude zyn; als ook uit de Zimeus
van Plato, vaneen groot magtig Eiland, dat
grooter was, als alle de in die tyd bekende
wereld-deelen, mitsgaders van Reizen der ou- -
de Carthaginenfers, als mede van den Car-
zhaagfchen Hanno, die de kuften van Africa
bevaren heeft, en het getuigenifle van Eudo-
zins. Maar geen van alle deze getuigeniflen,
raadzels, voorzeggingen, ot duiftere es
lyfe
Maart en April 1719. 2of
blyfzels gevente kennen, dat ooit iemant den
woelten en ruimen. Oceaan heeft derven o-
verfteeken, gelyk naderhand de groote Áo-
lambus, en zyne Navolgers gelukkig iyk heb-
ben uitgevoert. „De Oude geloofden ‚ dat
het aardryk bepaalt wierd door de Cazarifche
Eilanden, en dat alle het overige ten welten
ftrekkende , niet als den Oceaan en louter zee
was; en dewyl het Compas eerft is uitgevon-
den door Flavto een Napolttaan, in 'tjaar 1300
na de geboorte Ghrifti, was het voor de Oude
niet wel mogelyk of raadzaam, haar zo ver
van eenig Land op den ontzachelyken Oceaan
te betrouwen,
5.
Het eerfte Land van het ryke America wierd
ontdekt by nacht ‚door een man op de vloot
van Kolumbus, RODRIGUES DE T RIANA ,zyn-
deint jaar 1492 tuffchen Donderdag enV rydag
twee uuren na de middernacht ‚en gevolgelyk
met het beginzel van den dag van den 12. Oêto-
ber. Zy waren methaare Schepen twee mylen
vanland , doen het eerft wierd ontdekt , door,
het zien van aangeltoke lichten , daar de
Andianen by nacht van de eene wooning me-
de na de andere liepen. Deze ontdekking
gefchiede , na dat zy den 6. van Septem-
ber 1492. van de Cazarifche Eilanden zich
inde volle Oceaan (altyd Welt aan varende)
hadden begeven.
Het Lund, dat zy ontdekten , was een
Eiland, dat de Admiraal Kolumbas de naam
van St. Salvador heeft gegeven, leggende
ÉP van
292 Natuur-en Konft=Kabinet ,
van de Canaritche Eilanden negenhondert en
vyftig mylen, het welke de vloot in drie-en=
dertig dagen hadde afgezeilt. Dit Eiland be-
hoorde onder de Lacayfche Eilanden, en is
omtrent twintig mylen ín delengte, en was
in dien tyd zeer ‘bevolkt en vruchtbaar.
Nu kan maar gerekent worden , «dat van het by
ouds bekende deel des aardkloots , te weten
de Cazarifche Eilanden, tot aan het onbe-
kende eerfte Eiland dezer nieuwe wereld, 33
dagen ter ontdekking zyn. doorgebragt. Wat
dunkt u Lezer, daar al hondert en twee en
% negentig jaar-’t gebruik des. Compas-naalts
bekent was geweeft, wierd deze onderneming
om van land zeewaartinteftevenen, nu eer(t
ondernomen en uitgevoert? Het volk van. dit
Eiland en de Kaftiltanen zagen malkander met
even veel verwondering «aan, maar bejegen-
‚den malkander vriendelyk: en goedaardig,
en dreven ‘datelyk handel. “Zy vonden hier
Katoen of Boomwol , Papegaayen, ‘en ee-
nige blaadjes Goud, dewelke de Indianen
aan haar neus droegen, en-dit was „het eerfte
Goud van deze nieuwe Wereld ; welker
fchatten toen ter tyd, of kortelyk, en noch
zomtyds hedendaags zo veeì geruchts hebben
“gemaakt. Zy ontdekten hier overal een
‘groote menigte diergelyke Eilanden „ maar op
den 20 Oétober het groote en noch vermaar-
deEiland Kuba.
Teleng
Aan het zeer groot Filand. Kuba, op het
welke zy de eerfle Goud fimelteryen-ontdek-
ten, vonden zy Mais, Kaffavi en brood-
vruch-
Maart en April 1719. 293
vruchten,fteenen die als goud glinfterden „en zeer
groote rykdom en overvloed. Van Kzba ver-
trok Kolumbus na ’t Eiland Mifpanivla, en
het Eiland Zortua. Hier begonden de Span-
jaarden eerft de rechte lucht van ’t Goud te
krygen, en ontvingen voor alderhande {nui-
fteryen goude Ketenen en Cieraaden van Goud,
goude korlen, en gearbeidt en enigzins kon-
ttig gefmeedt en li goud,
Op het Eiland Mifpantola vonden de Kaftí-
dianen een weinig beter regering en gedrag
der Indianen ‚en veel Rykdommen van Goud,
en verfcheide Koningjes, onder dewelke dit
Eiland in Landfchappen verdeeltwas; de Ka-
ftilianen bouwden hier een Portres. Vandeze
Koningen wierden zy befchonken mét goude -
plaaten, en geheele Momaangezichten of Mas-
kers, welker neus en oogen van mafif Goud
waren ; maar niet tegenftaandehier veel goud
gevonden wierd, en van het zelve verfchei-
de konft(tukken, fcheenen de Indianen echter
de rechte konft van gieten of wel te bewer-
ken niet te verftaan, dewyl zy de grootfte
goud-korlen, zo als zy die uit de aarde haal-
den, met harde fteenen kneusden, en dan zo-
danig bewerkten, als haar goed dacht. Dit
was dan het eerfte Eiland, daar de Spanjaar=
den zich op veltigden, en na dat Kolumbas
negenen dertig man in deze Sterkte onder be-
hoorlyke Bevelhebbers geftelt hadde, vertrok
hy wederom na Spanjen, om verflag van zyne
verrichtingen aan haar Catholyke Majeftei-
ek: ten
zo4 Natuur-en Konft-Kabinet,
ten te doen, vertrekkende op woensdag den
4. January 1493.
Na dat Kolumbus veherdiff voor de twee-
demaal op Hifpanivla uit Spangen was aange-
komen met een aanzienlyke vloot, beveftig-
de hy aldaar de Muxarchy des Konings van
Spanje, en wierd voor de eer{temaal door een
Koningje van dit aanzienlyk en doenmaals ryk
Eiland met verfcheide kalabaflen (tofgoud be-
fchonken, en andere ftukken fyn goud, we-
gende met malkander over de twee hondert
ponden, Kolumbus bouwde een Stad in %
Landfchap Cibao, ontdekte het land, en vond
verfcheide Rivieren , welker zanden zeer
goudryk waren, te weten in 't Landfchap
Cibao, dat uit zich zelve zeer rouw en {teenig
land is ; maar zeer Goudryk in Mynen en
Goud-erts, en van een zeer groote uitge-
ftrektheid.
10,
De Admiraal Kolumbus, dewelke van
de Koning van Spanjen tot Onderkoning
van alle deze nieuwe ontdekte Liaanden was
aangeltelt, geraakte op ’t groot Eiland Hijpa=
niola als in een vafte regering, door dewel-
ke hy de Indianen na verfcheide overwinnin=
gen eindelyk onder een fchatting ftelde, be-
ftaande in de volgende omftandigheden. Dat
de inwoonders van bet Landfchap Cibao op
Hifpantola, en die van het Koninglyke veld,
(daar nu tegenwoordig de Stad St. Fzgo ge-
vonden word) gewens de Nagebuuren der ly-
gen, van veertien jaaren en daar boven hef een
vei
Maart en April 1719. 295
kleine maat vol goud van drie maanden tot
drie maanden betalen zouden, en alle de ande-
ve zonder onderfcheid vyf en twintig ponden
Katoen. Op dat de Spanjaarden nu zouden
weeten onder deze groote menigte Indianen,
of zy haar goud hadden opgebragt, wierd een
kovere penning geflagen, dewelke de Indias
nenals een teken, en tot een prefent voor
haar goud, om haar hals droegen, en deze :
wierd van twee maanden tot twee maan-
den verandert in een munt-teken. Maar de-
wyl de Indianen deze zwaare fchattingen niet
konden vergaderen, vluchtten veele na het
gebergte; en deze en diergelyke goudgierig-
heid der Kaftilianen is oorzaak geweelt
van duizende Muiteryen, Opftanden , Oor-
‘logen, Moorden en Wreedheden, die na
derhand door alle de Zndien zyn voorge
vallen , en is ook de oorzaak, dat de
Spanjaarden hedendaags noch niet weeten,
waar veele van de oude ryke goud-mynen
zyn gebleven. Il.
De plaats, die op Hifpaniola het Koning-
Iyke veld genaamt wierd, eneen zeer groo=
te omtrek hadde, en daar tegenwoordig Sf.
Pago legt, wierd zo lang doorgezocht, tot
zy eindelyk de Goudmynen, dewelke daar
waren, ontdekten na zeer veel moeite en ZOe=
kens, dewyl de Indianen dezelvewerborgen
hieldeu# Deze goudmynen liet Kolumbus
de mynen van Sz. Chriftoffel noemen, dog
zyn daarna de oude Mynen genaamt, en
zyn de eerlte geweelt, daar de Spanjaar-
den in hebben doen arbeiden.
Es Na
296 Natuur-en Konft-Kabinêt,
12.
Na dat Kolumbus de regering aan zyn
Broeder Bartholomeus Kelumbus hadde toe:
vertrouwt, en op alles ordre hadde geftelt,
vertrok hy voor de tweedemaal wederom ra
Spanjen, en kwam aan ’t Koninglyke Hof,
dat in dien tyd tot Burgos gehouden wierd.
Hier dede Kolumbus wederom verflag vanal-
le zyne verrichtingen, en vereerde aan hatre
Mayjefteiten (tot een proef vande vruchten van
zyne ontdekkingen jeen ryk gefchenk vanGozd,
zo als het in de Mynen op Hifpartola gevon-
den wierd; waar onder zuivere greinen wa-
ren, zo groot als erreten, boonen, en mus=
caat-nooten, benevens een groot getal mom=
aangezichten of maskers, waar van de oo«
gen en neus van goud, en by de Zudianen in
gebruik waren. Dezeenanderezaaken deden
de Koning refolweren, om menfchen van al-
derhande konften en ambachten, en voorna-
mentlyk lieden , dewelke in goud konden wer-
ken, na Mifpantolaoverte zenden, benevens
eenige Geeltelyke, Dottoren , Chyrurgyas,en
alderhande foort van andere menfchen , de-=
welke verlof kreegen om in de Mynen te laa-
ten werken, mits dat zy twee derde deelen
aan haare Majefteiten moeften uitkeeren , ter-
wyl aan elk een gedeelte lands in eigendom
wierd gefehonken, om op ‘te woonen en te
leven. Deze Mynen van Hifpaniola zyn ta-
melyk ryk ‚ maar de Spanjaarden konnen door
gebrek van volk daar weinig aan laten wer-
ken.
Bee
Maart en April 1719. zo
13.
Behalven dit dali and Hifpaniola, en
het overgroote Eiland Kuba, hadde tot dus
verre Kolumbus (benevens een ontelbaar ge-
tal kleine Eilandjes) ook het Eiland Jamaica
ontdekt, zo dat deze drie groote en een me-
nigte kleine Eilanden in ’t jaar 1498. onder
de Heerfchappy van de Koning van Span
jen waren gebragt, zyndezes jaar nadeeer(te
ontdekking. ,
14.
„In dit jaar 1498. op woensdag den 30.
May vertrok de groot Admiraal (die nu ook
tot Markgraaf verheven was) Chriftoffel Ko=
lambus wederom uit Spanjen met zes fche-
pen na America, om verdere ontdekkingen te
doen, nadat hy al eenige fchepen na deze nieu-
we Kolonien vooruit hadde gezonden, en
ook de meefte van deze zes na Hifpaniola enz.
zond, terwyl hy verder na de vafte kuft, de-
welke hy toen noch niet kende noch ontdekt
hadde, ftevende ; hy vond wederom verfcheide
nieuwe Eilanden, als Trinidad enz. die ik zal
overflaan, als tot myn oogmerk niet dienende.
Hy kwam aan zommige plaatzen, daar hy
Andianen ontmoete, dewelke veel goud , maar
van zeer flecht aloy om haar hals droegen;
hier kreegenen ruilden zy voor koper, kora-
len en fnuifteryen veel van dat flechte goud,
als halve hoefyzers van paarden, en zommige
klompen als een appel, dit was by de Kaap
Lapa tuflchen de hoek van Parza en ’t valte
Land. Hy ging aan’t vafte Land by Para aan
land, en handelde met de Zydianen, dog wift
Wis niet
298 Natuur-en Konft-Kabinet,
niet beter, of hy was maar aan een Eiland,
maar hy wierd verzekert , dat het valt land was,
in het langs zeilen van dekuft, het welke ik
hier heb aangemerkt, om te toonen, dat de
ontdekkingen van ’t vafte land, door Vefpu-
Zius Americus en andere na die tyd gedaan ,
niet nieuw waren, gelyk andere valfchelyk
voorgegeven hebben , om de Eere van Áo-
lumbus te bezwalken , daar. de liftige handel
van Vefputtus Americus niet weinig onder
fpeelde, gelyk ook de liften der Hovelingen,
dewelke door duizend valfche befchuldigin-
gen eindelyk ook te weeg bragten, dat de Ad-
miraal Chriftoffel Kolumbus, en zyn Broeder
de Weftindiaanfche Landwoogd Bartholomeus
Kolumbus, en de andere Broeder Don Diego
Kolumbus deftaf der Indien en allegezach ont-
rukt, en in vergelding van haar getrouwe dien=
ften, gevangen en vanalles berooft naar Span
jen wierden gezonden. Dus heb ik goed-
gevonden kortelyk, aan te toonen, op welk
een wyze en in welke tyd dit Goud-ryke
Land in handen van de kroon Spanjen is
geraakt.
ur
De Lezer moet niet oordeelen, dat de
Schatten, door de Ontdekkers dezer eerfte
Wettindifche Eilanden gevonden, zo onmeet-
lyk waren, dat de Kroon van Spanjen daar
veel gevoel van konde krygen ; o neen, de
onkoften waren ín den beginne veel grooter
alsde voordeelen ! Ook moet niemant oor-
deelen, dat het Goud zo overvloedig is, dat
het zelve met (choppen uit de Goudryke Ri-
vie-
… Maart en April 1719. 299
_ wieren op karren gefmeten en geladen word,
of ook, dat de korlen zuiver goud gedurig
gevonden worden, of dat de Goudmynen zo
ryk zyn, dat het goud door middelmatigen
‘arbeid daar zo maar uit tegraaven is. O neen,
alles gedraagt zich geheel anders toe ! Het
goud blyft altyd goud , en zeer Zwaar en
moeyelyk omte vergaderen , waar “zelve ook
gevonden word, behalven dat ook het goud
dezer Indianen niet zuiver was, zynde zom-
tyds van een (tuk goud, in dertig deelen aan=
gemerkt , acht deelen Goud , acht deelen Zil-
ver, zes deelen Koper, en acht deelen onnutte
flof; zelfs de goud{teenen, zo als die daar ge-
naamt worden, wierden al mede voor goud
bewaart, niet tegenftaande deze maar zeer
ryke ftukjes erts of metaalachtige fteenen na
proportie vanhet overige waren, En dat wel in
zodanig een waardy, dat dezelve onder de
fchatten , dewelke Kolumbus afgenomen
wierden, mede gerekent en als gewaardeert
wierden,
1ó.
De tweede reden , door dewelke de Kroon
van Spanjen niet genoeg voordeel van dit
Goudryke Landtrok, was, dat de Spaanfche
Bevelhebbers, gedurig oneenig zynde „tegens
malkander te veld trokken, elk met Legers
van Indianen, die malkander dood floegen ;
‘behalven dat de geweldenaryen der wreede
Spanjaarden de Indianen tot wanhoop bragten,
waar door het zelfs-moorden daar onder die
onnozele menfchen de algemeene mode be-
gon te worden, geen wel eigentlyk de
oor
Zoo Natuur-en Konft-Kabintt,
oorzaak was, dat het Land „dat kragtig volk=
ryk was, bynao al ontvolkt wierd. Hier
kan voor een d se reden. noch bygevoegt
worden, dat de n: aurlyke Indianen te zwak
bevonden worden, om in de Goudmynen te
werken „ en de Spanjaarden te luy ; het welk
ook de oorzaak is geweeft, dat zy uit recht
van opene Brieven van ’t Spaanfche Hof op
Guinea gingen rooven, om Negers te van-
gen , dewelke zy bevonden , dat fterk en hart
genoeg waren , om in de Goudmynen te kon-
nen werken, als het getal maar groot genoeg
geweelt hadde, en hier is naderhand de he-
dendaagze beruchte Neger-handel uit voort-
gefproten.
17.
Ik heb hier boven van de Goudfteenen ge-
melt, maar de Lezer dientte weeten, dat zo-
danige fteenen als enkelde keyen of keytjes,
zomtyds hier of daar en meeft buiten de my-
nen worden gevonden. Van zodanig een
Steen fpreekt Antonius de Herrera, Koninglyke
Hiftorifchryver van de Spaanfche Weftindien,
als van een wonder, om deszelfs grootte en
rykdom. Deze goud-key leide aan de oever
van de zee niet ver van de nieuwe Mynen op
Hifpantola, en wierd van een Iudiaaz by ge-
val ontdekt; deze fteen was overal met goud-
korlen zeer doorfprenkelt, en zo doormengt,
dat de Steen-Subftantie en de Goud-Suhftantie
als vereenigt in malkander ingegroeit en in-
gelyft fcheen, in diervoegen, dat zy in die
landen oofdeelen, dat de Goud-Sxhftaat:e
van deze key of fteen-/ubftantie grocit Aep
at
__ Maart en April 719. zor
dat het zuiverfte en metaalachtigfte van zo-
danige goudkeyen door langen tyd in zyn
grond in goud verandert en vergroeit. Dier-
gelyke goudfteentjes worden in de Kabinet-
ten der Liefhebbers ook ‘hier en daar als Ra-
riteiten bewaart. De key, hier boven gemelt,
wierd zeer groot en. zo ryk bevonden , dat
het meefte gedeelte goud was, en wierd. ten
voordeele des Konings van Spanjen, van de
Eigenaars, welker arbeider dezelve gevonden
hadde „voor geld gekogt, en zy hebben het
zelve 360c Pefos waardig bevonden, hoewel
het zelve, met noch tweemaal hondert duizend
Pefos in goud, dewelke met een Vloot in ’t
jaar 1so2. van Hifpantola na Cudi vouden
over {teeken, door een ongehoort onweer
in de reisisgebleven. De Goud-mynen op
_Hifpaniola wierden Oudeen Nieuwe genaamt:
De Oude, en daar de Indianen van onbeden-
kelyke tyden te voren goud hadden uitgehaalt,
leiden in het zo genaamde Koninglyke Veld,
onder de naam: van de Mynen vanCibao ;en
de Nieuwe Mynen, die na deze ontdekt wa-
ren, leiden -by „Sz. Chriftoffel ; dog. de Erts
was ryker, en bet goud „was ook fynder in
de Oude Mynenvan Cibao, als, in de.Nieu-
we Mynen van St. Chriftoffel.
3 18.
‚… Wanneer de Lezer hier van de Mynen van
Cibao, of van St. Chrilboffel hoort {preeken;
moet hy zich zelven .niet verbeelden, als of _
dit zodanige grouwzaame werken waren „als
de-Mynen in Meiflen, of als de Goud-myn
tor Ghreguits in de Bergen van. Hangargen,
152 daar
3o» Natuur-en Konft-Kabinèt,
daarby de duizend jaaren in gewerkt is; of als
de Mynen ‚dewelke ouwelings in Spanjen , en
zelfs al ten tyde van Hannibal gegraven wier-
den, veel minder, als de Mynwerken der
LEgyptenaaren, daar Diodorus Siculus van
verhaalt, daar ten minften ten tyde van /Mo-
fes al in gewerktis. O neen, de Oude Weft=
indianen of Amerikanen, en alle deze Eilan-
ders hadden zo veel trek niet tot het Goud,
als de andere Natieg of volkeren van de ove-
rige drie Wereld-deelen, Afia, Europa en A- -
frica, dewylzy Kakao-nooten voor geld ge-
bruikten.
19.
Op welk een wys zouden de aaloude A-
merikänen ook eenige voortgang van belang
in haare Mynwerken hebben konnen verrich-
ten, dewyl haar het yzer en de 7waare ge-
reet{chappen, en diergelyke breek -inftrumen-
ten ontbraken, en zy alles door harde en
gefcherpte fteenen (aan hout, fchoppen en
tteelen enz. valt gehecht) of door koper ge-
reetfchap moeften verrichten: daar in tegen=
deel uit de Bergwerken met voordeel niet te
haalen is, als door behulp van grouwzaame
werktuigen , waterleidingen , molens, ge=
makkelyke doorgravingen, tot uit-en ingang
van de Metaal-aderen, en oneindige gereet-
fchappen, gelyk ik na dezen op zyn tyd zal
toonen.
20.
De Indianen hadden niet alleen groot ge»
brek aan diergelyke gereetfchappen en werk=
tuigen, maar zelfs de Spanjaarden ; geldende
cen
Ù
4
Maart en April 1719. 303
een yzer ftaafje van twee of drie ponden zwaar
vyf ryksdaalders , en een fchop twaalf en
zomtyds.vyftien ryksdaalders, en zo vervol
gens in die tyden alles wat zy tot deze Myn-
werken van nooden hadden. Hier door wiers
den veel luye of gierige Spanjaarden , dewel-
ke uit Caftilie met haar Huisgezin overtrok-
ken, om goud (zo zy dachten) te gaan haalen
uit-de Mynen, meenende dat het goud daar
zoo maar opgefchept wierd, bedrogen. Maar
als zy het werk ondervonden, droopen de
meelte weer na de vleefchpotten van Spanjen.
sal
De meefte voordeelen dan van’t goud enz,
dewelke de Spanjaarden verkreegen, eer zy
noch meefter van ’t vafte Land van Amerika
waren, wierden voortgebragt uithet inruylen
van goud voor alderhande Europifche {nui-
fteryen en Galanteritjes, dog dit goud bragt
altyd niet evenveel aan, en wasaltyd niet even
zuiver of fyn. Tot deze ruylebuit wierden
evenwel veel fchepen uitgeraft van particu=
lieren 10 tot Kadix als elders. Zelfs dede de
Groot - Admiraal Kolumbus met zyn beide
Broeders noch een tocht voor de vierde maal
in den jaare 1503. om nieuwe Landen te ont-
dekken, gelyk zy ook veele landen en kuften
aan de vafte kuft ontdekten , en veel goud
verkreegen, als by voorbeeld; tot Burizan
dat by Porto bello legt, kreegen zy door inruy-
ling voor drie dozyn fchellen negentig marken
Gouds,
22. 5
Na dat de zaaken op Hijpaniola een weinig
in
| 304 _Natuur=en Konft-Kabinet ,
in beter {taat waren gebragt, en in den jaare’
1soó6 Rodrigues d’ Alcazar door de Koning
_van Spanjen tot Opziender der Goud-win-
ning was aangeftelt, wierden aldaar vier
Goudfinelteryen opgerecht , tewetên twee
Goudfmelteryen in de Stad Bona Avontura,
in de welke het goud gefmolten wierd, dat
daar naaft aangelegen uit nieuwe Mynen ge-
trokken wierd, en twee goudfmelteryen in
de Stad de la Vega of Conception, in dewelke
het goud gefmolten wierd, dat uit de ryke
Mynen van Ctbao wierd uitgemeubelt. Deze
fimelteryen van la Vega bragten het meefte
goud op, dog alle deze vier fmelteryen brag-
ten ‘jaarlyks op aan goud in dit Eiland
Hifpariala vierhondert en zeftig duizend Pe-
Jes.
23.
Behalven het goudryke Eiland Hifpaniola,
wierd ook noch een volkplanting der Span=
faarden gedaan in % jaar 1$08,-op het Eiland
Sr. Fan, dit legt van de weftelykfte hoek
van Mifpantola twaalt mylen ver, het heeft
zeer grouwzaame hooge bergen en hooge heu-
vels, maar weinig vlakten, en verfcheide
goudryke rivieren. … Hier legt tegenwoordig
Portorico, een fchoone Haven-ftad, en Bif-
fchoppelyke Zetel, Het Eiland is ten mintten
veertig mylen indelengte, en vyftien à zeftien
in de breedte, de geheele omtrek omtrent
hondert en twintig mylen; de ganfche kuft
ten zuiden daar was zeer veel goud te vinden,
dog echter nict zo veel, als op Hifpantola,
noch van- zo goeden waarde , hoewel na
di vere
Maâart en April 1719. ___3of
verloop van een jaar À twee de goudmynen
van St. Jan zeer wel begonden op te neemen,
en veel goud opbragten.
24.
‚Na de Dood van den Heldhaftigen en zeer
wyzen Chriftoffel Kolumbus ‚wierd zyn Zoon
Diego Kolumbas Groot Admiraal en Onder-
koning van de Weftindien, na veel pleiten
en martelen tegen zyns Vaders en zyn eigen
vyanden, en wel voornamentlyk door een
houwelyk meteen vande eerfte Familien van
’% Ryk: hy veftigde zich in ’t jaar 1s1o op
Hifpaniola, in welk jaar het eerfte goud op
Hifpantola geflagen wierd. De Herrera tekent
op ditjaar aan, dat zy eenige onbepaalde ftuk-
ken, zo als het hun goed dacht, in verfcheide
_ foorten van waarde vangoud, en ook andere
zeer dun, en die gemunt met de wapens van
de Koning floegen.
25,
De Admiraal Diego Kolumbas liet in ’t
Jaar 1sro. het Eiland famatca bevolken door
Juan d’ Ezguebel; indit Eiland word weinig
goud gevonden, maar het Katoen valt hier
zeer overvloedig, en fchoonder als elders.
8 26.
Tuffchen het jaarisro en ïs1r. dog wel
meeft in ’t jaar nsur veltigde Vafto Nunes,
benevens andere Kaftilianen, de zetel des Ko-
nings van Spanjen op de vafte kuft van Ame-
rica, by en op de Land-engte van Dariez,
‘daar zy met verfcheide kleine Koningjes of
Cafigues vriendfchap maakten, en prefenten
kreegen van veele goude Vaten, dewelke alle
Vv zeer
306 Natuur-en Konft-Kabinet ,
zeer konftig gemaakt waren, en kreegen hier
aldereer{t kennifle van de Zuidzee, aan de
andere zyde van de Liand-engte van Darten
gelegen, als ook van het grouwzaame groo-
te zilverryk Land en Keizerryk van Pera,
en vande welgemaniertheid der magtige Vol-
keren van ’t vafte Land, en dat deszelfs ryk-
dommen zo groot waren, dat zelfs de ge-
meene lieden uit goude en zilvere vaten en
tafel-huisraad aten en dronken,
27
Zo ras nu in den jaare 1511. deze Span-
jaarden wat meerder onderzoek gedaan had-
den op de vafte Kuft, omtrent en in de land-
engte van Darten, zond Vafco Nunes aande
Groot Admiraal Kolgmbus op Hifpantola voor
% aandeel van de Koning (zynde een vyfde
part van haare Congueften) drie hondert mar-
ken gouds (dat vyftien duizend Pefos waren)
tot een proefje van de Rykdom dezer India-
nen ; zodat door ’tontdekken van deze Land-
engte van Darien op de vafte kut van Ame-
rica ‚de deure geopent wierd, waar door na-=
derhand zulke onnoemelyke {chatten van goud
en zilver in Europa overgebragt zyn.
8
28. .
In dit zelfde jaar 1s1r. liet de Groot Ad-
miraal Diego Kolumbxs ook het overgroot
Eiland Kxba bevolken door Diego Velasquez,
volgens de Aantekeningen van onzen meer-
maal aangehaalden Antonius de Herrera, de-
welke ik ín alles hebbe gevolgt, dewyl aan
een iegelyk genoeg bekent is de groote op-
rechtigheid van deze Spaanfchen Hiftori-
fchryver,
Maart eù April 1719. Jor
fchryver , die het vermogen en de wysheid heeft
gehad, en de vrymoedigheid om de misflagen
. van zyn eigen Natie welernftiglyk aan te te-
kenen en te beftraffen. _
29.
De lengte van dit groot Eiland Kuba is
tweehondert en dertig mylen te lande gereift,
het is het overvloedig{te ín leeftocht van alle
de andere Eilanden, en heeft goud-ryke Ri-
vieren, en Goud-erts in debergen, doggoud
met wat koper gemengt, is voorzien met
heerlyke Vlaktens, Valleyen, Dalen, Bof-
fchen , Binnen - Eilanden , Meeren , is
ongemeen Vifchryk, en heeft grouwzaame
hooge Bergen en Rotzen,
o.
Ik zal de onsheniae van kleine Eilanden,
of geringe Landen en voorvallen niet aan-
merken, maar in deze Verhandeling van de
ontdekkinge des Gouds en Goudrmynen van
Amerika, te gelyk aantekenen de voornaamtfte
eerfte ontdekkingen en volkplantingen. Ik ge-
loof niet, dat het myr Lezer onaangenaam
zal zyn, dat ik zulke aanmerkelyke zaaken
in myne verhandeling infchikke, dewyl de-
zelve byna voor een iegelyk Liefhebber
waardig zyn gekent en geweten te worden;
alsby voorbeeld : datde dapperen Juan Ponzo
de Leon, dewelke de volkplanting van %
goudryk Eiland Sz. Jan hadde ondernomen,
en in ordre gebragt, in ’t jaar 1s12, de
vermaarde Kuft van ’t vafte Land Florida
ontdekte, en hoe Vafcto Nunes in % jaar
1513. ondernomen heeft, de Land-engte van
Vaa Da-
308 Natunr= en Konft-Kabinet,
Darien dwars door tereiren, en de Zuidzee
van Amerika te ontdekken , het welke hy
gelukkiglyk uitvoerde, trekkende door ver-
fcheide Diffricten en Koningrykjes van ver-
fcheide Caciguesmet hondert en tachtig Ka-
ftilianen, en duizend Indianen, dewelke de
laft droegen. Hier (telde Nuzes,na dat hy
verfcheide. Koningjes, die hem wederftand
booden, overwonnen hadde, en onnoeme=
lyk veel goud door hem en andere tot buyt
gemaakt wierd, een teken van de bezitnee-
ming van deze geheele Zuidzee ,met alle zyn
aangrenzende Koningrykenen Landen, inde
naam van de Kroon van Spanje. Doe Nuzes
deze Zee ontdekte, ging hy zeer veel wegen
om, maar in ’ jaar 1$14. bevond Francifcus
Bezerra, dat de Zuidzee maar 26 mylen van
de Noordzee aflegt, en dat America hier zo
{mal is.
3
In het jaar 1514. ontdekte Diego Velasquez,
by de haven en bergen van Xagaa op het Ei-
land Kuba , eenige zeer ryke goudmynen, en
deze goudmynen wierden veel ryker geacht,
als die van G#bao op Hifpantola, alhoewel die
tot dezen tyd toe noch de rykfle en de befte
waren geweeft; waar noch by kwam, dat
deze mynen van Xagua op het Eiland Kuba
veel fynder en zachter goud uitleverden, als
die van Cébao.
32.
In den jaare 1518. ontdekte Juan de Gryal-
va nieuw Spanje, en de Keizer Motezuma
kreeg kennifle van de Spanjaarden ; maar ope
„ der
Maart en April 1719. 309
der alle de Kaftiliaanfche Helden ís (buiten
Chriftoffel Kolumbus ) niemant gevonden ,de-
welke grootere verrichtingen heeft uitgevoert,
en betere Landen aan de Spaanfche Kroon
gehecht, als Ferdinandus Cortes, een Man,
door wiens weergaloos beleid en doortrapt
verftand geheel Noorder Spaanfch Amerika,
als de Republicg van Tlafcala, het overgroot
en magtig Keizerryk van Mexico, en ontel-
baare Landen en Staaten, onder de magt
en Heerfchappy van de Kroon van Spanjen,
amet weinig volk en onkoften zyn gebragt.
hd .
…_ Ferdinandus Gitse Giro: in’tjaar 1419.
met een vloot van twaalf lichte fcheepjes, door
Diego Velasquez Opperbevelhebber op Kuba
uitgeruft voor 20000 dukaten, medenemen-
de $o8 Soldaten, rro zo Kapiteinen als
fcheeps- bediendeen Matroozen , 16 paarden,
4$ Schutters , 1o metale ftukken Kanon, 4
Valkonetten, en voorraad van Kruid, Kogels,
geweer en Viualie enz. om daar mede over
te fteeken na de vafte kuft; en alfchoon de-
ze tocht al tweemaal ongelukkiglyk onder-
nomen was geweeft door Frazcifcus Hernan-
dez de Cordova en Juan de Gryalva, fteun-
de Lef op zyn godvruchtigheid, deugd en
beleid.
De Golf, eer moeft overftee-
ken, om van ”t Eiland Kuba op ’t vafteland
en de uitfpringende hoek van Yucatan overte
„zeilen, legt in de Mexicaanfche zee, en is
voor aan de Golf van Mexfco, Ferdinandus
3 V 3 Cortes
310 Natuur-en Konft- Kabinet,
Cortes was hier naauwlyks aan land geftapt,
of wierd gewaar, dat hier vry wat meer
was op te doen, als in alle andere Landen
tot noch toe bekent, want hy ontving tot een
prefent in alderhande goude vaten en konft-
ftukken over de vierhondert ponden gouds
van een klein Koningje; en kort daar na (die-
per met zyn Legertje in ’t Land indringende)
van een Bevelhebber van Motezuma , dewel=
ke toen Keizer was over het groot en magtig
Keizerryk van Mexico, groote gefchenken van
goud, konftiglyk gewerkt , Katoene Liywaa-
ten, geeltig gewerkte plumadien, en andere
Stoffen, dewelke haar tot bewys verftrekten,
dat zy hier veel gereguleerder en verftandiger
menfchen,en Koningryken of Gemeene-beften
ftonden te ontmoeten.
5» Á
Deplaats, daar listen Perdinandus
Cortes toen met zyn Legertje zich neder had-
de geflagen, en daar hy met de Laandvoogd
van Motezuma, die aldaar gebood, fprak ,
was zeven dagen reizens van de Keizerlyke
Hoofdftad Mexico ‚in dewelke Motezumazyn
Hof en verblyf hadde; hier van daan zond
Cortes een gefchenk aan den Keizer Motezu-
ma, dewelke hem na verloop van den be-
hoorlyken tyd een gefchenk wederom zond
van alderhande konft-gewrochten en onge-=
woone Rariteiten, benevens zo aan bewerkt
als onbewerkt goud over de vyf en twintig
duizend Pefos waardig, het welk Cortes we-
derom met een gefchenk van Europifche Ra-
riteiten beantwoorde. Maar dewyldeKeizer
niet
Maart en April 1719. 311
niet anders beoogde , als dat deze vremde ga-
ften uit zyn land zouden vertrekken, liet hy
zulks zeer ernftig aan Cortes bidden en ver-
zoeken, terwyl hy zyne Gefchenken verdúb-
gelde; maar Ferdinandus Cortes had geheel
andere voornemens in zyn eerzuchtig ge-
moed , en ftichte de Volkplanting, dewelke hy
VerA Cruz noemde. Hier van daan ver-
trok hy voort in de Landen van de Cactgze
van Zempoala, en wierd van den zelven be-
fchonken met goud enz. ter waarde van 2000
Dukater , en Cortes werftont vandeze Cacigne,
dat door de groote Magt van Motezuma alle
deze omleggende Koningjes en Republigneu
eert onlangs in zyn gewelt waren gebragt,gelyk
de groote Landftreek ToToNAcAP; en dat*
Motezuima een T'yran was, en in een gedu-
rigen oorlog met de Gemeene-beften van
TLASCALA, GUAXOCINGO en CoLULA, en
dat hy dertig Wafulen onder hem hadde, de-
welke elk hondertduizend gewapende Man-
nen konden te velde brengen.
6: À,
Ferdinandus eve: wift zich zo behendig
van deze gefteltheid der zaaken te bedienen,
en yder een tegens Motezuma op te hitzen,
en een Verbond met de groot- magtige Re-
publicg van Tlascala, en met de Zempolanên
en andere (na verfcheide gelukkige flagen )
op te rechten, en zodanig, dat hy Veldheer
over de magtige Legers van alle deze India-
nen werd , en Mexico gaat belegeren. En
dat deze Republignen van geen klein belang
waren, blykt, om dat alleenig. in de Stad
Vv 4 Zlaf-
312 Natuur-en Konft-Kabinet,
Tlafcala hondert en vyftig duizend Huisge-
zinnen woonden, eninde Stad Co/ula 20coo
Huizen waren enz. De gefchenken , de ryk-
dommen, en het goud, dat van alle kante
aan Cortes op deze tocht wierden gebragt ‚ Zy
onbefchryflyk en ongelooflyk.
’ 7:
Ferdinand Cortes wit door lift in Mexiro
te koomen , daar hy kwanzuis van Motezu-
ma vriendelyk ontvangen wierd op den 8 No-
vember 1519. Deze Stad was vol groote
Huizen, Paleizen, en onuitfprekelyke ryk-
dommen, begrypende in zich zeftig duizend
Huizen ; en behalven deze Stad hadde ZMote-
zuma onder zyn gebied hondert groote Hoofd.
fteden, behalven ontelbaare kleine Steden en
Vlekken , Dorpen , Gehuchten enz. Zyn
Gebied ftrekte zich uit in de breedte van de
Noordzee tot aan de Zuidzee van America,
en tweehondert mylen in de lengte lande-
waart in. Elk Huis wierd in Mextco door 2.
4. à 6, Huisgezinnen bewoont, waar uit
te befluiten is, welk een ontelbaare menigte
menfchen in Mex?co moeten geleeft hebben,
doen Cortes het zeltde veroverde. Ikzalniet
verhaalen , welke Waaren en Koftelykheden
tot Mexico waren, en van alle kanten toe
vloeiden en te markt kwamen , omdat ik
alleenlyk maar myn oogmerk hebbe, om van
het Goud te handelen , en aan te wyzen,
door welk een weg Europa zo overvloedig
van goud voorzien is geworden , als wy
het zelve tegenswoordig beleven. Onder
de voornaamfte koftelykheden , RR te
) Me-
‘Maarten April 1719. 313
„Mexico op de markt openbaar tekoop kwa-
men, was dan mede het goud in een groo-
ten overvloed, zo ingoude werk{tukken , zaa-
ken met goud doorwerkt, als ook goud in
baaren en-plaaten, benevens zeer kon(tige ge-
maakte werkftukken van Goud met edele ge-
fteentens ingelegt en bezet; in de Stad van
Mexico waren de konftigfte Goudfineden des
werelds. Axtanius de Herrera zegt: de Werk-
meefters in deze kon(t brengen achthoekige
Schotels te markt, een vierde goud, en ’%
ander zilver, niet gefoudeert, maar gefmol-
ten, en in ’t fmelten aangehecht „ ’t welk
zeer moeyelyk te doen is ; zy gooten ook
Viffehen , waar van de eene fchubbe van zilver
en de ander van goud was; zy gooten ver-
fcheide dieren zeer levendig uit in mafif
goud „en werkten zo veel verwonderens waar=
dige konftftukken, dat ik alles niet verhaas
_ len kan.
Behalven alle deze groote Rykdommen,
waren de Schatkamers van den Keizer Mote-
zuma 10 vol fchatten, dat ALONso D' Oje-
DA in zyn gedenkfchriften zegt, dat dezelve
niet te waardeeren waren , alhoewel hy dezel-
ve met zyn oogen gezien hadde, en deze
wierden alle onder de Spanjaarden verdeelt,
zelfs de Schellen en andere Gieraaden in de
“Tempels waren van goud. Al dit goud wierd
vergadert, en was gevonden en door lange
tyden uit de mynen en rivieren gehaalt, wel
meeft op drie byzondere plaatzen, eerftelyk
in ’t Landfchap ZAcATuLA, tien, of twaalf
Mes: dag
314 Natuur-en Konfl-Kabinet,
dag reizens na ’t zuiden van Mexico afgele. _
gen, en ook in verfcheide Rivieren; en ook
in een ander Landfchap CHINANTHLA ge-
naamt, niet ver van ’t Landfchap Zacatula;
en ten derden,by de ZaProrrcas; het welk
alles door de behendigheid van Cortes ont- —
dekt wierd. In ZacaruraA wierden de Ri-
vieren zeer goudryk , en de Mlynen zeer goed
bevonden. Het goud in de Mynen van Chi.
zantla wierd ook zeer goeden ryk bevonden.
Op de grensfcheiding van de Stad Yzucaz
wierden ook goudmynen gevonden. Deryk-
dommen waren zo groot, dat Cortes onder
de Soldaaten enz. een uitdeeling deed van zes
hondert duizend Pefvs aan goud, behalven het
zilver en andere koftelykheden.
39.
Het is zeker, dat de Spanjaarden zelfs oor-
zaak zyn geweelt, dat veele Rykdommen ver-
loren zyngeworden, dewelke zy anders door
lift en zachtigheid van de Mexicanen zouden
gekregen hebben, maar de Groot Gezach-
hebber van Kuba Dieco Verasqurz (die
Cortes vloot eerft zelfs hadde uitgeruft)
nu tegens Cortes opgeruyt zynde, trachtezyn
gelukkige voortgang in Nieuw Spanje te irem-
men, en zond dierhalven een vloot van elf
Schepen en zeven Brigantyns van aba ‚onder
het gezach van PANFirio DE NERvVAAS,be-
nevens achthondert voerknechten, vyf en tach-
tig Ruiters, twaalf (tukken Kanon enalder-
bande oorlogs gereetfchap. Zo ras Cortes
hoorde, dat deze troepen aangeland waren,
trok hy met zyn befte Manfchap uit Mexico,
en
Maart en April 1719. — 315
en overviel het Legertje van Zervaas onver-
“wacht, nam hem zelfs door een krygslift
gevangen, en lokte het geheele Legerye van
Zervaas in zyn dienft over ; waar door
Cortes een Magt van duizend voetknech-
ten en hondert Ruiters gebood, maar hadde
het ongeluk, dat de Mexicanen in zyn afzyn
opftonden, veel verwarring tegen die gene,
dewelke Cortes in Mextco gelaten hadde, aan-
rechten, en hier door raakte alles het onder-
fte boven in de Stad Mexico, en daar ge-
fchiedden verfcheide bloedige flachtingen , veel
huizen wierden verbrandt, veel koftelykheden
en goederen geraakten weg, en wierden van
de Indianen begraven. Motezuma, dewelke
door Cortes gevangen wierd gehouden, wil-
de de Mexicanen door een aanfpraak, van
eerì balcon gedaan, bevredigen, maar wierd
met een fteen in de flaap van zyn hoofd zo-
danig gekwetft , dat die ontzachelyke en groot-
magtige Monarch, vyf dagen daar na zyn le-
ven verloor,
40.
De Spanjaarden hier door in benauwtheid
geraakt, trachtten by nacht Mexicote verlaa-
ten en teontvluchten , mgar wierden zodanig
gehavent, dat zy tweehondert man, zes en
veertig paarden, al haar bagage en gefchut
enz. verloren, en ontkwamen ter naauwer
nood met haar goud uit die Keizerlyke Hof-
ftad Mexico; dog Cortes wift na veel weder-
‘waardigheden en ongemakken dit alles te bo-
ven te koomen, en door zyne Bondgenooten
van de magtige Repablicg van Tlascala en
e=
316 Natuur-en Konft- Kabinet ,
Zepeaca, en veele andere gefterkt , Mexico
wederom door gewelt van wapenen te be-
magtigen , dog echter niet als na een bart-
nekkige en bloedige weder(tand en langdurige
belegering; want de belegering van Mexico
duurde tachtig dagen, dewyl zy gedurig te
rug en uit de Stad wierden geflagen in zeftig
verfcheide bloedige flagen. Het Lueger van
Cortes beftond uit tweehondert duizend In-
diaanfche Bontgenooten, negen hondert Spaan-
fche Voetknechten, tachtig Ruiters, zeven-
tien ftukken gefchut, dertien Brigantins om
op het Meer van Mexzco te dienen, en zes
duizend Cazoës, In alle deze flagen wierden
van tyd tot tyd over de hondert duizend Me- —
xtcanen gedood, en de Stad ging over opeen —
Dingsdag den 13. Auguftus 1521, welkedag —
hedendaags noch jaarlyks in Mexico wordge- —
viert: en dus kwam die ontzachelyke Mo-
narchy en het goudryke Noorder Americain
handen der Spanjaarden.
41. 4
De Koning van Game verklaarde Ferdi-
nand Cortes (in weerwil vanalle zyne vyan-
den) tot Opperbevelhebber van geheel Nieuw
Spanje , door welke eer Cortes aangezet,
niet rufte met het ontdekken van nieuwe lan- —_
den, en het vergaderen van {chatten , waar
van hy het vyfde deel, als des Konings aan-
deel, aan zyn Majefteit zond; behalven dat
noch yder een geloofde , dat Cortes meer
fchatten overhield en bezat, als in dien tyd
eenig Vorft in geheel Europa. En om een
ftaaltje te geven van de Rykdommen, devil
ie
… Maart en April 1719. 317
ke de Spanjaarden toen al uit de Indiën
trokken, zy aan den Liezer kennelyk, dat in
% jaar 1526. met een vloot van 7 Schepen,
alleen als een vyfdedeel voor de Koning o-
verkwam (behalven de Conchenilje, Caffia,
Huiden) sro82 Pefos in goud, 3so mark
gemeene Paarlen, 183 uitgezochte Paarlen,
$ natuurlyke goude iteenen , nevens een
Paarl van een onfchatbaare waarde, dit al-
les overgebragtalleenlyk uit het eene Eiland
Hifpaniola, onder de Bevelhebber Juan Or-
tiz de Mattenzo. Ì
42.
Op deze wyze en in dien tyd (gelyk ik
getoont hebbe) zyn die onuitputtelyke Goud-
magazynen voor Europa in de landen en on-
der de heerfchappy van de Koning van Spanje
geraakt. Hoewel echter in vergelyking van
dit alles de groot{te Goud -en Zilwer- fchuu-
ren van America toen noch onbekent wa-
ren , hebben de Spanjaarden van dat on-
meetlyk groot uitgeftrekt Werelds-deel , niet
anders als de Eilanden in de Noordzee van
America, het vafte Land van-Noorder Amze-
rica,10 meeft aan de kant van de Noordzee
gelegen en een weinig aande zydeder Zuid-
zee, ontdekt; maar op datde Lezer naauw-
keuriger kenniffe van de oorzaak des over-
vloeds ende der rykdommen van Europa
zoude verkrygen, zal ik kortelyk mede dee-
len, door wie en in welke tyden de ryke
Mynen en Landen van Peru, en van ’t Zui-
delyk gedeelte van America, aan de zyde der
Zuidzee of Mare del Sur gelegen, zyn ontdekt.
In
318 Natuur-en Konft-Kabinet,
4 .
In het jaar 1526. baddón de Spanjaarden
Panama, gelegen aan de Zuidzee aan ’tva-
fte land dicht by het Paarel-eiland, fchuins
over Porto Bello, ‘dat aan de Noordzee legt,
beide op de Land-engte van Marien, reets.
in de hoedanigheid van een Stad gebragt.
In deze Stad woonden toen drie ryke Man-
nen , namentlyk FRANCISCUS PiZARRUS,
Dipacus ArMAGckus, en FERDINANDUS
Lugqurs een Priefter; deze ruttten met mal-
kanderen twee Schepen uit, bemanden de=
zelve met tweehondert en twintig Spaan-
fche Krygsknechren , en ftevenden op de
Zuidzee, onder ’t gebied van Pizarrus en
Almagrus , ter ontdekkinge van ’t Goud-en
Zilver-ryke Keizerryk van Peru en de ku-
ften van Chili, van welkers onmeetlyke ryk-
dommen zy van alle zyden verftendigt wier-
den. Het Schip van Pizarrus kwam afge-
mat, en vol gekwetften en bloedige koppen
wederom ‚ maar Almzagras op een andere kuft
geweeft hebbende , hadde een prafent van
3000 Dukaten gekregen, dat hy mede bragt,
en veel vriendfchap ontvangen, maar mede
ter plaatze koomende, daar Pizarrus te gaft
geweeft hadde, verloor hy zyneene oog, en
zyn volk wierd lelyk toegetakelt. Zy ver-
vatten de reis voor de tweedemaal , terwyl
de Priefter Ferdinands Lugues ve Panama al
vaft met veel fmert na de {chatten zat te wach-
ten, maar zy kwamen wederom van eenon- —
. gelukkige reistocht t’ huis.
Fran-
Ataart en Afril 1719, 319
44.
Franciscus Pica {nuift ’er eindelyk met
zyn Schip met maar zeer weinig krygslieden
alleen op uit, dewyl yder door de voorfte ge-
vallen afgefchrikt was, en arriveert geluk-
kiglyk tot TuMmBeEz, tegenswoordig Cabo
Blanco genaamt. De Indianen van Tumbez
ontvingen de Spanjaarden met groote vriend=
fchap, bragten dezelve in haare Tempelen,
daar zy groote Rykdommen en vercierzels za-
gen, waarop Pizarras naSpanjen vertrekt,
en verkrygt door Keizer Karel de vyfde (toen
ter tyd Spaanfch K oning)het Oppergezachheb-
_berfchap van geheel Peru,
45.
‚Met deze Conmiffie voorzien, land Pizar-
rus voor eerft op het Eiland Pura, dat dicht
aan de kuft van Zumbez gevonden word,
daar hy alles rooft en fteelt wat los en vaft
was ; daar natot Zumbez koomende te landen,
vind hy wederftand, dog flaat de Tumbezia=
zen , neemt haar Stad in , en berooft haar Tem-
pel, en verkrygt onnoemelyke fchatten van
Goud en Zilver. De Keizer van geheel Pe-
ru ATTABALIBA hield op dien tyd zyn Hof
tot CASSIAMALCA, niet heel ver van de
plaats, daar tegenwoordig LumA gevonden
word. Deze, zo ras hy gehoort hadde, dat
een vremde Natie in zyne Heerfchappyen ge-
vallen was, gebood , dat dezelve datelyk moeft
vertrekken. Dog de volkeren van het Land-
fchap CrraRAa , dicht gelegen daar nu in Peru
Valladolid iegt, die zeer verbolgen op Atta-
baliba waren, begunftigden de aen,
_ ie
3zo Natuur =en Konft= Kabinet,
die recht op CASSIAMALCA aantrokken, in
haaren tocht. .
46. |
Attabaliba kwam met een magtig Heir
de Spanjaarden te gemoet, dog wierd gefla-
gen en gevangen genomen, in welke vero-
vering de Spanjaarden aan goude en zilvere
vaten hondert duizend dukaten, en een konft-
ftuk van twee hondert ponden gouds waardig
tot buyt verkreegen. Maar ditalles was zeer
gering by het Rantzoen of losgeld voor de
Perzoon van den Keizer Attabaliba , daar
Pizarrus voor bedong een zaal ter lengte en
breedte van drie vademen vol goud en zilvere
vaten en konftwerken , en die opgeftapelt ter
hoogte van anderhalve vadem ; het welke
door ordre van Aztabaliba van alle geweften,
namentlyk van Quiro, van PACHACAMA
en van Cusco, dat wel twee hondert my-
len van Cafliamalca afieide, als elders door
zyne Onderdaanen aaugebragt wierd. Dit
goud en zilver wierd gewogen , en men be-
vond tien duizend ponden gouds, en zesen
twintig duizend ponden zilver aangebragt te
zyn. Het vyfde deel van alles op 6ooooo.
Kroonen gefchat , wierd aan de Keizer toe-
gedeelt, elke Ruiter ontving in goud 13050
kroonen, nevens 360 ponden zilvers; yder
Soldaat in goud 607s kroonen, nevens 180
ponden zilverssen onder de Hopmannen en Be-=
velhebbers viel voor yder van 4soootot 6oooo
kroonen ten deel. Maar Franciscas Pizar-
rus, die een bloedgierige T'yran was, brak
zyn woord, en liet den Keizer Attibaliba
tegens
tee in dl
Sn nen
Maart en April 1719, 32f
tegens gegeven trouw doodwurgen. Datelyk
hier na neemen de Spanjaarden de Stad Cufco
in, en verkrygen noch grooter buyt, als té
vooren gemelt is. Maar de T'yran Pizarrus
wierd tot zyn welverdiende ftraf in een op-
roer gedood , en zyn beide Broeders als ver=
raders geftraft, om dat zy tegens de Keizer
of Koning van Spanje opgeftaan waren; en
dus wierd het magtig Keizerryk Perm aan de
Kroon van Spanjen gehecht, onder de Rege=
ring van Keizer Karel de vyfde. De nette
optelling der rykdomimmen , dewelke de Span-
jaarden uit dit Keizerryk Perz haalden, de
moorden, doodflagen en burgerlyke oorlo-
gen Onder malkander, en haare wreedheden.
tegens de Pervazen zal ik niet byzonder
melden, om dat zulks geheel buiten myn be-
ftek is.
47.
De berichten , dewelke de Spanjaarden van
de Perxanen hebben konnen krygen, om-
trent haare konften van in het Goud tewer- -
ken, luiden, dat deze Handwerken van Goud-
en Zilverfmeeden wel meeft zyn begonnen
te bloeyen onder de Yxcas of eerfte Koningen
van Peru; deze begerig na konft-(tukken,
lieten voor de Goudfmeden overal „werk-
plaatzen oprechten. De Spanjaarts getuigen,
dat zy zulke konftig- gewerkte ftukken by
_ deze Pervanen hebben gevonden, dat dezel-
ve ten hoogften verwonderlyk waren , be-
ftaande in fchoone vaten , kandelaaren, fon-
teinen, beelden, en andere konftftukken na
Menfchen ‚ Viffchen Ean ‚ Bloemen,
Krui-
”
322 Natuur-en Konft-Kabinet,
Kruiden, Gewaflen en Vruchten, en Kerk-
cieraaden enz. Zy gebruikten zeer weinig
gereetfchap , haar {meltovens waren van leem
opgebouwt, en haar fmeltkroezen van zekere
aarde, en haar blaasbalken. van hol en zeer
dik ried.
48.
Het is zeer aanmerkelyk, dat op de mee-
fte plaatzen in America goud word gevonden,
zo wel ten Noorden de Middaglyn in Amen
rica,alsin Zuider America; en opde Eilanden
zelfs, getuigen de Franfchen, dat zy in de
eerfte ontdekkinge van de kut van Florida
Goud-erts inde bergen vonden, en Goud on=
der het zand van de Rivieren, deweike van
deze bergen afvloeyen, dog echter niet zeer
ryk , maar de mynen en vloeden van Porto
Rico waren ongemeen Goudryk, toen de
Spanjaarden daar eerfl in begonnen te werken.
Ja wy hooren dagelyks, dat de Portugeefche
Vlooten , die uit Brazil t’huis koomen,
veel Goud, dat uit de bergen en rivieren van
hoog Brazil gemeubelt word , rykelyk begin-
nen thuis te brengen: en zeer verre na het
Zuiden in het Landf{chap van Aranco, en in
het Eiland Mocha in de Zuidzee worden veel
ryke Goudmynen en ertzen gevonden, en
overal tuffchen Chili: en het Land van Ma-
gellanes, Ik zal alle de plaatzen, daar
het Goud gevonden word in America, noch
haar meerder of minder rykdom van Goud-
erts nu níet aantekenen , maar ik laat dit over,
tot dat ik van het Zilver koome te handelen.
Ook zal ik niet meerder vervolgen , op weik
een
Maart en-April 1719.” 323
een wyze de andere plaatzen van America
zyn ontdekt, zo door de Spanjaarden , Por-
tugezen , Franfchen, Engelfchen, als Ne-
derlanders enz. maar dit heeft de Lezer na
dezen dog ook zeer kort en beknopt in de
verhandeling van ’t Zilver te verwachten. Ik
zal noch maar eenige zaaken van’t Amerikaan=
fche goud aanmerken, en dan deze tweede
Verhandeling fluiten,
49.
Daar is dikwils onderzocht, of de Myn-
ftoffen, Ertzen of Metaalen groeyen, maar
de Lieden van ondervinding zyn niet onder
dezen twift, dewyl de bevinding onweder-
fprekelyk leert , dat de ertzen en metaalen
groeyen op de manier als de boomen en de
planten , verfpreidende haare takken overal
door de Steenrotzen, van dewelke zy haar
voedzel ontvangen, gelyk een boom van de
aarde, in dewelke dezelve ftaat te groeyen:
5o.
In geheel America worden alderhande foort
van Metaalen gevonden, als van Koper, Y-
zer, Loodt, Tin, Kwikzilver, Zilver en
Goud, maar ín het groot Koningryk Peru,
en op de kuft van Chi: worden eigentlyk de
meefte ertzen van goud, zilver, en kwikzil-
ver gevonden, en in Chili wel het mee.
fte goud, gelyk de oog-getuige (a) or
__feph de Acofta van die zaaken overal beveftigt
__en verklaart, dat door geheel Peru deze Me-
__taalen als verfpreit leggen, en het geheele
eid aard-
k ei (a) Ziet Deszelfs Natuurlyke Hiftorie van Weftin-
dien, IV, Boek 2 Kapittel,
324 Natúiur= en Konft-Kabinet,
aardryk als met dezelve doorzaaîit is, en dat
veel meer „als men ouwelings of hedendaags
by eenig Schryver van andere Landen te lezen
vint.
‘_$h
Gelyk ike voór dezen getoont hebbe, dat
Metaalryke, Goud - of Zilverryke Gewefteni
overal zeer onvruchtbaar zyn , word zulks _
ook in de Weftindien waar bevonden, want
de Goud - en Zilverryke Geweften van Ameri-
ca 1yn allezeer orivruchtbaar, woelt, droog,
hoo: , ex-vol ontoegangkelyke bergen, on-
gefchikte fteenrorzen , en zeer ongetemperde
en ongezonde luchten.
sz.
De Acofta verhaalt, dat in zyn tyd het
Goud in America op driederhande manieren
wierd uitgemeubelt. Het eerfte is't Korrelgoud,
dat in korlen of groote greinen gevonden
word , alleen en zuiver; deze Goud-korlten,
zegt de Acofta, zyn door malkander zomtyds
als een zaad van een Meloen, of wel van
een Kawoerde, en zomtyds grooter. Hy ge-
tuigt zelfs (dog dit gebeurt zelden) goudkor-
ten gezien te hebben van eenige ponden zwaar;
deze goudkorlen worden in vergelyking van
het andere goud zelden gevonden, maar zyn
zo zuiver, dat zy geen nader zuivering van
het vuur van noden hebben.
B 53:
Het tweede foort van Goud, dat in de:
Wettindien gevonden word , isin de Steenen
of Rotzen, daar de aderen van dit Goud-erts —
doorloopen;; dit goud-erts word eigentlyk de
Goud- $
-
in did 2
Maart en April 1719. 325
Goud-fteen genaamt , maar is ongelooflyk
zwaar en taai te bewerken, en. wanneer het
al met ongelooflyk’ veel moeite, koften, en
grooten arbeid uit de zwaare Steenrotzen en
Bergen is uitgehakt, is het noch een zwaare
zaak het goud van zyn erts of {teen te fchei-
den en te zuiveren.
4e
… Deze goud-fteen of liever goud-erts, de-
_ welkeru{fchen het fteen-rotzig en metaal-hart
gebergte aders-gewys en taks-gewys door-
loopt ‚en onbegrypelyk vaft daar mede verenigt
ende verknocht is, word van een ongeloof-
lyk onderfcheid gevonden, maar het eer{te on-
derfcheid is in meerder of minder rykdom van
goud, dewyl (gelyk ik te voren gemeltheb-
be) zomtyds van deze goud-erts of goud-
iteenen gevonden zyn boven op de grond,
en ook wel aan de myn-aderen , dewelke
een vyfde , vierde, derde, ja zelfs de helft
zuiver goud uitleverden. De Acofta getuigt
ook dit zelfde, zeggende : ik hebbe aan de
Meynen van Carzza in 't Gouvernement van
Salizos Goud-fteenen gezien, die zeer groot
en ganfch met goud doortoogen waren,
ja zelfs zomtyds, dewelke wel de helft
goud, en de andere helft fteen uitlever-
den,
55.
‚ Het derde foort van Ed ‚dat in America ge-
vonden word,is het Stof-goud, en word gevon-
den inhet zand, datin derivieren of plaatzen,
daar veel water overgelopen heeft, gevonden
„word, en dit is ook het geen in de Zudien wel het
° Ni3 ‚… 'meéc-
326 Natuur-en Konft- Kabinet,
meefte van alle uitgehaalten opgezocht word,
Uit dit alleskan de Lezerzien, dat dezedrie
verfcheide foorten van goud, even gelyk by
de aaloude bekent en gevonden zyn geweeft,
gelyk ik te voren getoont hebbe, en dat *
zelfs in de oude tyden van het goud, dat
gevonden , gezocht en uitgemeubelt wierd , het
Stof of Rivier-zand-goud het gemeenzaam:
fte en overvloedigfte van de andere twee foor-
ten was,
56.
De Acofta verhaalt, dat in de tyd, toen
hy in Weftindien woonde, en ook toen de
Katftilianen daar eerft verfcheenen , zeer veel
goud in de Mynen en Rivieren van de Eilan-
den Hifpantola, Cuba, Porto Rico, gevonden
wierd, maar datechter in zyn tyd omde moe-
yelykheid van het opviffchen, en uitzoeken
en uitwerken, en door gebrek der Inwoon-
deren, daar niet op gearbeid wierd , maar dat
in het Koningryk van Chili, in het Koning-
ryk van Quito, en in ’t nieuw Koningryk of
Landfchap van Grarade, groote menigte gouds
uitgevifcht en gezocht wierd, en dat het ver-
maartfte was het Goud van CARAVAYA
in Peru, en dat van VAarDivi1a in Chili,
dewyl het is van het hoog{te aloy, te weten
234 Caraat, en zomtyds nog hooger , en dat
ook het goud van Veragua voor zeer fyn ge-
houden wierd.
57
De Acofta verhaalt ‚dat het goud gezui-
vert wierd met water en door lange fpoelin-
gen, als ook door kwikzilver, en mede id
î erk-
et
Maart en. April 1719. 327
fterkwater, maar dewyl by vandie zaak geen
naauwkeurige kennifle genoeg fchynt gehad
te hebben, zal ik daar niet van melden. Wan-
neer het goud nu gezuivert was , wierden
daar plaatjes, baartjes, of tichelen, of broo-
den van gegooten, om naar Spanjen gevoert
te worden; want goud, dat noch in ftof of
_zant is, mag geenzins uitde Spaanfche Weft-
indien worden uitgevoert. Want het kan
niet eerder geguinteert worden, ofeen vyfde
voor de Koning van Spanje afgedeelt, voor dat
het wel gezuivert en gefmolten is. De Som-
men van goud, dewelke uit Zzdtez na Span-
jen jaarlyks gebragt wierden, zegt de Acofta,
Eh niet wel te fchatten, maar hy verhaalt,
dat de Spaanfche Vloot, daar hy in *t jaar
‚1587 mede overkwam , in hadde twaalf
kaften goud, yder kaft van hondert pond
aan goud, behalven noch duizend een hon-
dert zes en vyftig marken gouds van nieuw
Spanje, het welk alles alleen maar het deel
voor de Koning was, buiten de overgroo-
te guantiteit voor de particuliere Kooplie-
den.
8
58.
In Peru zyn verfcheide ryke Goud-waf-
fchingen , maar zeer weinig Mynen van
Goud-erts, daar nu in deze tegenwoordige
tyd in gewerkt word; die nu bewerkt wor=
den in dat geheel groote Koningryk, zyn in
de Provintie van Geuanuco na de kant van
Lima, in de Provintie Chicas by de Stad Za-
rya, en te Chugutaguillo omtrent twee uu-
ren van /a Pas, en andere plaatzen daar om-
X 4 go trent
328 Natuur-en Konft-Kabinet,
trent, volgens het getuigenifle van de Heer
(2) Frezier.
59.
De zelfde Heer Frezier getuigt, dat ech-
ter in Peru zeer ryke wafch-plaatzen zyn,
daar ’t Stof-goud, en zomtyds wel groote
Korlen , diede Spanjaarden Pepitas noemen,
uit het rivierzand en flyk vergadert en uitge-
waffchen worden ; hy verhaalt, dat onder
deze Pepitas, of goud-brokjes of korlen zom-
tyds (dog zeer zelden) zeer groote gevon-
den worden, als onder anderetwee, welker
eene een brok goud was van 64 mark en
eenige oncen zwaar, dewelke toen ter tyd
gekocht wierd van de Grave van Mogcloa
Onderkoning van Peru , om het zelve te
fchenken aan den Koning van Spanjen. Het
andere ftuk goud geraakte in handen van Doz
Fuau de Mur in het jaar 1710, terwyl hy
Corregidor van Arica was, en weegde 45
mark, dog van 3 byzondere Aloyen, als
van 11, van 18, en van 21 caraaten, het
geen in een en dezelfde klomp aanmerke-
lyk (na het zeggen van de Heer Frezier }
word geacht.
/ 60.
In het Koningryk van Peru valt veelmeer _
Zilver, als elders in geheel America , maar
wederom in het groote Koningryk van Chili,
dat meerder naar het Zuiden toe legt, veel
meer Goud, Ik zal van dit Koningryk van
Chili nu niet fpreeken, noch ook van de ande-
re
(a) Ziet zyne Reishefchryving door de Zuid-zee
Pag. 249.
Maart en April 1719: 329
re landen; als ook, op welk een wyze de
Spanjaarden zyn ingedrongen, noch van de
groote bedryven van Pieter Baldivia in het
zelve, dewyl ik alle deze zaaken voor de
verhandelinge van het Zilver bewaar: ik zal
alleenlyk maar aantekenen, dat in het Ko-
ningryk Chili dichten omtrent de Stad Ba/
divia zeer veel Goud-mynen gevonden wor-
den, gelyk ook tot la Conception, insgelyks
aan de Zuidzee gelegen in’t zelfde Koning-
ryk „ daar zelfs rondom de Stad («) Goud-
mynen worden gevonden, dog voornament-
lyk twaalf mylen van de Stad la Conception,
aan de Ooftzyde, op een plaats la Eftancia
del Rei genaamt, daar door waflching zeer
veel fyn goud word gevonden, en voorna-
mentlyk dikwils en veel van die (tukjes, de-
welke de Spanjaarden Pepitas. noemen, de-
welke gevonden worden van 8 jaro mark,
en alle van zeer fyn Aloy. Vieren twintig myl
van deze plaats legt Axgol ‚daar ook ongeloof-
Iyk veel Goudmynen zyn, maar aan de Span-
jaarden ontbreekt overal het behoorlyk getal
van Arbeiders, om de Goudmynen in Chí-
l:, daar byna overal ryke Goudmynen te ont-
dekken zouden zyn, te bewerken, indien de
woeftheid en ontoegangkelykheid der grouw-
zaame bergen, en beftaan voor genoegzaam
getal meníchen, en geen genoegzaame volk-
rykheid geen groote hinderpaalen verftrekten.
ót.
Behalven dit alles, zyn de Mynen, daar
het Goud in ’t Koningryk Chi: uitgehaalt
Xs word ,
‚ (4) Ziet Freziers Reistocht.
330 _ Natuur-en Konfi-Kabinet,
word , zeer hart van metaal-fteen, en onge-
loof lyk zwaar te bewerken; anderzins wor=
den zeer veel goudmynen gevonden , daar
de Spanjaarden aan werken , maar met wei-
nig menfchen, tot Zi/til, dat een dorp is,
leggende tuffchen Sf. Jago de Hoofdftad van
Peru en de Stad Valparaiffo. Om te wee-
ten, hoe magtig aan eenige mynen gewerkt
word ‚kan iemant afmeeten aan ’t getal
der molens, dewelke het Erts of Goud-mi-
neraal of Steen fyn maalen. In’tjaar 1712
waren: tot Ti/til (na het getuigenis van de
Heer Frezier) maar vyf van die Erts-mo-
lens, omdat toen eldersrykere Goudmynen,
en welker erts meer Goud gaf, ontdekt wa-
ren,
62.
De Molens, daar de Spanjaarden de goud-
erts fyn mede maalen, worden Zrapickes ge-
naamt. De Heer Frezier getuigt , dat zy
van maakzel overeen koomen met de pletter-
molens in Vrankryk, daarde Appelen tot de
Citer mede geplettert worden, te weten een
groote ronde bak van een plat leggende fteen,
die ruim zes voet diameter heett; hier is in
uitgehakt een goot in de rondte omtrent 18
duim diep, en in deze ronde goot loopt een
molenfteen, op zyn kant lopende, welke in
zyn diameter gemeenlyk is 3 voeteng duim,
en 12, 13, 14 à 15 duim dik. Op deze wy-
ze word de fteen verbryzelt, dewelke uit de
Mynen gehaalt word. Behalven deze Rol-
molens zyn ook andere molens uitgevonden,
dewelke de Spanjaarden ingenios reales noe-
men,
| Maart en April 1719: 331
men, dewelke ftampers hebben, op de wys
als de franfche Pleifter- molens, na ’tzeggen
van de Heer Frezier. De Stampers zyn van
yzer, en elke (tampet weegt zooponden, en
„valt met zodanig een gewelt gedurig neder,
‚ dat de flag de alderhartfte {teen kan verbry-
zelen. *
63.
Deze Erts, of Godina aarde, of
liever metaal-fteen is zo verfcheiden in har-
digheid en koleur, en andere duizende hoe-
danigheden, dat de Lezer zich na dezen met
recht zal verwonderen, als ik over die zza-
terie koomete handelen ; zommige zyn fpier-
wit als marmer, andere wederom heel zwart
of zwartachtig , en wederom andere rood
van koleur. Maar in deze alle kan met het
bloote oog geen goud of giinfteriug ontdekt
worden. De metaalfteen , dewelke fterk
blinkt , en uit veel koper en een weinig
goud beftaat, is in’t gemeen de armíte van
goud.
64.
Als de Goudmetaal-{teen wel gekneuft en
gebroken is, gieten de Erts-werkers een ze-
kere zwaarte (a) Kwikzilver by dit poeder,
het welk zo haaft niet gefchiet is, of de
kwik grypt datelyk de goud-{tof, dewelke
onzichtbaar onder ’t poeder legt, zeer vinnig
en vaft aan, en na deze tyd word een ftraal
water door deze bak , daar het geftote erts
en kwikzilver inlegt, gegoten, dewelke daar
door
_ (a) Ziet de Heer Frezier op de aangehaalde
plaatzen,
332 Natuur-en Konft-Kabinet,
door heen vloejende, alie de aarde met zich
fleept, en het goud benevens de kwik zwaar-
tens-halven op de grond laat leggen ; in zo-
danig een molen word dagelyks een halve
Caxon gemalen, een halve Caxog is vyt en
twintig guintalen, en elke geintaal is hon--
dert ponden, zo dat een halve Caxoris 3500
ponden Erts, en een geheele Gaxoz sooo pon-
den erts of goud{teen. j
65.
Wanneer nu alle de fteenachtige of aard-
achtige ftof is weggefpoelt, en in de diepfte
plaats van de bak een brok word gevonden
van het goud en kwikzilver, dat een A-
MALGAMA by de Kenders genaamt word,
word deze Amalgaima in een linden pop of
zak gedaan, en de kwikzilver, zoo veelals
het mogelyk is, daar uitgewrongen, en na-
derhand word de kwik door de hitte daar uit
gedampt, en het goud door het vuur gefmol-
ten en gezuivert, tot de fynheid van goud
van 20 tot 21 caraaten, dat op die plaatzen
het Aloy van het Myn-goud is, in verge-
lyking van het fynfte korrel-goud , of an-
der ftot-goud, wiens hoogf{te aloy byna 24
Caraaten is.
66.
Op dat nu de Lezer een goed begrip ver-
kryge van deze Goudwinnery , gelieft hy
aante merken , dat yder Caxon of vyf dui-
zend ponden Goud-erts opleveren aan goud
van 20 à 21 Caraaten, niet meer als vicr,
vyf of zes oncen goud, (hoewel zommige
mynen twaalf oncen geven, en zommige an-
dere,
Maart en April 1719. … 333
dere, maar zelden heel lange tyd, ongelooflyk
veel ) dat is door malkander genomen, de
vyftien duizent{te part van de goudmetaal-erts
is maar goud, en als wy eens overweegen,
welke onkoften, welkeenzorg, gereetfchap,
werktuigen, gedult, konft, en menfchen al
aangelegt moeten worden, eer een Mynmee-
fter een Caxor goudmetaal-erts vergadert
heeft, hoe veel geftamp; gemaal, gewafch ,
wat al kwikzilver, {melt-ovens, zuivering en
moeite hier noch wel toe van noden is, be-
hoeven wy ons niet te verwonderen, dat
zommige mynwerkers zich zelven arm heb-
ben gearbeidt, te meer dewyl her zeer dikwils
gebeurt, dat een Caxoz maar twee oncen goud
levert, dat is de veertig duizent{te part goud
van de goudmetaal-erts, in welk geval de
Bergwerker of Mynwerker zyn onkoften maar
alleenlyk kan goed (a) maaken.
"67:
De Aderen van de goud-metaal-fteen. ver.
fcheelen veel van de zilvermetaal-erts, ten
opzicht van haar onegaalheid, dewyl de
goud erts-aders zich gedurig ongelyk zyn, in
vermindering, fmalte, breedte, rykdom , ar-
moede enz. daar het zilver veel egaalder in
word bevonden ; dit is dereden , dat de Berg-
werkers in het goud altyd. op groote hoop
voortwerken ; voor eerft is de ader in het
middelfte ten opzicht van zyn bejin en einde
altyd rykft, en, daar twee aderen goud-erts
by geluk malkander {nyden, altyd zeer ryk,
welke ryke plaats des aders by de lieden van
“deze
_ (a) Ziet de Heer Frezier in zyn Reis,
334 __ Natuursen Konft-Kabinet ,
deze verrichting de beurs word genaamt; zom-
tyds is het laatíte einde van.de ader deze al=
derrykfte beurs, het welk de oorzaak is, dat
de Mynmeetfter nergens (taat op kan maaken,
en veel grooter getal zich verrykt hebben, in’
werken vande zilvermynen of andere metaa-
len, als die van het goud,
68,
De wafchplaatzen, daar men het goud uit
de aarde der riviereiikn deszelfs zand haalt,
‚zyn overvloedig in de Weftindien , maar ook
metVeel moeite verzelt., gemeenlyk worden
deze plaatzen uitgekoren by het afloopen van
hooge bergen , rotzen en {teenige heuvels,
dewelke goudryk worden geoordeelt;, na de
hoeken van zodanige plaatzen word door
zwaaren arbeid, als zulks mogelyk is, een
loopend water na toe geleid, dat door zyn
gedurige vloed, alle de aarde en lofle berg{tof
met zich fleept; het overige; dat zwaarft is,
word op muilezels gebragt in een daar toe-ge-
maakte kom, door dewelke wederom een
fnelle waterbeek word geleidt, terwyl deze
ingebragte aarde gedurig met een yzere haak
word geroert , ende (teenen „die de loop van’t
water en uitwaflching zouden beletten, uit-
geworpen; als dus dit {tofgoud vergadert
word, fchynt alles zwart, en het goud kan
door ’ oog niet in de aarde ontdekt worden,
ten zy Pepitas of groote goud-korlen onder
dezelve gevonden worden, dat zomtyds ge-
beurt , gelyk boven gemelt is, en ook getuigt
word van de Eerwaardige Vader Louis Feuil-
lée Cin zyn Journal des Obfervations Phbyfi-
ques,
Ee
rjg S
Maart en April v719- — “335
gues ,Wathematignes 5 Botanignes) hoe dat
hy in het Kabinet van Dox Antonio Portuca-
rero een Pepita gezien heeft, dewelke 33
ponden en eenige oncen zwaar was, en door
een Indiaan was gevonden. Dat ik verwon-
„derenswaardig aanmerkte omtrent dit (tuk
goud, (zegt de Heer Fegillée) is,dat het bo=
venfte gedeelte veel volmaakter a/oy van goud
„was alszynonderfte, en dat deze zuiverheid,
na mate dat het na zyn onderfte gedeelte
voortging , ook evenredig volgde, Op deze
wyze in het oppervlak van zyn bovenfte deel
was het aloy 22 Caraat en 2 grein, een wei-
nig lager 21 Caraat grein, twee duim van
«boven na beneden gerekent maar 21 Ca-
raat, en alderonderft niet meer als 17 en 4
Caraat.
69.
Als nu de zwaarfte zwarte of andere geko-
leurde aarde in deze groote wafchkom is bly-
ven leggen, dan vinden de werklieden noch
„buiten de korlen geen goud, maar doen die
aarde in groote houte fchotels, en waffchen
met water dat metde aarde en vuiligheid over
de rand heen vloeit, zo langtot dat zy goud
op de grond van de houte fchotel vinden leg-
gen. Deze goud-aarde van de nedergaande
fteiltens der grouwzaame bergen van Chili is
boven op zyn oppervlak fyn, meeft roodver-
wig van koleur; op een mans diepte neder=
komende, is zy met (a) groote zandkorlen
gemergt, en daar begint eerft de aarde,
beer daar
(a) Ziet breeder de Heer Frezier Reis doorde
„Zuidzee,
336 Natuur-en Konft-Kabinet ,
daar ’t guud onder gevonden word, fteu-
nende op bedden van een {teenachtige grond,
daar het ftofgoud niet heeft konnen door-
zinken.
70.
Daar zoude byna geen einde aan zyn, als
de Spanjaarden vlytig ontdekten alle de ryke
goudmynen en wafchplaatzen van goud, de-
welke in Chili te vinden zyn. In het jaar
17oo (verhaalt de Heer Frezier) dat tot in
het gebergte van $#. Córiftoffel van Lanpan-
guy omtrent 8 mylen van Valparaiffo, en der-
tig graden zuiderbreedte, alderhande metale
mynen,vangoud, zilver, loodt koper, tin,
ontdekt wierden, waar uit blykt, dat deze
landen van Chili en Peru (gelyk ik op zyn
plaats klaarder toonen zal ) van Metalen als
aan malkander hangen. Dit goud van Laz-
panguy is van 21 tot 22 caraaten bevonden,
maar de erts byna onhandelbaar hart, hoewel
een weinig daar van daan de erts handelbaar-
der bevonden word, gelyk ook in de vlakte
van Qzillota; die maar negen mylen van Val-
parai{fo afgelegen is, en voor dezen zeer goud-
ryk bevonden wierd. De traagheid en achte-
loosheid van de Spanjaarden gaat zelfs zo ver
in deze landen , dat zy op zommige plaat-
zen, die zeer goud-ryk zyn, zeer armelyk
leven. Gelyk na ’* verhaal van de Heer Fre-
zier de Inwoonders van de Stad la Sereza
(dewelke zeer plaifazt aan zeelegt, een vier-
dedeel van een myl van de Baay van Coguira-
“bo, daar zy: ook wel Coguimbo na genaamt
word) “alleen!yk uit luyheid zoo zeide
dat
osje
Maart-en April 1719. … 337
dat zulks naauwlyks te geloven is, en deze
Landitreek is een der alderrykfte van ’t ge-
heele Koningryk Chi; want in de winter,
wanneer de regen een weinig overvloedig is,
vinden zy hier en daar. meetft in alle hoekjes,
dewelke van de bergen vlieten, ftofgoud of
kleine ftukjes: negen of tien myl van deze
Stad ten Ooften zyn de goud- wafchplaat-
zen van” Axdacol, en -daar. omtrent zyn zo
veel ryke Goud-mynen, dat daar wel 4oooo
menfchen aan te werk geftelt zouden kon-
nen worden.
91.
Deze Luyheid heeft echter niet overal
plaats, want in den jaare 1707 wierden van
pg
de haven van Caldera omtrent vyf mylen zui-
_ delyker by de kleine Stad Capiapo, eenige ry«
ke goudmynen ontdekt , waar door het vlek
Captapò 10 toenam, dat 1713. doen de Heer
Frezier daar was, al zes Rolmolens opge-
_ recht waren ‚en daar wierd eene molen met
_ flampers, daar ik van gefproken hebbe, op-
re
gerecht; deze molens met (tämpers konnen
__twaalfmaal zo veel erts maalen, als de oude
__Rolmolens, dat is, zes Caxons op een dag ; het
_ Ons goud gegoten zynde word tot Caprapò
verkocht voor twaalf à dertien, à dertien en een
halve Prafter. Dus verre van dekennifle, de-
welke in de latere eeuwen onze voorouders
hadden, en dewelke wy hedendaags hebben vere
kregen , van het Goud en deszelfs groote over-
_ vloed in de Myn-en Wafchplaatzen van Ameri-
_ ea, Verwacht de Natuurlyke Gefteltheid van
elk byzonder Landfchap en Amerika, inde
ver-
Tabula
338 Natuur -en Ronft- Kabinet,
verhandelinge van het Zilver,op een andere tyd
Derde Verhandeling van het GOUD , waar
in het BLADGOUD-SLAGERS
HANDWERK naauwkeurig befthres
ven word.
DE Lezers zullen niet kwalyk gelieven te
&S neemen, dat ik: de Geheimen van elk
Handwerk niet mededeele, in zo verals der-
zelver publicatie nadeelig aan de-Konftenaars
zoude konnen zyn.
x
Het eerfte Werk van een goed Meefter
Goudflager is, dat hy zich voorziet van het
eelfte en zuiverfte Goud van vier en twin-
tig Caraat, want hoe zuiverder goud, hoe
beter en duurzaamer in het dekken. Dit
goud word in een gemeene Syzeltkroes gefimol=
III. Fig.ten, ziet in Zabala III. Fig. 1. deze fimelt-
1.Fig.2. kroes word geplaatft in de Koolen , ziet Fig.
Fig. Äe
Fig. 4
2. letter a, om deze kroes word een yzere
Ring geplaatft, om de koolen by malkanderen
te houden, ziet Fig, 3. de geheele kroës mag
wel met koolen om alle de zyden en boven
gedekt worden, om des te grooter vùùr te
madken , dit vuur word aangeblaazen door de
Blaasbalk b. in Fig. 2. achter de muur vande
oven geplaatft, eu met een pyp door de muur
gaande tot aan ’t vuur; het goud gefimolten
zynde, word overgegoten in het Smeeltyzer,
ziet Fig. 4. welk {Mmeltyzer ook in de af.
getekénde Winkel (aan de zymuur hangende)
gezien word. Dit
- Maart en April 1719. 339
hs 2
Dit Sraafje goud, dat uit het fmeltyzer ge-
homen word, word verbeelt door Fig. s. pig, 4.
en heeftdelengte van elf à twaalftehalf duim;
en de breedte en dikte van een dunne mans
pink; het werk „dat nuaan dit ftaafje gedaan
word, is met de Smeedbamer ‚te zien in Fig. 6. Fig.6.
dog met de per of de verkeerde kant vande :
fimeedhamer by letter c, dit ftaafje word al=
leenlyk maar uitgeklopt in de lengte, en
geenzins inde breedte, te weten tot de leng-
te van twee Rynlandze voeten of daar om-
trent.
_ Wanneer nu dit Woudndafe dus ver is
verlengt, en vervolgens verdunt, word het
gebragt in een werktuig, dat de Goudflagers het
Plet noemen, ziet dit plet eerftelyk verbeelt
in de Winkel onder Fig. 7, vaft ingelyft op Fig. 7.
een dwarsbalk, die met het eene einde in de
muur gemetzelt is, en met het andere einde.
onderfteunt word door een flaande balk of
paal, díe recht onder het plet ftaat, maar de
tweedemaal word dit werktuig, te weten het
plet „vertoont in Fig. 8, het ftaafje goud word pis, g,
in dit plet geftoken tuffchen twee ftaale fchy-
ven, getekent met letter d en e; deze twee
ftaale fchyven worden op malkanderen ge-
fchroeft door twee fchroeven , dewelke de
bovenfte fchyf op de onderfte vaft drukken ,
om het ftaafje wel te beklemmen, ziet de=
ze Schroeven vertoont in Fig. 7. by de let-
ters f,f, enby Fig.g. met dezelfde letters. Fig. 9.
Ya Wan-
340 Natuur-en Konft- Kabinet;
d.
Wanneer nu het ftaafje tuflchen de beide
ftaale rollen of zwaare (chyven wel beknelt
is, dan worden deze ftaale rollen omgedraait
door twee (terke mans-perzoonen, draajende
met de handvatzels g, #, £, 4, tegens mal-
kanderen aan; dat is, als de eene knecht de
ftaale rol omdraait van * zuiden naar ’t
noorden, moet de andere knecht de andere
ftaale rol omdraajen van ’t noorden naar
het zuiden, by welke gelegentheid het (laaf-
je goud zeer dun geplet word in de lengte;
dog niet breeder, als het zelve hier vertoont
word in Fig. 8. en in Fig. 9. met de let-
ters 5, hb. Moet ondertuflchen wel aange-
merkt worden, dat het goud gedurig uit en
in de pletmolen ín ’t vuur moet gegloeit
worden, om het goudte verzachten, dat an-
ders aan ftuk geplet zoude worden. Nu is
het zeer aanmerkelyk, dat onder dit pletten
het goud nooit in de breedte uitzet, alhoe-
wel zulks ten opzicht van de plet-rollen wel
zoude konnen zyn, dewyl dezelve lang ge-
noeg zyn, maar het goud zet zich alleenlyk
maar uit in de lengte; op deze wyze word
het geklopte ftaafje van twee voeten lang uit
geplet tot de lengte van zes vademen ot daar
omtrent, en word dan tot een Bosje gebon-
Fig.ze. den, gelyk vertoont word by Fig. 1o,
5.
_ Als nu dit goud zodanig is uitgeplet in de
lengte, word het zelve wederom met des
fmeedhamers verkeerdekant (ziet Fig. 6. let-
ter c) in breede uitgeklopt, tot de breedte
: van
*
„ Maart en April 1719. 341
‘van anderhalf duim, dog gedurig in ’t vuur
gegloeit; na dezen word het zelve door
een Schaar (ziet Fig. 11,) geknipt in vzerkante
Plaatjes „als’er een vertoont word in Fig. 12.
Nu ftaat aan te merken, dat tweehondert en
vyftig of daaromtrent van deze kleine vier-
kante goude plaatjes worden gelegt perpeudi-
eulair op malkander, met die waarneemin-
ge, dat tuffchen elk plaatje goud een blad
van zeer dun en alderfynft kalfs parkement
gelegt word, en dit in het verband, als of
alle deze plaatjes en alle deze parkemente bla-
deren een vierkant Blokje uitmaakten, gelyk
Fig.rr.
Fig ra.
tezien is in Fig. 13. Dit blokje heeft in zyn Fig,z3.
vierkant elke linie 3 en £ duim , datis in
zyn geheele omtrek 14 rynlandze duimen,
en in zyn dikte anderhalf duim, en word de
kwerts-vormgenaamt; dog eer het goud in of
tuffchen dit parkement van de kwets-vorm ge-
legt word , moet deze kwetsvorm eerft ge-
ftelt worden in eeù heet gemaakte yzere pars,
die zo heet is, dat hy filt, op dat het parke-
ment beendroog mag worden „ anders zoude
het goud zich ontzetten , fchiften, en als van
malkander vallen in ’”t kloppen, deze yzere
Pars is te zien in Fig. 14. Alle de twee-
hondert en vyftig goude!plaatjes weegen vyf
oncen goud; dit pakje of blokje of deze kwets-
vorm ‚beftaande nu uit alledeze tedere parke-
mente blaadjes en goudplaatjes, word in een
omtrekje befloten van wat grover parkement,
dat zy de Bandeg noemen.
6. (ne
Dewyl nu de goude plaatjes in deze kwets-
DR Gie AOR vorm
Fig. 14
Fig. 15.
342 Natuur-en Konfl-Kabinet,
vorm maar anderhalf duimzyn, en dé kwets-
vorm vierdehalf duim „teweten in zyn Diame-
ter, geeft dit groot onderfcheid in de grootte
van beide, daarom word deze vorm gelegt op de
vierkante Steen, die door Fig. 15. betekent
word, en ook in de winkel te zien is; tegens
deze {teen gaat de Goudflager aanzitten , als
insgelyks in de winkel vertoont word, leggen-
de op zyn fchoot een rood fchaapen vel, let-
ter 7,%an deze {teen wel vaft gehecht, opdat
niets van het goud verloren mag gaan, tot
welk inzicht ook om deze zelfde fteen ge-
maakt iseen hoog opgaande eike houten 1yft,
als een rand, by de Goudflagers de Kas ge-
naamt, en word zeer dicht aan deze fteen ge-
werkt, en de randen beplakt met parke-
ment,en een vierkantop de fteen overgela-
ten, letterk, zynde het overige vandefteen
met het roode leer bekleed, als letter /. te
zien is.
7.
Zodanig een goudflagers fteen is ongelyk
van zwaarte, na het werk, dat op dezelve
gedaan word, wantdeze fteen, die de groot-
fte is in de winkel, weegt over de 700 à 800
ponden, zynde gemaakt van blaauw zark-
fteen, en word op deze fteen gemeenlyk de
kwetsvorm alleenlyk dun geflagen , als de
Winkel voorzien is met verfcheide fteenen,
elk gefchikt na de meerder of minder lich-
te vormen, dewelke daar op dun geflagen
worden; dog als in een winkel maar een
fteen is , gefchiet alles op deze zwaare
fteen , dat echter niet gefchieden kan, daar
veel knegts in ’t werk zyn. Als
“Maart en April 1719. 343.
8
__Als nu deze kwetsvorm gelegt is op de
fteen in het vierkant letter K. dan komt de
Goudflager metde Hamer Fig. 16. en flaat op Fig. z6.
deze kwetsvorm met de zwaarfte van zyney-
zere hamers (de Kwetshamer genaamt) omtrent
een uut lang, in welke tyd de goude plaatjes
nietalleen worden uitgeflagen ter grootte van
de parkemente bladeren van de kwetsvorm,
maar zelfs daar overal zo veel buiten, dateen,
ons goud omtrent word uitgeklopt, ’t welk met
een yzer mesje word afgekrabt van de zyden en
randen yan dekwetsvorm.
9.
De goude plaatjes nu in dekwetsvorm uit-
geflagen zyndetot een diameter van vierdehal
rynlandze duimen , worden deze blaadjes goud
dan gelicht blaadje voor blaadje met het houte
Tangetje Fig. 17. uit de kwetsvorm, en tot Fig. 17.
vyf en twintig in ’t getal traps gewys op mal-
kander gelegt, en met een dun mesje midden,
door gefneden, dan wederom met het zelfde
houte tangetje traps wyze op malkander gelegt,
en noch eensdoorgefneden, zyndeelk plaatje
goud van 3 en 5 nu in vier gelyke deelen ver-
deelt,en van de vyf en twintig blaadjes goud
hondert voortgebragt, en komen van deze twee
hondert en vyftig (tukken of plaatjes uit de
kwetsvorm op deze wyze duizend vierkante
blaadjes.
| 10.
Deze duizend goude blaaden worden met
het zelfde houte tangetje gelegt blad voor blad
tuffchen de bladeren van de Leuvorm , ziet Fig. Fig. 18.
8.
Y 4 1
344 _Natuursen Konft-Kabinet,
18. Deze Leuvorm is byna-gelyk de kwets-
vorm, als iemant dezelve van buiten beziet ,
en beftaat uit duizend zeer dunne velletjes,
dewelke als een vierkant boekje op malkan-
der leggen; deze blaadjes of velletjes wor-
pen by de goudflagers Lrezen genaamt, en
worden toebereidt van het zak-einde-van
een Koebeeft, welk zak-einde van de pen-
zak afgefchilt zynde, is als een fyn darm-
vlies in het aanzien, dit Vlies word gefpan-
nen-op houte Raamen „ dewelke in haar
lengte hebben $4 voet, en in de breedte 6
â 63 duim; twee zulke vliezen op twee ver-
fcheide raampjes gefpannen zynde, zyn van
die onbedenkelyke dunheid en kleverigheid,
dat zy aan malkanderen geplakt wordende,
znfeparabel aan malkander blyven, wanneer
het eene raampje voorzichtiglyk word afge-
fcheiden van zyn vlies, zittende dus die bei-
de vliezen nu egaal en zeer glad aan malkan-
der als vaft gegroeit op het eene raampje ; dit nu
droog geworden zynde, word dit vlies met
een zeer fcherp fchoenmakers mes geheel ge-
lyk gemaakt en gefneden ; alle vellen, onge-
lykheden, uitfteekzels, bultjes, of wat daar
meer op mogte zyn , onbedenkelyk glad als af=
gefchaaft; dus gefchaaft en gedroogt, word
dit vliesje, dat hoe wel dubbelt, echter van
een onbedenkelyke dunheid, fynheid en door-
fchynentheid is, in vierkante blaadjes van ’t
raampje met de punt van een fyn pennemesje
gefneden; deze blaadjes afgefneden zynde,
worden in vloeypapier ( Bremers grens ge-
naamt) gelegt, blaadje voor blaadje, en ine
en
Maart en April 1719. _34f
den zo lang geklopt, dat al het natuurlyk vet
der liezen in het vloeypapier is ingedrongen.
REET.
Nu weeten de Goudflagers een pap te be-
reiden, die zy de grond noemen, (deze pap
maaken de Engelfche beter als wy ‚ en maakt
dat de vorm beter is en het goud dunder uitflaat)
deze pap word gekookt van wyn en brande-
wyn, en een poeder van nootemuscaat, ca-
neel, nagels, foelie, peper, maftix, wie-=
rook, gengber , vifchlym en campher enz,
deze pap dan word door een doek gefpoelt en
zeer gezuivert; met deze pap nu worden de-
ze lieze blaadjes driemaal met een fpons- ge=
ftreeken, en gedroogt, tot dat zy onbedenke-
lyk fmeudig en glad zyn, dan worden deze
dusdaníg bereide liezen op een nette winkel-
haak afgefneden tot haar behoorlyke grootte
ìn het nette vierkant. Ik zal na dezen, als ik
van de Lymen handele, ten dienfte van onze
Bladgoud-flagers een Lym-pap mede deelen,
dewelke zo goed zal zyn als die der Engelfchen.
I2.
De grootte nu van deze Leuvorm is vier
duim over elke linie, dar is 16 duim in zyn
omtrek, en deze duizend blaadjes maaken
maar een dikte van 14 duim, waar uit de
dunheid van elk lies-blaadje kan afgemeten
worden ; wanneer nu de duizend goude blaad-
jes tuffchen de lies-bladen van deze Lieuvorm
ingelegt zullen worden , moet wel in acht
genomen worden, dat deze geheele Leuvorm
eerft geftelt word in de zeer heet' gemaakte
yzere Pars Fig. 14, opde wyze, alsik van de
kwetsvorm gezegt hebbe. Man Het
346 Natuur-en Konft-Kabinet,
13
Het goud nu in De Leuvorm geplaatft
zynde, word wederom geflagen met de
zwaarlte hamer, de kwets-hamer genaamt,
en met Fig. 16. uitgebeelt, tot zo lang dat
het uitgeflagen is op de fteen, dat het goud
aau alle zyden uit komt fpruiten en zich ver-
toont, wordende wederom het goud van de
randen afgefchrabt, dat wel een ons bedraagt
in gewicht.
I4
Het Goud nu geleut zynde, word weder-
om blaadje voor blaadje uit deze Lieuvorm
met het houte tangetje Fig. 17. trapsgewys
tot twintig blaadjes te gelyk op malkander ge-
legt, en door het tangetje als omgevouden
en door gefneden in viergelyke deelen. Hier
is aan te merken, dat by na voor ’t men-
fchelyk vertand niet te begrypen is, hoe de
duizend bladen, uitgeflagen zynde ter zelver
diameter van de Leuvorm, echter deze Leu-
vorm niet zichtbaarlyks verdikken, dewyl
de Leuvorm in zyn parkemente banden zo
wel fluit met als zonder de goude bladen
daar in; als ook, dat dit goud nu tot zo-
danig een dunte geflagen zynde, noch we-
derom in vier deelen word verdeelt, en dat
van deze duizend bladen wederom vierdui-
zend bladen wordengeflagen , die grooter zyn
als de-andere.
Is.
Deze vierdepartjes van ’t geleute goud of
geleute goud-blaadjes worden nu overge-
bragt ineen andere vorm, dewelke de goudfla-
é gers
… en nn
Maart en April 1719. 347
gers noemen de Dunflag-vorm, ziet Fig. 19. Fig. 19»
dit is eindelyk de laatfte vorm „daar het goud
zyn behoorlyke dunnigheid in ontvangt, de-
ze vormbeftaat uit zeshondert vierkante lies-
bladen, daar wy te voren van gefproken heb-
ben, dezelve heeft de dikte van drie guarten
van een duim, en is over elke linie vyfduim,
“derhalven twintig duim in zyn omtrek ; eer
deze zes hondert blaadjes goud in de dunflag-
vorm gelegt worden, word deze vorm eerft
wel gezuivert , want een korreltje zand of
{tof zoude dezelve bederven , en al het goud
en de vorm volgaatjes maaken; dan word
dezelve gebruint, zo als de goudflagers dat
noemen , te weten gewreven met gebrande
onbedenkelyk fyne witte gibs, blaadje voor
blaadje, met een achterfte haaze-poot, om
de vertigheid van de liezen te temperen, en
een zekere fmedigheid by te zetten, dat het
goud niet aan dezelve liezen zoude vaft ver-
gulden en aankleeven,ft welk zonder deze gibs
anders datelyk gefchiet. Na dar deze vorm
gebruint is, word dezelve tuffchen twee bor-
tjes van gedroogt bortpapier in de heete pars
gezet, uitgebeelt mer Fig. 14.de vormnu ge-
parft zynde, worden de vierkante vierde partjes
van ’t geleute goud ot de leublaadjes, LO
als deze lieden dat noemen, in dezelve. ge-
_vult blad voor blad met het houte tangetje , ver-
toont Fig. 17.
1ó.
Dete Dunflag-vorm met zes hondert blaad-
jes goud word wederom uitgeflagen omtrent
in de tyd van vyf à zes uuren op de groote
fteen
348 Natuur-en Konft-Kabinet,
fteen by letter k. met een hamer van acht
pond, die (de zetter genaamt) opeen nade
kleinfte, die in de winkel by de drinkkan /ez-
ter m. uitgebeelt (taat. Deze hamer of zet-
ter flaat de goude blaadjes omtrent eens zo
groot, als dezelve in deze dunflagvorm ge-
legt wierden, maar dan gebruikt de goudfla-
ger de kleinfte hamer ‚te zien in de winkel
met de letter #. onder de drinkkan. Deze
hamer is klein en randig fcherp omzotefpree-
ken, en flaat op de vorm als met zyn randen
van tmidden, in dier voegen, of zy de vorm
in vieren wilde {plyten, om het goud op de-
ze wyze als in vier deelen te breeken , dat
ook zo gezien word; elk blaadje is in ’t mid-
den valt, maar anderzins aan vier deelen ge-
feheiden door ’t flaan , dat na de buiten ran-
den uitwerkende gefchiet, het welke dan weer
tot malkander als toe geflagen word, op dat
het goud zich zo veel te beter zoude uitbrei-
den en verdunnen laten, en als uitfpatten en
uitgroeyen, welke uitwelling en uitdryving
en uitgroeying de eigentlyke konften fynheid
van het goudflaan is, om het net egaal en
wel altyd in die dryving en uitwelling te be-
waaren onder’t flaan ; dit dryven duurt omtrent
een klein half uurtje of een guartier van een
uur. 17.
Wanneer nu het goud gedreven is door dit
dryf hamertje, heeft elk blaadje wederom wat
gewonnen, dog niet veel in zyn diameter,
maar is overal als van malkanderen gekneutt,
en als ín vier kloofjes gekwerft of gedreven,
dat zeer geeftig in dit konftig handwerk is;
dit
Maart en. April 1719. 349
dit gefchiet, op dat de goudflager , die nu we-
derom met de hamer van acht pond, die de
Zetter genaamt word, begint te flaan ‚de kan-
ten van de goude blaadjes zo veel te beter
uit zoude doen fchieten na buiten; met deze
word het blad-goud omtrent eens zo groot
in zyn diameter gellagen, als doen het eerft
in de dunflag-vorm gelegt wierd, op deze tyd
nu word een hamer genomen van IL Àà 12
pond, en het goud tot zyn volkomen dunte ge=
flagen, deze dunte word zo lang voort ge-
flagen , als het goud zich uitzetten wil of
groeyen, en om zulks te weeten, flaan de
goudflagers altemets acht, tien à twaalf fla-
gen achter malkander op het midden van ’t
goud of van de vorm, en bezien by ’t openen
van de vorm of een blaadje van dezelve „of
het goud noch van het midden des vorms
na buiten wil golven, het welk een teeken is,
dat het zelve noch meer uitflaan kan lyden,
gr. '
Nu moet niemant gelooven, dat hy deze
konft van goud{laan zeer licht of gemakkelyk
kan leeren, zynde tot dezelve cen groote dex=
teriteit en handeling, en wel een naauwkearige
obfervatie van noden, en zelfs in zo verre,
dat verfcheide meefters goudflagers haar zel-
ven (alleenlyk door onkunde) hebben geri-
neert, dewyl deze Konft (even ongelukkig
als veele andere) naproportie niet wel betaalt
word. Wanneer nu deze zes hondert bla-
den goud tot haar genoegzaame dunte in de
dunflag-vorm geflagen zyn, word het goud
door het wryven van de vorm met beide de
han-
2fo Natuur-en Konf-Kabinet,
handen afgezer, op dat het niet vergulden zou=
de aandetiezen, wordende dir onder het flaan
elke poos ook waargenomen „ waar door alle
rimpels, kreuken en;vaftktevingen uit het goud
als worden uitgewreven door een geeftige be-
handeling, die elke meefter niet even geluk-
kig eigen is; ook worden onder het flaan op
de dunflag-vorm onder en boven 3iparkemen-
ten gelegt‚op dat de liezen niet breeken zouden.
19.
Het bladgoud arbeftdkel zynde word ge-
boekt in de boekjes, daar men het zelve da-
gelyksin koopt, hiertoe worden alle debla-
den van de vorm, daar de goudblaadjes tuflchen
in leggen, op dat zy wel by malkander zouden
konnen gehouden worden, vaftgehouden ín
de Spaz-tang Fig. 20.20. Deze fpan-tang heeft
een voetje, gelyk te zien is aan beide uit-
beeldingen metde letter o,o, en heeft achter
aan zyn einden een klein Span-yzer , te zien by *
letter p‚p. vol gaatjes zynde, om de fpan-tang
naauwer en wyder te konnen fpannen; hier
mede de dunflags-vorm geklemt en gevat
zynde, word op het WerkkufJen gelegt, ’t welke
Fig. ar.Fig. 21. en ook in de winkel by de Meefter,
die aan ’t boeken zit, verbeelt word,
Fr ig. 20,
3
20.
Dit Werkkuffen is gemaakt van een plank,
daar op gefpykert is zacht wit Kalfsvel, en_
. gevult met Kemels-haar, en opdat het goud
te gemakkelyker zich daar af en op laat lich=
ten,en (nyden tot zyn behoorlyke grootte, word
dit werkkuflen dikwils met gebrande gibs ge-
ftreken en gewreven, dit werkkuffen is läng
Bite twee
Maart en April vrg. _ 3st
twee timmermans voeten en 3 en eentduim, —
en breed 8; duim.
nat.
De Boekjes, daar het goud in overgelegt
„word, zyn.genaait van zeer flecht- Over-Y-
gels. dun vloey-papier, dit papier is met een -
„droog Roobolisje geflreken, op dat het goud
niet zoude kleeven, en worden van verfchei-
„den- grootte: gehouden , dewyl de goud-
blaadjes uit de vorm koomende niet egaal
groot zyn ; of in het overleggen wel
„eens een weinig verongelukken; in het uit-
lichten en boeken neemt de meefter -dezelve -
wederom uit met het. boutetangetje Fig. 17.
De goudboeker „ het blaadje van de vorm
“oplichtende mêt zyn linkerhand, (ziet letter
g in de winkel) heeft in de zelfde een mesje
gemaakt van {paans ried, dat door zyn ícher-
pe erf bekwaamft isom elk goudblaadje,dat
hy met zyn rechterhand opt werkkuffen legt,
de kanten aftefnyden, als hy het-blaadje van
de vorm laat vallen, en met de linkerhand
„het goud-blaadje fnydt, en tot. 25 blaadjes
in ’t getal in elk boekje legt; dit gefchiet op
een werk-bankje, daar het goud-boekje op
legt, dat zy een paartje noemen, en voor ’t
kuffen ftaat , twee in getal , voor tweeof meer
boekjes van verfcheïde groote,ziet Fig.22 €en 23. Fig. 22.
22e en Fig.
Als het goud geboekt is, worden alle deze 23.
boekjes op malkander gelegt, en hergoud , dat
buiten de randenis, met hetried mesje afge-
fchrabt. Ziet nu voort Fig. 24: iseen houten Fig. 24.
Pars, daar kwets- en leu-vorm in taan, om
aekis dun-
peÂ
EÁ
Fis.
Fig.
Fig.
Fig.
Fiz.
Fig.
Fig.
Fis.
35z Natuur-en Konft-Kabinet ;
25. dezelve droog en wel te bewaaren. Fig, 29.
26, is een correét goudfchaaltje. Fig, 26. is het
Boekmes, daar de boekjes mede op haar maat
27. gefneden worden. Pig, 27. is de Smelttang,
om de fmelt-kroes aan te vatten , en de koo-
28. len teregeren. Fig. 28. is een Blaasbalk „ om
de kooltjes mede van ’t gefmolte goud uitde
29. fineltkroes te blaazen. Fig. 29. isde boekjes-
30. pars, om de boekjes wel in af te {nyden.Fig.
3o. ishet Aambeeld, dat op het fnselt-blok in
3E de winkel ftaat letter r. Fig. 31. is het bor-
fleltje, om het goud in ’t leujen aan te veegen.
32. Fig. 32. is het gewicht-bakje,
23e
Alle deze wssidenkeen en Befchryvin-
gen dezer Werktuigen zyngefchikt nadekon-
ttigfte Bladgoud-flagery , dewelke ik hebbe
konuen vinden, zynde ook te gelyk de oud-
fte Winkel in Amfterdam, ten huize van Moz/r.
Jzaak Bronkhorft , woonende in de St, 1 ucy-
Pleeg, daar de Goudflagers winkel uithangt ;
aan welke Meefter Bronkhorft het ook behaagt
heeft, het volgende versje op het in % licht
brengen zyns Ambachts te ontwerpen.
Hoe’t GOUD, daar elkop aaf? , door Konft,
Gewelt en Lagen,
Met Schyven word geplet, met Hamers dun
geflagen,
Zot Bladgoud, daar de Pracht zo trots
haar rol meê fpeelt,
Word bier voor d'eerfte maal de Lezers
mêe gedeelt.
IZAAK BRONKHORST.
AAN-
f
Maart en April 1719. 353
AANHANGZEL
; VAN
BRIEVEN enz.
SSEERS TE BRIEF,
Van de Heer HeNry SCHAINK aan den Au=
teur, over het GROOTE LICHT, aat
zich dez 3o Maart 1719. °savonds ten half
negen aan den Hemel vertoont heeft.
Myn HEER!
KEN vedermraal zig den 30 Maart 1919 omtrent
half negen eenig licht aan den Hemel ver-
Ezont heeft, welkers nitfchietende ffraalen, en
uitgebreide klaarheid wel van veel menfchen
gezien is, maar die nochtans niets weetente
Jpreeken van de oorfprong „ en hoedanigheid ‚en
figuur van deze Verlichtinge, zo heeft betmy
goed gedagt aan myn Heer, die niet alleeneen
Minnaar van Konften en Wetenfchappen ‚maar
ook meëfterlyk in de zelve ervaren is, van dit
Lugtvertoog kennifle te geven, nademaal het
_ geluk ons hier in zodanig begunftigt heeft, dat
‚Zo wel het begin als bet einde by ons konde
waargenomen worden. De Planeet Venus gaf
bier aanleiding toe , nademaal dezelve op de
voornoemde tyd voor de eerfte maal van dit
Voorjaar van ons Ee wierd, en de heldere
Lugt
354 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Lugt begunftigde ons ook in”t befchouwen der
Starrebeelden, nadien het gezigte van de zelf-
de alzo wel als dat van kruiden en bloemen in
het geheugen de form en figuur vernieuwt en
wvafthegt. Venus was niet lang verdweenen,
of dit wonderlyk vertoog vertoonde zig in de
Lugt by het beeld van Orion, even op de zelf-
de wyze, als hier afgebeelt flaat , welke afte-
kening wy ook met de bygevoegde verklaringe
aan eenige Vrienden vertoont hebben, welke
niet weinig daar over verwondert waren;
daarom twyffelen wy niet, of het gezigte daar
van zal myn Heer aangenaam zyn, alzo de
Natuurkundige daar dikwils ietsiu vinden ‚dat
Jlof verfchaft tot overweginge van veel voor=
treffelyker zaaken.
Myn Heer p
UE D. Ond, D,
HENRY SCHAINK,
Ver:
Maart en April 1719. 35$
Verklaring van de Vierde Tabula
of Printverbeelding.
A. De plaatfe, daar ’t vertoog eerft zyn aan-
B.
CG
vang genomen heeft.
De gordel van Orion.
Het lugtvertoog in grootheid vermeerdert,
het welke gefchiedis, terwyl het zeer {hel
bewogen wierdvan A naar C. Wantin
A is het verfcheenen geweeft als een klei-
ne vuurpyl , met een hooften ftaart-vuu-
rig rood, welkers bolletje onder het be=
wegen tot zodánige grootheid aangegroeit
is, dat het by C gekomen tynde, byna
met de Volle Maan vergeleken konde
worden , met een langer ftaart in langte
en breedtetoegenomen , in welke plaatfe
het ftille ftond, en raakte in de brand met
een heldere vlam, welkers coleur helder
wit met groen vermengt was , en verlig=
tede alzo den heelen Hemel: dog kort daar
aan, nadat de vlam gebluft was, fcheen
het weer vuurig rood, en vloog meteen
{nelle loop in dezelfde grootte int ZW
na den zigteinder, alwaar het onderge-
gaan is , de Maan ende andere Sterren,
welke eerft klaar fcheenen, met een don-
kerheid en nevel bezwalkende, zodanig,
„dart eenige menfchen op de ttraat in ’t hooft
duyzelig wierden , en fchemer-oogden.
De tyd, diehet geduurt heeft, is omtrent
een half vierendeel van een uur ge-
weeft.
Zi 2 Aan.
356 Natuur-en Konft- Kabinet ,
Aanmerkingen van den AUTE UR
over het wvoor- gemelde Licht.
I.
ED hd zyn veel zaaken, dewelke, alszy in
haar enkelde verdunning door de warm-
te worden opgeheven , onze zinnen niet aan=
doen, gelyk de uitdampingen van het water,
die door de warmte van de Zon in een on-
zichtbaare waaflem na boven gaan, maar als
deze dampen in het opperfte gedeelte van de
dampkringachtige lucht koomen, en van de
wederomftuitende ftraalen der zon niet lan-
ger konnen gedragen worden, moeten wy
‚ ons niet verwonderen, dat zy wederom te
zamen ftremmen, en een zwaarte verkregen
hebbende , onder de gedaante van regen,
hagel, {heeuw, ryp,‚, mit, nevel, honing-
dauw, en diergelyke nedervallen.
XY.
Als wy eens aanmerken de geheele damp-
kringachtige Jucht,gerekent van’t oppervlak der
aarde tot het bovenfte oppervlak der wolken,
zouden wy geen recht hebben om vaftte ftel-
len , dat in dezelve andere zaaken gevon-
den worden ,-als wy door de bevinding en
de proef gewaar worden, dat de zelve uit-
levert?
5
Ik heb dedampkringachtige Lucht, dewel-
ke wy inademen, altyd aangemerkt in drie
verfcheide hoedanigheden. LI. De zeer fyne
Lucht-
Maart en April 1719. 357
Lacht-materie , dewelke van de vafte Sterren
tot op ons aardryk geplaat{t is, en gemeen=
fchap met hetzelfde heeft; dit gedeelte van de
lucht of deze fyne lucht - materie , wil ik wel
gaarn bekennen , dat by my onbekent is,maar
de ondervinding heeft my geleert, dat’ deze
lucht-materie , als ik dezelve van deszelfs dam-=-
pen koome te zuiveren door de luchtpomp
of andere werktuigen , zeer fyn en doordrin=
gendis, jazelfs zover, datzy een lichten een
volflagen vuurige glans van zich geeft; ik zeg-
ge, eenluchtigvuur, dar alles, daar het zelve
onbelemmerten ongetempert op aanvalt, met
gewelt verteert en verbryzelt, gelyk oneindige
proeven , dewelke ik niet zal aanhaalen, zulks
beveftigen; het is wel waar,dat deze fyneLucht-
materie, op haar zelfs aangemerkt, í sdanige
verfchynzelen van vuuren licht nimmermeer
voortbrengt ‚ maar wryvende op een ftof,
dewelke zy door haar vloedtracht te verdun=
nen, te verbreeken, en in haar Crafis over
te brengen, worden wy na derzelver meer-
der of minder Refiftentie of inwikkeling dage-
lyks vuur of licht gewaar.
Het tweede Sahelie van onze dampkring-
achtige lucht, zyn de Waterdeelen, of allede
lymige en taaye ftoffen, dewelke uit onze
aard-kloot opryzen, en door de warmte wel
verdunt worden tot een onzichtbaare damp,
en opgeheven worden tot boven het opper=
vlak der wolken, maar die echter zo hart-
nekkig in haar verband zyn, dat zy nimmer-
meer uit haar Wezens-band overgaan totde
ZL 3 hoe-
258- _Natuur- en Konft-Kabinèt,
hoedanigheid van de onbegrypelyk fyne lucht:
materie, daar ik zo even te voren van ge-
fproken hebbe, ten minften voor zo veel als
aan my is bekent geworden.
5.
Ik wil hier wel openhartig bekennen , dat
ik het hart niet hebbe, om volftrektelyk te
bepaalen, waar in het Wezen van dit opge-
heven water beftaat, ook durt ik niet verze-
keren, dat dit loome en traage opgeheven
lichaam juift alleenlyk maar Water is; de
dampen ‚dewelke door de warmte van de Zon
uit het aardryk opgeheven worden, zyn niet
zo zuiver en enkeld, dat wy dezelve onder
de enkelvoudige betrekkelykheid van enkeld
zuiver gn nat water moogen (tellen. Het Aard-
ryk is\3danig vervult met vlugge zouten, en
uitvloeizels, en uitdampingen uit Kruiden,
Dieren , Mineralen, Gewaflen, Verrottingen,
en duizende van uitwaaflemingen, dat het
een volftrekte dwaasheid zoudezyn, ditalles
onder de gedaante van Water te willen bee
grypen. Dit alleenlyk zouden wy konnen
geloven, dat het Water het vloeibaare Wehi=
calum is, door welks behulp duizende van
zaaken onder de gedaante van een onzicht-
baare damp na boven worden gedragen, en
dat wel voornamentlyk om die reden, dat
wy de natte en met water bevochtigde zaas
ken zo ras zien droogen, ja zelfs in zo verg
dat by langdurige hitte het Aardtyk, van al
zyn waterontbloot zynde, byna verfmacht , en
tot op zyn navel als openfplyt van droogte , be-
halven het gedurig wederom nederftorten van
Ien -
Maart en April 1719. 359
de water-deelen onder de gedaante van regen
enz. dio6,
Als-wy nu begrypen , dat de vloed van die fy-
ne Lucht-materie dewelke zich in de damp-
kringachtige lucht bevint, altyd verzelt is met
water , het welketotbovenaan het oppervlak
van onze Dampkring is opgeheven, en onze
dampkringachtige lucht helpt uitmaaken , zou-
den wy daar uit geen ftof konnen vinden, die
bekwaam was, om in de Geweften des Damp-
kringachtigen Luuchts vuur of kicht te verwek-
ken, ten zy wy dwaaslyk maar een algemee=
ne Materie wilden vaft ftellen, dewelke van
water uit zyn wezensband overgaat tot al-
les, daar zommige Geleerde, die buiten de
ondervinding fpreeken, het zelfde maar toe
believen (tot voldoening van haar zoete
droomen) te ordineeren of te gebieden.
Je
Wat my belangt, ik ben noch zo verinde
Natuurkunde niet gevordert, en de Onder-
vinding heeft my ook noch niet geleert, dat
ik door dezelvezoudekonnen begrypen, dac
de zuivere Lucht of Lucht-xzaterse door wa-
ter aan brand kan vliegen, alzo weinig als
ik kan begrypen, dat water in vuur kan ver-
andert worden; dit is ook de reden, waar-
om ik altyd hebbe vaftgeftelt, dat het Recep=
taculam, ve weten de fyne lucht, dewelke
de uitdamping van onze aardkloot ontvangt,
en in zyn boezem tot een zekere hoeveelheid
draagt, en als het boven de maat is wederom
uitfchopt, en ons als wederom toewerpt, dat
dit. Receptaculum, zegge ik, andere zaaken
Z4 uit
360 Natuur =en Konft- Kabinet,
uit de aarde ontvangt, die geen avater zyn,
en dewelke ten minften,na dat wy van dezel=
ve ondervinden, veel bekwaamer zyn, om
vuur te vatten en licht te verwekken, als de
deelen des waters. 8.
Maar waar mag ik my dog mede ophou-
den, my dunkt, het is maar een enkelde tal-
mery, als ik veel bewys{tukken zoude willen
bybrengen , om tetoonen, dat in de dampkring-
achtige lucht noch een derde weezen gehuis-
velt word, behalven de twee, die ik gemelt
hebbe. Als wy onze aandacht laaten gaan
opde brandende Bergen , op geheele Eilanden,
dewelke van Zwavelmynen als aan malkan-
der hangen, op onderaardfche Kolken, de-
welke in de,Wettindien, en in Europain’t Ko=
ningryk van Napels door uitbranding veroor-
zaakt worden, vinden wy dan geen ftof ge-
noeg op den aardbodem, om in de lucht uit-
dampingen opteheffen, dewelke geen water
zyn, en die zeer bekwaam zyn om vuur te vat-
ten, en licht en brand te verwekken è
9.
Ik wil hier niet twiften, of de Mineralen en
Metaalen, en brandende en rookendebergen,
en heete wateren en bronnen gekookt worden,
en ontfteeken door een onderaardfch vuur, of
door de zonneftraalen, noch ook, of de vuur-
fteen overal een zwavel geeft en na boven zend;
het ismy genoeg , dat ik overal , daar Mineraal-
bergen, Steengroeven, Vuurfteen - aderen en
Yzer-ertzen in overvloed zyn,te gelyk ook ont-
dekke een kragtige uitdampingen rook, en een
uicftooking vanhet gebergte, daar iemant,de-
wel.
omen
Maart en April 1719. 361
welke aamborftig is, byna door de zwavel-
damp in zoude verftikken, gelyk veele droe=
vige voorbeelden zulks beveftigen,
10, N
Als ik deze zaak omftandiglyk wilde na-
gaan, zoude ík zoo veel bewyzen konnen by
brengen, dat myn Leezer als overftelpt zoude
worden door de menigte; maar wie zoude
durven twyfelen , dat uit dezen aardkloot een
gedurige brandende en drooge zwavelvloed
na boven word geftookt, dewelke, als dezel-
ve niet bygeleidt en vermengt wierd door an-
dere water -oftraagere deelen, in een geduri=
ge vlam en vuur zoude flaan? De zwavel
damp en reuk, dewelke de laage nederval.
lende donderflagen en blixemen nalaaten, het
gedurig flikkeren în de zomer van weer-
licht en vuurftraalen aan de lucht na lan-
gedroogte , en in zeer heete zomers, dunkt
my , dat zulks genoegzaam bewyzen.
II.
Wy moeten het Aardryk aanmerken als
een Diftilleer -kolf, daar de Zon door zyn
warmte eerft het water , en alle lichte en
vlugge deelen gedurig uit ophaalt, maar wan-
neer door het gedurig aanfteeken der Zonen
deszelfs hitte het aardryk droog en water-
loos is geworden , gaan de olyachtig(te en zwa-
velachtigfte deelen na boven, gelyk de hairí-
ge luchten in de langdurige zomer droog-
tens genoegzaam uitwyzen. Wanneer nu de-
ze zwavel- of oly-deelen zyn opgeheven ,en
in de Atmofphera hangen, zouden die al-
daar zo wel geen vuur konnen vatten en
Zs5s licht
362 Natuur-en Konft-Kabinect,
uitwerpen, als wy dagelyks zien, dat dezel«
ve hier ophet aardryk onderworpen zyn ê
2.
‚ Wanneer de zwaveldamp in de lucht op-
vliegt, en van geen genoegzaam water getem-
pert is, maar door een gedurige wryvende
beweging in een gedurige weerlicht en flik-
kering ftaat, of vuur uit den Hemel fmyt,
verwonderen wy ons geenzins over dezelve,
om dat wy zulks by zomerfche avonden, als
de nachtkoude opde warmte kan nederfchie-
ten, gedurig gewaar worden, en nu alreets
als gewoon zjn
13.
Maar wanneer in flappe winters en onge-
woone warmeen drooge wintermaanden, een
redelyke vloed van zwavel door de koude , de-
welke boven in de Azmospbera ontmoet
word, als by malkander geconceutreert word,
en dat de Circumferentie van zodanig een zwa-
vel-ot vuurvattende materie- wolkje als ge.
ftremt word, terwyl deszelfs inwendige dee-
len noch in haar {nelheid voortvaarende, door
ftremming van de oppervlakkige Circumfe-
rèntie gedwongen worden uit haar progreffi=
ve beweging over te gaan in een krings-gewy-
ze beweging, tot zo lang, dat zy malkande-
ren en haar zelven tot de uiterfte verbreeking
en uitbarfting van vuur of licht als aan ftuk
wryven, en daar door een ongewoon licht
aan den Hemel, meeft in de winterfche avon-
den of nachten, of inde Noordfche of andere
koude landen koomerrte vertoonen, zyn wy Op
elk verfchynzel meerder aandachtig om des-
zelfs
Maart en April 1719. 363
zelfs ongewoonheid, als op den blixem, het
weerlicht, het vallen van vuur uit de lucht,
of het zo genaamde verfchieten der Ster-
ren.
14:
Ik geloof, dat ilk myn Lezer reets veelte
lang metdeze giffende Natuurkunde en Dwe-
pery hebbe opgehouden, of dat ik miffchien
te veel reden heb gegeven van een zaak, de-
welke wy noch niet grondig genoeg weeten ,
alfchoon deze Lichten zeer gemeen zyn, en
dikwils in een meerder of minder graad van
licht, of werking, of duuring , of voort{chie-
tende beweging, of verfcheidenheid van ge-
daante of grootte gezien worden.
15.
De Schippers, Reizigers en Zeelieden ont-
moeten óp haare nacht-tochten veelderhan-
de foorten van Lichten, meerder of minder
van het aardryk verheven. Zo verhaalt onder
anderen de Heer Frezier in zyn Reisbefchry-
ving door de Zuidzee, dat hy in het omzei-
len van het uiterfte van Zuider Amerika bo-
ven de Kaap Hoorn of Straat van Le Maire, op
57} graad breedte een diergelyk licht-verfchyn-
zel ontmoette, anderhalf uur na middernacht,
met een betrokken lucht; het was, zegt hy,
een licht, het welk omtrent een half minuit
duurde, en enigzins warmte van zich gaf,
de meefte op het fchip wierden zo verfchrikt,
dat zy haare oogen flooten , hoewel zy ech-=
ter deszelfs kragtige verlichtinge (zelfs door
de oog-leeden als heen dringende) gewaar
wierden; die haare oogen hadden open gehou=
den,
364 Natuur-en Konft-Kabinet ,
den, verzekerden, dat zy een ronde bol van
een zeer heldere en blaauwachtige klaarheid
gezien hadden.
16.
Als deze lichten zich langwerpig en leg-
gende vertoonen, worden zy een BALK ge-
naamt, indien de Bafis breed is, en hettop-
punt {mal en fpitzertoeloopende, een Pyra-
MIDE. Indien zodanig een Licht-verfchynzel
rond is, gelyk dit Lucht-vertoog, het welke
de voortreffelyke Wiskonftenaar de Heer Hez=
ry Schaink io naauwkeurig heeft waargeno-
men, en aan ons mede gedeelt heeft, heeft
zulks by de Kenders dier zaaken de naam van
een SCHILD enz. Behalven noch alle de naa=
men van Dwaal-lichtjes, Wilde Lantaarens,
Ster-fchot, Caftor, Pollux, Helena, Draa-
ken enz. dewelke ik nu niet zal befchryven.
TWEEDE BRIE EF
Gefchreven tot antwoord aan den Hoog-edel. e-
boren Heer D. 1. BO THNIA VAN
BUR MANIA. pe
K hebbe met U HoogEd: Geb: aangenaame van den
ze Maart 1719. ontvangen bet uittrekzelmet de by=
lagen van het zesde Kapittel van bet werk , dat dour U
Hoog Ed: Geb: over de Voorwikking van bet WEER
gefchreven is , mitsgaders de Kaarten vanhet Weer in
groot Plano , voor dewelke ik U Huug Ed: herseljk be-
danke. Ik beb met veel vermaak en wandacht U Hoog Ed:
fraage onderftellingen van de Noordelykenen Zuidelyken
Vloed desLuchts,door de werkdaad des Zonsveroorzaakt,
en derzelver apparente flremmingen, en tuffchenpoo=
zige
Maart én April 171% 367
Zige belemmeringen overwogen „ en te gelyk veel plai.
fir ontvangen uit U Hoog Ed: Geb. naauwkeurige aan-
merkingen in 't point der Voortekens ‚ genomen uit de
zmyfelachtige dwarlingen des hoog- gezeten weer-baans ;
wit de roodverwigendageraad , bet fleeken der Zon, de
draaikolken der wolken ‚ de kraakende donders , de vloed
der Zee ffroomen , en een menigte diergelyke zeer
naauwkeurige en nuttige waarnemingen. Ik wit
wel bekennen (als het met uw permiflie is) Hoog-
edelgeboren Heer ‚ dat deze uwe onderneming een groot-
beiden te gelyk eene nuttigbeid in zich bebelft , dewelke de
aldergeleertfte door vrees zoude konnen affchrikken , en
door hoop in een brandende yver gedurig aanfpooren ,
om ket werkduor te zetten. Ik weet uit Uw Brief , dat U
HoogEd: Geb. baare gedachten aan de toetfleen van ver-
Jcheide Geleerde oordeelen heeft laaten beproeven, en
dat zommige der zelver zeer {crupuleus in het geven van
baare toeftemmingen zyn geweeft , maar dat de God-
vruchtige en Hooggeleerde Heer B,Nieuwentydt Zal.
Ged: een weinig na UHoog-Edelgeborenes Raifonnemen-
ten fcheen te luifteren, gelyk my ook gebleken is uit de
Brief , dewelke dezelve Heer B. Nieuwentydr op den s
May 1718. aan U HoogEd. Geb. over dat Subject
heeft gefchreven , en dewelke U HoogEd. Geb my deeere
gedaan heeft te communiceren. Op dit alles beb ik
niet anders konnen oordeelen , als dat U Hoog Ed. Geb:
meer aangenoopt alsafgeraden word , om zyn begonnen
Werkte vervolgen , en de verzameling der waarnemin-
gen nit duizende voortekens (van dewelke de naarflige
Mizaldus eer grovte menigte in zyn tyd by een verga-
dertheeft) meer en meer op te flapelen , bebalven dat ik
de vrymoedigheid zalgebruiken van te oordeelen, dat
U Hoog Ed.Geb. zich niet tot oneere zoude konnen re-
kenen, al wierd de zaak niet guift tot een votflrekt einde
gebragt, enal konde U HoogEd. geen vafle regels of
wetten bepaalen , door dewelke het Weer van dag tot
dag,
366 Natuur-en Konft-Kabinet.
dag , of zelfs van week tot week. voorgeditteert en
woorgewikt wierd. Het zal genoeg zjn, om voor U
Hoog Ed. Geb. toteen eeuwige roem te verftrekken ‚ wan-
neer vafteen zekere regels vanmaand.totmaand konden
gevonden worden, om de tot noch. toe onzekereloop der
Weers-faizoenen voor tewikken ‚ endoor. zekere tekenen
te weeten. Daar is tot noch. toe niemant geweeft , de=
avelke het roemruchtig omzeilen van de Kaap de Bon-
Efperance. door Vafco da Gamma minder heeft
geacht ‚ al badde hy juift in zyn leven wiet alles in't Oo=
flen ontdekt ; en ook niemant, Wie de ontdekking der nieu-
we wereld door de groote Kolumbus alseen kleine zaak
aanziet , al zyn in Amerika duizend Landen en zaa-
ken nade dood van dien grooten Admiraal door andere
ontdekt geworden. Ik beb eenige weinig woorden en zelfs
zeer kortelyk wegens U HoogEd. gedachten met een zeer
groot Sterrekundige gewiffelt, en dien Heer nwas van
gedachten , dat in de Voorwikkingen-der veranderinge of
flant van't Weer en der Saizoenen groot regard gege-
wen moet worden op de Afpeêten , Conjunêien,
Bewegingen enVlekken der grooteHemel-lichten en Plane-
ten ; behatven dat ik ook oordeele , dat wy omtrent de
oorzaaken van winden, flormen, kalmte , koude „rwarm-
te, vochtigheid , droogte enz. op duizend dingen bedacht
moeten zyn, die uit onzen aardbodem opwaaflemen ,
dewelke in de Atmofphera gebeuren ‚ dewelke door elke
byzondere wolk woorderaangebragt , deroelke voortkoo-
men van de Stantplaats of tuatie van onsLand op andere
Landen, Zeên, Bergen , laage Landen, Moeraffen ,
en ontelbaare dingen ‚ dewelké by U Hoog Ed. Geb. ineen
wolle maate bekent zyn , en in acht zullen genomen
worden , terwylik met het diepfte Relpe verblyveenz.
Amfterdam den 19 W. VV. RANOUW.
April 1719. M. D.
NN
Lie
Maarten Aprd 1719. _…
Tab: H.
ed
7
on
vna:
Me pee à
ian em
BRE der
den À
„Maart en April 1720.
Zeo:8. É É
Je Wrad Vivum del:
Een nieuw VERSCHYNZEL in de
Lucht, dat te Amfterdam zich op den
30 Maart 1719. ’s avonds ten half
negen uuren vertoont heeft,
KABINET
DER
NATUURLYKE
HISTORIEN,
WETENSCHAPPEN,
KONSTEN
4 EN
HANDWERKEN,
Voor de Maanden
MEY enJUNY 1719.
Verciert enopgeheldert met Kopere
Plaaten.
, Te AMSTERDAM,
Î By HENDRIK STRIK,
wBoekverkoper bezyden’t Stadhuys. 1719.
ie 4 ì zl
narenoxd
en Tad vaa zen ved
ie arr Aytdhatd tro wolmenee K
Rad WE
HagtAuoeuatd
hen
Mare Waku”
mötbmokti. vi 10 hj sn Mi sh Ra î
dent Ad
dr PMU Ges VM
eert A vaa Waaien zn ga Vak Á eh je:
n x
… 0, Ef
AREN
Nr id
v. | ws
MERAN ATM AAD ED :
Pe
mep
sind nie
NAT U U R.
uiter ee
KONST-K ABINET,
Voor de Maanden
M BOE ocht 4
17195.
Tweede Verhandeling van de ALG E-
MEENE Natuarlyke Hiftorifchry-
vers , dewelke in haare Werken te ge=
Jk van alle bekende Dieren, Bergftof=
fen, Gewaflen enz. hebben gefchreven.
r.
maygN het Kabinet der Natuurlyke
a CS Hiftorien, Wetenfchappen, Kon-
jSvften en Handwerken voor de
NS) Maanden Maart en April 1719.
WERO heb ik aangetoont (a) het On-
derfcheid tuflchen een Algemeen Natuurlyk
Hiftorifchryver, en een Byzonder Natuurlyk
Hiftorifchryver; en dewyl ik oordeele, dat
de Algemeene Natuurlyke Hiftorifchryver de
selhâ 2 voor-
(2) Ziet Natuur-en Konft-Kabinet van Maart en
April 1719. van pag. z8a. tot pag. 286,
370 …_ Natuur-en Konft-Kabinct,
voorrang uit de natuur van de zaak toe-
komt , heb ik in het zelfde „Kabinet ge-
handelt van zodanige Algemeene Natuurlyke
Hiftorifchryvers, dewelke in haare Werken
te gelyk van alle de bekende Dieren, Berg-
ftoffen, Gewaflen enz. hebben (a) gefchreven.
\ Za
Ik zal deze ordre vervolgen, ‘tot zo lang
ik aan zodanige Algemeene Natuurlyke Hi-
ftorifchryvers zal gekomen zyn , dewelke
wel in ’t algemeen, dog evenwel maar van
zaaken hebben gefchreven, die onder een Ko-
ningryk (der Dieren , Planten, of Minera-
len ) of Clafis of ordrealleenlyk behooren,
als by voorbeeld, alleenlyk van de Dieren,
het zy Water-of Luand-dieren, of Villchen,
of Vogelen, of Serpenten , of bloedeloze
Diertjes, of onzichtbaare Diertjes, of Mon-
fters, of Metalen’, of Gewaffen, Winden,
Lucht, Verhevelingen „ Sterren, Waters,
Oordens over de geheele Aardkloot als ver-
fpreit, en zonder in ’t byzonder aan eenig
Land, of Plaats of zaak bepaalt te zyn. Ook
moet de Liêzer zich niet voorftellen , dat het °
getal der algemeene Natuurlyke Hiftorifchry-
vers , deweike van alles gefchreven hebben,
zo groot is, als deze laatfte, Order de eer=
tte heb ik geftelt Cayus (b) Plinius Secundus,
en
(a) Ziet Natuur-en Konft-Kabinet van Maart en
April z7rg. van pag. 186. tot pag. 2C9.
(2) Ziet Natuur-en Konft- Kabinet van Januaryen
February 1719. van pag. 7. tot pag.84. Merkt ook aan,
dart ik Mofes wel voor de eerlte Naruurlyke Hiftori-
fchryver teboek gefteltheb , maar nierals een Schry-
ver, die merdar oogmerk alseen enkeld Naruur-be-
fchryver gefchreven heeft,
‚Mey en Funy 1719. 371
en UlyfJes Aldrovandus , maar in ‘deze: Ver-
handeling zal ik een derde Algemeene -Na-
tuurlyke Hiftorifchryver by de twee zoeven=
gemelde voegen, dewelke de andere in groote
Geleertheid , Taalkunde, en in getal van
Wetenfchappen voorby, en byna alleandere
Schryvers als: uit het gezicht vliegt, nament-
lIyk CONRADUS GESNERUS. 6
‚-Conradas Ee ee een Zwitzer, ge-
boren (a) tot Zurig, genoegzaam de voor-
naamfte Stad: van geheel Zwitzerland, in het
jaar na de Geboorte van Chriftus 1516. en
fchielyk op zyn Studeer-kamer tot Zurig
geftorven ,terwyl in die Stad de Peft fterk
grafleerde ‚in hetjaar 1565. inzyn4g. jaar,
E Î 4: 5 Î
-Conradas Gefneras is een Man geweeft van
een onnavolgbaare Vlyt, Geleertheid, Wys-
heid en Weteufchappen ; een-Man , die in de
kragt van zyn Lievenstyd , en (als:ik het
zeggen mag ) noch-jong geftorven is, en
dieechter» in‘alderhande taalen. ervaren en
volleert:was,, en gefchreven heeft, en een groot
getal Boeken over alderhande foort van Zaa-
ken , en dat meer iss zeer wel, ja zeer
fehrander jen. wyflelyk in ’- licht gegeven
Heet 1d 35, sOOY artnr REE
Behalven deinufehtnde Geleertheid , en
groote. kenuifle „dewelke ik in onze weer-
galozen Coxradus Gefnerus ontdekkemoo-
gen wy hem met Goxringius met recht de naam
Zolid io ev Kairo Paomor gee
(2) Ziet Melchior, Adami Vita Eruditorum.
372 Natuur-en Konft-Kabimt,
geven van de Wader , en zyne Boeken de
Provifie- kamer van de geheele Natuurlyke
Hiftorie. Deze Man is eigentlyk de Grond-
legger, dewelke de Natuurlyke zaaken in
haare natuurlyke ordre zodanig heeft weeten
te verdeelen, dat door de verdeelinge van
zyne Clafler, geflachten, foorten en onder-
foorten , de zaaken als half bekent gemaakt,
en elk door zyn kennelyke en onaffcheidely-
ke merkteeken by zyn gelyk gebragt zynde,
eer{t uit een put van onkunde, en uit een
veld van afdwaling in het helder licht geftelt
ente recht gebragt zyn. |
6
Niet tegenftaande wy van-de nooit volpree
zen Coxnradus Gefnerus reer veele Boeken
overig hebben , zyn wy zo ongelukkig ge-
weeft, dat zyn Oceaan van de Plantgewaf-
fen, daar hy langer alsdertig jaar onvermoeit
aan gearbeidt hadde, meell verloren en weg
geraakt is,niet tegenftaande hy dit heerlykeftuk
by uiterfte wille aan den beroemden Genees-
heer Cafparus Wolfius gemaakt en bevolen
hadde , dat die voor des zelfs uitgave zorg
dragen zoude.
Melchior Adamus Ege dat Gefverus LO
veel hert en zzclizatie voor de Plantgewas-
kunde hadde, dat hy op geen zaak van de
geheele Natuurlyke Hiftorie zich vlytiger heeft
uitgelegt, als op het onderzoeken en ontdek-
ken der Planten. Zelfs in de bloem van zy-
ne jeugd, en wanneer hy noch maar een
aankomend jongeling was, of liever een kind,
is
Mey en Jany 1719. 373
is hy als gewent aan die Studie, en on-
derwezendoorzynOom JOANNES FRrrc-
zt US, een uitmuntend Botanift van die
tyd.
Conradus Gefnerus was altyd in een bran-
denden yver, om de Natuurlyke Hiftorien
te verryken, en te verheerlyken met nieuwe
ontdekkingen ; hy wandelde en reisde ge=
durig van de eene plaats in Zwitzerland opde
andere , bezocht en doorzocht alle de Bergen
en Dalen van geheel Zwitzerland, hy dwaal-
de onvermoeit door de onmetelyke Bof-
fchen, en beklom de zeer hooge en ontoe-
gangkelyke Bergen vande Alpes ‚van Piemout,
Savoyen , Italien, en onderzocht met veel ge-
duld, yver, moeite en onkoften „alle de ver-
wonderenswaardige Geheimeniffen van de
Alpifche Gebergtens, plukte en vergaderde
aldaar de onbekentfte en merk waardig{te Plant-
gewaflen, bragt dezelve over ín zynen Tuin
tot Zurig , daar hy de zelve met veel kon(t
en zorg voortkweekte , en of tam maákte,
of de zelve in alle haare veranderingen be-
zag.
N 9.
Gefnerus begaf zich na Bazel, en aan de
Boorden van de Rhyn5 daar bewandelde hy
de vlakke Velden, en beklom de naaft gele-
ge Bergen, en befchouwde de Steenrotzen,
alles ter ontdekkinge der Plantgewaflen. Al-
le jaar in de zomer deed Gefzerus een reis,
als by voorbeeld : na Zzalien en Venetien,
daar hy de aanmerkenswaardige zaaken der
N Aag …__ Mid-
374 _ Natuur en Konft-Kabinet,
Middelandfche Zee befchouwde ; en de Vif-
fchen en Planten, dewelke Gefzerus op zo=
danig een tocht ontdekte , liet hy met veel _
zorg en naauwkeurigheid na het leven uitte-
kenen; hy-dede ook verfcheide reistochten
door geheel Vraukryk met het zelfde oog-
merk , en liet alles in Prent en uitteke-
ning brengen , wat hy nieuwlyks. ont-
dekte.
10.
Hy onderzocht niet alleenlyk de Planten,
dewelke reeds befchreven en nagelaten wa-
ren van de Oude, namentlyk Zheopbraftus,
Diofcorides , Plinius; of onder de Nieu-
we van zyn tyd, van Ruellius, Fuchfius,
Zragus ; maar die onnavolgbaare Onder-
zoeker en Befchouwer der groote Natuur,
de voortreffelyke Gefnerus, bevlytigde zich
kragtiglyk, ter ontdekkinge van nieuwe fchep-
zels, Plantgewaflen en Mineralen, of ande-
re zamenftremzels der Natuur. Hy verza-
melde veel Plantgewaflen, dewelke niemand
voor hem ontdekt of waargenomen hadde,
en bragt dezelve over in zyn eigen Tuinen,
bekalven dat hy veel proeven omtrent de-
zelve dede, om derzelver betrekkelyke Hoe-
danigheden , Kragten , Gebruiken en Vermo-
gens te ontdekken.
IL.
Het gerucht van de groote Geleertheid en
natuurlyke Hiftorikunde van onzen voortref-
felyken GESNERUS vloog als een blixem-
{traal door alle Landen en Koningryken, in
zo ver, dat de Beroemt{te Geleerden van Ex-
ropa
Nin
“Mey en Yuny 1719. 375
ropa om ftryd in een gemeenzaamé Brief-
wiffeling met Gefnerus trachtten te geraaken,
gelyk uit zyne Brieven, die wy van hem
overig hebben, gezieh kan worden. De eene
zond hemalderhande vreemde zaaden, andere
Planten, zommige wederom andere vreem-
de natuurlyke fchepzels, uit Ztalien , Vrank-
ryk, Engeland, Duitfchland, en van veele
andere Geweften. Door alle deze middelen
verzamelde CONRADUS GESNERUS O=
ver de vyfhondert nieuwe Plantgewaflen,
welker Befchryving van niemand voor hem
was medegedeelt, noch (zo alshet {cheen )
_ bekent geweeft, Hier uit maakte hy eén groot
‘werk van alle voor hem bekende, en van ande»
ren voor hem ontdekte, benevens zyne nieuw-
ontdekte Plantgewaflen , en dit had Gefzerus in
dertig jaarenzo ver gebragt, dat hy het zelfde
meende in het licht te brengen , maar ,o groot
ongeluk ! Hy wierd in dít voorntemenfchielyk
dooreen onverwachte dood belet. Het ver-
lies van dit Werk is noch te grooter ; dewyl
Gefnerus (het welk van niemant was waarge-
nomen) niet alleen de Planten hadde laa-
“ten uittekenen, maar ook de byzondere dee-
len der Planten, dewelke op vérfcheide ty-
den aan de zelve zich koomen te vertoo-
12. We
Onder alle de ontdekkingen , déwelke
Aa 5 . GES-
376 Natuur-en Konft-Kabinet,
GESNERUS van de natuurlyke Zaaken
heeft nagelaten , is niets van zodanig een
groot gebruik geweelt , als de ordre, de-
welke hy uitgevonden heeft, na de welkede
Plantgewaflen van eenderhande geflacht ver-
deelt en gefchikt konnen worden, en elke
Specie onder zyn Genus of Hoofd-geflacht of
Hoofdftam gebragt en geordent word. De
Konft om de Specter of foorten van een Ge-
flacht te kennen, ente weeten, dat cen Plant
beftendiglyk onder een zeker geflacht behoort,
daar de zelve een foort van is, heeft altyd
veel moejelykheid, veel twilt en verwerring
onder de Herbariflen veroorzaakt; om dit
nu weg te neemen, en alle de Herbariften in
“de Kenniffe en Verdeelingen der Gewafien on-
der malkander te bevredigen , en te doen
over een koomen, heeft Gouradus Gefnerus
een Methode gezocht en ook uitgevonden,door
dewelke zy alle geholpen, en de Plantkun-
pi ongelooflyk in weinig jaaren gevor-
ert is,
FJ
Op dat myn en de Voortreffelykheid
van deze zaak te beter en klaarder begrypen
zoude, zal ik eens vaft ftellen , dat hy eenige
kenniffe van de Kruid-kunde hebbende, met
my in een Bofch of vreemd Land gaat reizen
en dwaalen, ter opfporinge van nieuwe en
tot noch toe onbekende Plantgewaflen ; als
wy nu het geluk hebben, van Gewaflen te
ontmoeten, dewelke met alle Plantgewaflen,
die wy tot noch toekennen, in alle haar dee-
len verfcheelen, zyn zodanige Plantgewaflen
A vol-
Mey en JFuny 1719. 377
voltrekt voor ons onbekent. Als wy nu echter
dezelve naauwkeurig befchouwende en on-
derzoekende, eene benaaming geven, om door
behulp van die benaaming dezelve naderhand
te leeren. onthouden, en derzelver kennifte
aan-andere mede te deelen; en als wy nu deze
benaaming zodanig fchikken „dat de Gedaante
of „Structuur der deelen van zodanig een
Plantgewas geenzins door dezelve uitgedrukt
word, maar dat wy maareen naam als byge-
val verzinnen , en de Plant met-dezelve doo-
pen ‚ kan. zodanig een naam geenzins ver-
ftrekken tot het eind-oogmerk , daar wy de-
zelve toe hebben gefchikt, te weten op dat
ookandere door dezelve (deze Plantzoekende)
zouden leeren kennen. wate”
\ 14, ati
Dewyl deze zaak van de Aaloude Grieken,
als Hippacrates-, -Theopbraftus , Diofsorides,
Plinius „ Galenus „en. veel latere, tot op de
tyden van GESNERUS niet is waargeno-
„men „ is * niet mogelyk geweeft , „dat deze lie-
_„den-in de opftapeling en ontdekking der nieu-
„we Plantgewaflen veel hebben konnen -vor-
deren, want.in de plaats van aan de Plantge-
waflen naamen te geven, dewelke de Struc-
Zuar (a) en gedaante van haare deelen op een
kennelyke wys witdrukren , noemden zy de-
zelve dikwils na de „hoedanigheid en betrek-
kelyke kragten, die zy daar in vonden, of
zomtyds na eenige dingen ,-daar zy enigzins
naar geleeken ;-zomtyds nade eerfte Vinders,
LW f ï Ì n of
(a) Ziet Zournefort Inftitutiones Rei Herbarie,
378 Natuur-en Konft=Kabinet,
“of wel na haar eigen Vaderland of Grond,
-daar dezelve groeiden; zomtyds na haar by-
zondere reuk, (tank of geur ; zomtyds na het
getal van haare bladeren ; zomtyds na de
dieren, dewelke daar opaafden, zomtyds nâ
de koleur van derzelver bloemen; of na de
tyd van het jaar, in dewelke zodanig een
Plant gewoonlyk uitfpruit „ of bloeit of ver-
gaat; en hondert diergelyke verkeerde en on-
nutte Benaamingen. “En om voorbeelden te
geven: op deze wys is het Kruid Malva en
de Ariftolochia na haar kragten (de eene
week, fimedig en zacht maakende, en de an-
dere de kraamvrouwen te hulp koomende)
elk een naam gegeven: de Bagloffum en de
Iris of Trias, de eene na de -gelykheid van
een ofle-tong, en de andere na de overeen-
komft van koleur met de Regenboog. De
Arteinifia „de Gentiana, en de Lyfimachiana
haare eerfte- Vinders en Ontdekkers ;-de Stoer
chas na de Stoechadifcbe Eilanden; de Colcht-
cum en Carui na Golchos enGaria: de Myr-
rhis.en de Libanotis na'de reuk van de gom-
men Myrra en Wierook. … De Zrifoham,
Peataphyllon , Chiliopbyllon ‚en Myriopbyt-
lon, nahet getal der bladeren ; Chryfanthemum
na deszelfs bloemen. « Chryfvcomeen Patium
na de koleurender bol: de helidonium:; He-
liotropium „ Erigeron na de getyden des jaars:
de Elaphobofcum , MelifJopbyllou en Ranuaca-
las zyn genaamt-na de harten, honingbyen
en kikvorffen. Gelyk de Leezer zal konnen
aangetekent vinden by Zoarnefort, en wel
voor=
Meyen Juny 1719. 379
voornamentlyk by de vermaarde (a) Claudius,
Salmafius.
° Kor
Dewyl door zodanige naamen het onaf-
fcheidelyke kenteken van een Plant niet
word uitgedrukt, konnen wy door de naa-
men , dewelke de Oude aan de Gewaflen
gegeven hebben, niet weeten, welke Plant-
gewaflen zy eigentlyk daar mede hebben ge-
meent, te meer, wanneer zy verfcheide naa-
men aan een en dezelve Plant gaven; dog
zommige der Oude hebben enigzins een Be-
fchryving nagelaten vande Aard, Vaderland,
Kragten , en uitwendige Figuur van elke
Plant, of elke Plants deelen , deszelfs zaad,
bloemen, vruchten , houten enz. en hier door
hebben de latere Uitleggers van de Ouden
haar fchriften zomtyds eenig licht gekregen.
Het is wel waar, dat de Aaloude de Planten
hebben uitgetekent, en in Figuur verbeeldt,
maar behalven dat wy de oude figuren door
„de tyd zyn kwyt geraakt, hebben wy zulke
mon(treufe Copiex en flegte uitprentingen van
de onbedreve en luye Monniken en andere ge-
_ kregen, dat zomtyds hoofd noch ftaart aan de-
zelve in de Membranen te vinden is.
1ó,
De Aaloude waren ook van gevoelen,
dat de Plantkunde niet als door onderwys
van Meefters , en in de tegenwoordigheid
der Plantgewaffen konde achterhaalt worden;
‚dat de Naamen, de Hiftorifche Befchryving,
der noch
(a) Ziet Claudii. Salmafii Prolegom, in Libr, de
Homonym. Hyl, Iatric.
38o _Natuursen Konft-Kabinet,
noch de Prentverbeelding niet bekwaam ge=
noeg waren, om iemand een levendig denk»
beeld te geven, waar door hy zodanig een
gewas kondeleeren kennen, dewyleen en de=
zelve Plant, van de tyd van haar geboorte
tot aan haar volkomen Ondergang, veel te
veel veranderingen onderging, nademaal een
Plantgewas ten opzicht van zymzaad-uitfprui-
ting, bladeren, knoppen, zaadhuisjes , bloeis
zels, koleuren, vruchten, ftammen , tak-
ken, fchorzen, houten, wortels, kroonen,
byna dagelyks te veel kennelyke veranderin=
gen ondergaat, welker kenniffe niet als door
een waare bevinding en naarftige waarneming
te achterhaalen is, Niet tegenttaande dit alles
door de Prentverbeeldingen geenzins kan ver=
toont worden, zal echtef niemand ontken-
nen, dat de hedendaagze heerlyke Prentver-
beeldingen der Koopere Plaaten van groot
nut zyn, niet alleen tot ververfling en nader
kenniffe der Planten, maâar ook van alle an-
dere natuurlyke f{chepzels , voornamentlyk
wanneer benevens een Plant, dewelke in zyn
kragt ftaat te groeyen, eenige kentekens
door het een of het ander bygevoegt deffern,
deszelfs Vaderland en gewoonlyke grond
worden vertoont, en wanneer alle deszelfs
deelen , als wortels , fprüiten , knoppen,
bloemen, zaadhuisjes, zaad, vruchten, enz,
alle na ’t leven te gelyk worden verbeeldt ;
en wel voornamentlyk , als het onaf{chei-
delyke geflachts-kenteken uitdrukkelyk ver-
beeldt en uitgedrukt ftaat, gelyk de onver-
moeide GESNERUS voornemens is ge-
weeft,
Mey en Juny 1715. 39t
weeft, de Plantgewaskunde aan de geleerde
wereld mede te deelen,
ij.
In de plaats, dat Cofpärne Wolfins de groce
te Oceaan of Vergadering der Plantgewaf=
fen (door de uiterfte wille vân Gefmerns
hem aanbevolen) in het licht zoùude geven,
verkocht hy dezelve aan JOACHIMUS
CAMERARIUS, beroemt Geneeshieer det
Stad Neurenberg, en zeer uitmuútend Ken-
der der natuurlykeSchepzels. VandezeCa4-
merarius is veel gerucht geweeft , maar de
meefte van zyne Werken zyn în zyn Bá-
bliotheecg en na zyn dood verfmoott, en
met dezelve de heerlyke Hiftorie en Oceaan
der Planten van onzen uitmuntenden Cozra-
dus Gefherus.
18.
Cafparas Wolfins heeft echter de goetheid
gehad , eenige Brieven, dewelke Gefrerss aan
de geleettfte Mannen van zyn tyd gefchre=
ven hadde, by malkander te vergaderen, en
tot Zurig in den jaare 1577. #2 4t0 in het licht
tegeven. Door dezelve, als ook door eeni-
ge Brieven vân Gefnerus, dewelke door
Caspr. BAUHINUS uitgegeven zyn,blykt
Ons klaar, dat Gefrzergs, in de ontdekking
der Natuutlyké fchepzels, zich geheel anders
gedrâägen heeft, als zyne Voorzaaten en Tyd-
genooten , dewelke haar geheele levenstyd
meeft doorbragten, om de oude Schryvers o-
ver te zetten en uit té leggen; en alle haar
kenniffe , dewelke zy van de Natuürlyke
__Schepzels overal verkregen hadden, te toet-
zen
38z Natuur-en Konft-Kabinet,
zen aan de Befchryving der Ouden, waar
door zy in oneindige Difpuiten en Queftren
vervielen, elk om’ zeerft dryvende, dat zyn
Plant of natuurlyk fchepzel eigentlyk dezel-
_ ve was, dewelke deze of gene Oude onder
dezelve naam befchreef, daar zy dan dezelve
mede of zelfs doopten , of door overlevering,
en in de ander naaftvolgende Boeken der la-
tere Grieken, weinige Latynen, en veel
Arabieren mede genaamt ofte betekent von-
den,
19:
Maar onze weergalozen CONRADUS
GESNERUS floeg een geheel andere weg
in, doorvloog mert de uiterfie vlyd des We-
relds alle oude Griekfche, Latynfche, Ara-
bifche Boeken, en ook alle Boeken in ande-
re taalen, en alle Werken van zyne Voorzaa-
ten en Tydgenooten; dog merkte dezelve
geenzins aan, dat de Kenniffe der geheele na-
tuurlyke Hiftorie in dezelve bevat wierd,
veel min, door dezelve bepaalt wierd. Gef=
ner verkoor zich zelven een ander overheer-
Iyk en ryk Boek, vol Geleertheid en Wys-
heid, en in het welke meer te leeren, meer
op te merken, meer waar te neemen en te
lezen was, als in alle de Boeken van allede
Schryvers van alle Nater en van alle eeu-
wen, en dit overtreffelyk Boek was de Na-
tuur zelfs, met alles wat daar in van Godt
gefchapen is.
207
Op dat nu de ontdekkingen van onbeken-
de Plantgewaflen , of andere onbekende
_Na-
Mey en Funy 1719. 383
Natuurlyke zaaken voor de Nakomelingen
van vrucht zouden zyn, was onze Corradus
Gefnerus bedacht op zodanig een manier van
gellachts-v&rdeeling , dat een iegelyk Nakome-
ling aan zekere onveranderlyke en onfeilbaa-
re Geflachts-kentekens altyd zoude konfien
weeten, onder wat geflacht elke nieuwe fpecie
van eenPlant,dewelke hy mogt koomen te ont-
dekken , behoorde-en geltelt moefte worden.
21.
Om nu zodanig een geflachts-verdeelinge
te vinden, vergaderde onze groote Man
alle Planten , dewelke in een zeker (2) on=
affcheidelyk geflachts-merkteken met malkan-
der overeen kwamen , by malkander ‚als in een
afgefchaart Bataillon of Regiment,en dede zulks
met alle de by hem bekende Plantgewaflen ,
krygende zo veel verfcheide afgedeelde Re-
gimenten of Geflachten, met alle haare on-
derhorige fpecien, als hy onder alle de Plan-
ten verfcheide geflachts-rmerktekens ontdek-
te; want door het woord van Geflacht,
moet in deze GESNERIAANSCHE PLANT-
GEWASKUNDE niet anders verltaan worden,
als een vergadering van Plantgewaflen, de-
welke, hoe verfcheide zy in andere van haar
ftellige deelen ook mogten van malkander
zyn, echter in een zeker merkteken „dat wel
_beft haar aard,natuur en overeenkomft uitdrukt,
alle met malkander overeen komen, en dat wel
_ in zodanig een merkteken, *t welk van allede
_ andere Planten en Plantgeflachten verfcheelt,
even gelyk een Regiment Soldaaten „het welk
ks, B door
# (a); Nota Generica Charaderiftica,
384 Natuur-en Konft-Kabinet,
door de Monteering of Kleding, dewelke
het onderfcheiden van alle de andere Regi-
menten draagt, niet alleen daar;:door onder-
fcheidentlyk bekent is, maar ook elke Sol-
daat, hoe zeer hy anders van wezen, gedaan-
te of poltuur van alle de andere foldaaten
van zyn Regiment mogt koomen te ver
fcheelen, alleen door deze monteering ge=
kent word, tot zodanig een. gemonteert Ae-
Ziment te behooren.
22.
De opmerkende Lezer kan nu wel begry-
pen, dat deze Methode veel beter is, als die
der aaloude Plantgewas-{chryvers, dewelke
de Plantgewaflen in geflachten fchaarden en
afdeelden, niet door tekens , dewelke onaf=
fcheidentlyk aan de gedaanten of Struuur
der Planten waren , maar door afgelege
tekens; als by voorbeeld: Planten van een=
derley medicinale of andere kragten fchikten
zy tot een geflacht ; of Planten, dewelke op
eenderley grond of plaats groeiden, fchikten
zy tot een byzonder geflacht; of Planten,
dewelke in een en de zelve tyd van ’% jaar of
opkwamen of bloeiden, of vrucht droegen,
fchikten zy tot een byzonder geflacht ; en an-
dere diergelyke afgelege en _onbeftendige
Merktekens, dewelke de gedaante des Plant-
gewas niet raakten.
23
. Conradus Gefnerus eden dat het ge=
flachts-merkteken niet alleen moeft geftelt
worden in de Structuur of gedaante der Plant,
maar. dat naawwkeurig acht gegeven moeft
word
… Mey ven Juny-1719. 385
worden, welk deel van een Plantgewas het
bekwaamfte was, om dit geflachts-merkte-
ken in tevinden ; by voorbeeld : of de Bloem,
of de Vrucht, of het Zaad, of de Stam , of Steel,
__of Rank ,of de Bladeren „of de Wortel ‚ enz.
want hy oordeelde, dat het deel ‚daar de natuur
en verwantfchap des plants met andere ge-
Iyke Planten van dezelve natuur meeft in ge=
legen. was, en meeft in doorftak, ook het
bekwaamf{te deel was, om dit onaffcheidelyk
geflachts-merkteken in opte fpooren, en vaft
te tellen. De vermaarde Plantgewaskender
‚ (4) Josernus PirronN TouRNe-
_ FORT bewyft uiteen Brief, door Gefnerus
gefchreven aan de vermaarde ZuiNGERv S,
dat GESNER us wel voornamentlyk dit
geflachts-kenteken (telde in des Plants bloem,
en in des Plants vrucht, maar (4) Gefnerus
voegt in deze Brief des Plants wortel daar
by, en zegt, dat hy gewoon is uit een van
deze drie, of twee, of wel uit alle drie des
Plants natuur en geflachts-kenteiken te leeren,
veel beter, zegt. hy, als uit de bladeren (of
des plants andere deelen ) dezelve te kennen
zyn.
‚By deze WEE foortvan deeler des
Plants , te weten de Bloem , de Vrucht ende
ol rtel , voegt ConNrApus GESNERUS
noch een vierde, namentlyk het Zaad, niet
kl alleen in de zelfde Brief, maar ook ( gelyke
4 - Bb 2 _ Zour-
(4) Ziet Inflitutiones Rei Herbaria.
(6) Ziet ‘Gefneri Epifbol. pag. xx3. Edit. Tigur.
ap. Frofchov. 1577.
336 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Tournefort wel aangemerkt heeft) in een
Brief aan de geleerde (a) Aporr Occo,
daar hy bekent, dat hy uit het záad, en te
gelyk uit deszelfs (hraak , overeenkomttig met
de fmaak van meeft alle des Plants andere dee-
len, het geflachts-merkteken van,des Plants
natuur en verwantfchap met zyn fpecien mede-
gewoon is te noemen en op te fpooren.
25.
Het is wel waar, dat Fabius Columna, een
Italiaan, eenige jaaren nade dood van onzen
Gefneras mede van de zelfde gedachten (4)
was, in het vaft (tellen van de geflachts-ken-
teikens uit de bloem en het zaadhuisje , maar
behalven dat deze Schryver eerft in het jaar
1592. dat is 27 jaar na de dood van Corra=
dus Gefneras, in het licht kwam, heeft hy
ook weinig dog zeer keurlyk gefchreven, en
van de zaak zelfs geenzins het rechte gebruik
gemaakt „ zo dat aan niemand die eere, van
de Kennelykfte Geflachts-Charatters gevon-
den te hebben, toekomt, als aan onzen lof-
waardigen Conradas Gefnerus.
26.
Dewy! de Boeken over de Kruidkunde en
Plantgewaffen van Conradus Gefnerus in de
Bibliotheecg van Camerarius verfimoort, en
geenzins in ’ licht gebragt wierden, bleef
ook de heerlyke en nieuwe Methode, om de
Planten in haare onderfcheidentlyke geflach-
ten te verdeelen, zeer lang verborgen, tot dat
ein=
a) Ziet Epift. Conradi Gefneri Lib. 2. pag. 65.
5 Ziet heh De Rei El ete
Fab. Columna Stirpes Rariores.
Mey en Juny 1719. 387
eindelyk RosertTus MorisÒN, een
Schotsman en vermaart Kruidkender, eerft
in het jaar 1669, dat is hondert en vier jaa-
ten na de dood van Gefnerus „het werk by de
hand vatte, en zyn Preludium Botanicum uit=
gaf, gedrukt tot Londen 1669. het welk
kort daar na van verfcheide heerlyke werken
gevolgt wierd, in de welke de Methode van
de Planten na de overeenkomft der Bloemen,
Zaadhuisjes, Bollen enz. in geflachten te
verdeelen, volgens het voorfchrift van Gef=
nerus, in een vollen dag geftelt wierde. Op
welk een wyze deze nieuwe Methode van de
geflachts-verdeeling der Planten , uit onatfchei-
dentlyke geflachts-kenteikens, genomen van
de Fabryk derzelver deelen, naderhand van
veele andere, als JOHANNES RaAyus
Engelsman, JOSEPHUS PirroN Tour-
NEFORT Fransman, en noch onlangs van
Jurius PONTEDEKRA Îtaliaan, en ver-
fcheide andere braave Mannen noch is ver-
betert en verandert , zal ik op zyn tyd mede
deelen , dewyl zulks hier de plaats niet is.
27+
_ Behalven de ontelbaare Boeken, dewelke
Gefnerus over de Griekfche en andere taalen,
(behalven het in *tlicht geven van zyn weerga-
loze Biblietheeeg van alle voortreffelyke ge-
‚ leerde Mannen en Schryvers ) van het begin
tot op zynen tyd, mitsgaders veele Boeken
over de Geneeskonft, heeft Gefnerus zo
ongeloofiyk veel Werken en Werkjes in
de natuurlyke Hiftorie , en over de na-
tuurlyke Schepzels , in het licht ge=
Bb 3 bragt,
388 _ Natuur-en Konff-Kabinet,
bragt, dat een iegelyk als verftomt en voor’t
hoofd geflagen moet (taan, die zulks naauw-
keurig weet,
28.
In het jaar vsór. hadde Gefzerus de over=
treffelyke werken van de vermaarde Valerius
Cordus by een vergadert, en dezelve in de
volgende goede ordre gefchikt. 1. Deszelfs
aanmerkingen over de Griekfche Diofcorides,
2. Vier Boeken van Valerius Cordus overde
Plantgewaflen. 3. Een fchoone Verhandes
ling over de aanmerkelykfte uitgegrave Stof-
fen, Metalen, Mineralen, Steenbreeken of
Groeven enz. van Duitfchland. 4. Een Boek
over:de zeer konftige Uittrekzels. En s, de
vermaartfte Medicinale Mengzels door Wale-
rius Gordus. Hier zyn noch meer andere
zaaken, de Natuurlyke Hiftorie betreffende ,
bygevoegt, maar van Corradus Gefnerus zelfs
een: Boek, handelende over de Tuinen van
Duitfchland.
29.
In dit treffelyke Boek over de Tuinen van
Duitfchland, toont Gefnerus onder andere,
welke Planten ouwelings by de oudere Duit-
fchen bekent, en in de Planthoven van
Duitfchland gecultiveert wierden , en ook
uit haar zelve zonder Cultuur in de Duitfche
Lucht voortkoomen en duuren konnen. Gef-
veras handelt eigentlyk in dit Boek van de
Planten, dewelke in de gemeene Tuinen,
en in de Tuinen der Liefhebbers gezaait of
geplant worden. 1. De zogenaamde Tuin-
planten zelfs, 2, De vreemde Planten, de-
welke
Mey en Funy 1719. 389
welke uit verre en afgelege Landen om haar
raarheid in de Tuinen worden onderhouden
en opgekweekt. En 3. van de wilde Plant-
gewallen , dewelke in de Tuinen konnen
voortgekweekt worden, en van die gene,
dewelke zulks niet konnen verdragen, maar
het getal is zo menigvuldig , dat hy alles
niet afhandelt. Zoen ik noch een jongeling
was, (zegt GESNERUS) oordeelde ik , dat
sk kennifJe van alle de Gewaflen hadde, de-
welke in de wereld bekent waren; maar naik
‚ een oud Man begin te worden, en van myn
jongelingfchap tot nu toe veele Landen hebbe
doorgekruift, in alderhande Tuinen ‚zo van my-
ze Bekenden, als in myn eigen, een ontelbaar
getal Plantgewaflen heb leeren kennen, nuik
doorlezen hebbe alderhande Boeken in alder=
ley Taalen, als in °t Griekfch, Latyn,
Franch, Hoogduitfch, Engelsch, Spaanfch enz.
zie ik klaar, dat het getal der Plantgewaffen,
dewelke ik weet, zeer klein en gering is, by
bet getal der Planten, dewelke ik noch niet
kenne,
30.
Gefnerus getuigt, dat behalven veele klein-
dere hy twee groote oogmerken heeft gehad,
om dewelke hy dit Boek gefchreven heeft.
1. Opdat het zelve zoude dienen als een
voorlooper van het overgroote Werk , dat
hy over de Plantgewafleù onder handen had-
de, en dat-wy (o ongeluk!) verloren heb=
ben. En 2. opdat hy de Liefhebbers onder
de andere Natien zoude aanfpooren, insge-
hyks een hiftorifche rn in het licht
te
b4
390 Natuur-en Konft-Kabinet ,
te geven van de vermaartfte Tuinen van haar
Vaderland, op dat dus het Werk , dat hy op
het getrouw gezet hadde, zoude afgeweven en
voltooit worden.
L.
Op dat nu de len niet zoude oordeelen
dat een Befchryving van de Tuinen , en oee
fening der Plantgewaflen in dezelve nieuw is,
bewylt Conradus Gefnerus, dat zulks al lang
voor hem by de oude Grieken en Romeinen
isverricht , of ten minften ondernomen: dat
de uitmuntende Griekfche THEOPHRAS-
Tus ( Difcipel en Opvolger van ARIST O-
TFELES) in zyne Boeken over de Plantge-
waflen al zeer veel heeft verhandelt van de
oefening der Tuinen, en der Plantgewaflen
in dezelve: dat PriNrus op veel plaatzen
zo uit THEOPHRASTUS als uit andere
veel over die ftof heeft aangetekent: dat de
oude Schryvers, dewelke gefchreven hebben
over de Laudbouwkunde, namentlyk Co
LUMELLA, PALLADIUS, VARRO,
Caro, en andere, die veel van de oefenin=
ge der Planten in de Tuinen hebben nagela-
ten: dat onder de Nieuwe Schryvers Petrus
Crefcentienfis veel zaaken heeft mede gedeelt,
dewelke de oefening en voortkweeking der
Planten, Boomen en Tuingewaflen betref-
fen. Het boek van Ariftoteles over de Plan-
ten (daar Scaliger Noten over gemaakt heeft)
is al te zeer bedorven na zyn oordeel, om
onder deze rang geftelt te worden, niet te-
genttaande daar ook noch al iets van die ftoffen
in gevonden word, voornamentlyk van eeni-
ge
« __ Mey en Juny 1719. OT
ge echte werken van Ariftoteles zelve. Het
boekje, dat bekent is onder de naam van het
Boere (a) Landhuis , door CGARorUS
STEPHANUS, of op deszelfs naam in ’t
licht gebragt, pryft GESNERUS kragtig ;
de deelen van dit Boekje zyn tien. 1. De
Tuin. 2. De Boom-entery of kweekery. 3.
De Wyngaard. 4. De Bouw-akker. 5, De
Melk en Vetweidery of de Beemd. 6. De
Vyver of ’t Poelmeertje. 7. De Rietbroek. -
8. Het groot Hout of het Bofch. g. Het
Kreupelbofch. ro. De Heuvel. GESNE-
Rus melt ook: met zeer veel lof van Bar-
tholomeus Maranta , en het geen de zelve ge-
fchreven heeft over de oefening en voort-
kwekery der Planten 5 mitsgaders het Boek
van Petrus Bellonius over de oefening der
Bofch-en Woud-boomen;als ook van Hierony.
mus Cardanus, voor zo ver dezelve hier en
daar van de voortkweeking der Gewaflen ee=
nige fraaye zaaken aangetekent heeft, Ik zal
hier nu niet byvoegen eenige, dewelke Gef=
nerus heeft overgeflagen,noch geenfins een zeer
groot getal uit alderhande Natter , diein ver-
fcheide taalen over de oefening en Cultuur
der Tuinen en der Plantgewatlen, en der-
zelver geheele Voortkwekery gefchreven heb-
ben. zr. Omdat het getal voor myn tegen=
woordig beftek te grootis. 2. Omdatik van
die ftof (als ik leef) byzonder hoopete fpreeken.
2.
Gefnerus Biden Tuinen in verfcheide
foorten. 1. Gemeene Tuinen, dewelke tot
Bb 5 voed. -
(a) Predium Ruflicum,
Zo2 Natuur-en Konff-Kabinet,
voedzel en dienft worden gebruikt, als moes=
tuinen voor moes en Keukenvruchten en peul-
vruchten, of kool- en worteltuinen, en daar
te gelyk boom-vruchten, wyngaarden , en al-
derhande ftekvruchten om te eeten worden
in geplant. 2. Medicinale Tuinen van Ge-
neesheeren, Apothekers, in dewelke nietal-
leen alle T'uinvruchten en Planten gevonden
worden , maar ook alderley Plantgewaflen
uit de boffchen, wilderniffen, en overal uit
vreemde landen opgezocht, dewelke in de
Geneeskonft gebruikt worden. 3. Tuinen,
daar alle de voorgaande zaaken in gevonden
worden , en boven dien noch alderhande
Exotica ,en uitlandfche Rariteiten , en vreem-
de Plantgewaffen, voor verkwikking van ’%
gezicht, en tot voldoening der verwonde-
ring, van Oranjes, Citroenen, Laurieren ,
Mirtus , Aloes, Fucaas, en honderderley an-
dere foorten; en daar gevonden worden al-
derhande Trekkaflen, Broeykaflen, Stoof-
ovens, Oranjehuizen enz. 4. Tuinen, daar
niets in gevonden word tot dienft der keuken _
of fípys, of genezing der ziekten , dog die
alleenlyk maar tot Cieraad vertrekken, daar
de fchoonheid en verciering alleenlyk maar
meer of minder uitmunt, gelyk als die der
ryke Matronen en magtige Perzonagien, en
van zommige ryke Kloofters , overal voorzien
met fchoone Wandelplaatzen, geeftige Bloem-
perken, Fonteinwerken , Watervallen, Kom-
men, ronde Vyvers, Beekjes, Wellingen,
Grotten , Beelden , en alderhande geeftige
Waterwerken, Doolhoven, hoog opgefcho-
re
Mey en Juny 1719. 393
te Haagen van alderhande gedaante, en
boomwerk , doolhoven , opgeworpe heu-
vels verbeeldende de Zangberg, de Olym-
pus, enz. konftige groene Prieelen , groote
Triomfboogen , Poorten en Efpillees van
latwerk.
Alle de Tuinen, aevelte op dien tyd by
Conradus Gefnerus door geheel Duitíchland
bekent waren , worden vervolgens in dit
Boek opgenoemt, en beknoptelyk befchre-
ven, met alle deszelfs aanmerkenswaardige
veranderingen, alles in die order, dat hy de
voornaame Tuinen van Landfchap tot Land-
fchap , en Stad voor Stad zeer aangenaam
mededeelt.
4,
Behalven alle dee Tuinen van Duitfch-
land, noemt Gefzeruas ook eenige Tuinen
van Vrankryk en Italien, by welkegelegent-
heid hy ook fpreekt van de Tuinen vermaart
_ by de aaloude Volkeren, gelyk de Hefperi-
des, de Tuinen van Adonis, van Alcinous,
van Epicurus, van de hoogverheve Tuinen
der oude Stad Babel, vande beide Paradyfen
in Syrien, in dewelke alleenlyk maar de
waarachtige en oprechte Balzem-boomtjes
geeultiveert wierden; van het gomachtige en
bewierookt en welruikend Arabien, van de
Tuin van Zheopbraftus van Athenen, van
de Tuin van Axt. Caftor tot Romen, dewel-
ke zeer geroemt was ten tyde van den ou-
den Plizius enz. Hy handelt ook van de
outheid der Tuinen en Plantagien, van der-
zelver
394 Natuur-en Konff-Kabinet,
zelver Lof, Nuten Gebruik, by welke Vol-
keren en Natien der Aalouden de oefening
der Tuinen veel eerder of boven andere Na-
zien in het gebruik is geweeft, en door
malke oude Natien zulks meerder is verwaar-
ooft.
E
Na dit alles geeft Ed generale Regels, tot
de oefening en oprechting der Tuinen, voor,
in en na de inplanting en inzaaying der Ge-
waflen, Hy {preekt van de verfcheide gron=-
den, heuvelen, klippige, fteenachtige, zan-
dige, moerasachtige of natte, laage en hooge
gronden, en derzelver verfcheide bereidingen;
van de verfcheide plaatzen in een Tuin voor
de verfcheide Plantgewaflen ; van de fchadu-
we, de Zomerhof ; vande Heiningen, Stek-
ken, Mantels , opene en beflote luchten;
van de verfcheide Stof voor de paden; van
de vaten, bakken, en ontelbaare zaaken en
gerecdfchappen en waarnemingen.
Hy fpreekt van ht onderscheid der zaaden,
van de verfcheide inentingen, de manier van
potingen, en de verfcheide bereidingen van
de poot- en plant- en zaay-aarde , gefchikt
na de Eigenfchappen en Natuur van elk by=
zonder gewas. Hy handelt zeer naauwkeu-
rig vande bedauwing , waterleidingen „en be-
“gieting der Tuinen; hy fpreekt van verfchei-
de befprengingen tegens de wurmen, vlie-
gen, verrotting, en het ongediert, daar de
Plantgewaflen mede gekwelt worden. Hy
befluit eindelyk zyn Boek over de Tuinen
van
Mey-en Juny 1719. 3of
van Duitfchland met een geheele Bibliotheecg
van Plantgewaflen, alle geftelt volgens de
ordre van het A. B. C. Byde befchryving
van elke Plant ( die zeer veel in getal zyn)
heeft hy zeer ongewoone en nuttige aanmer
kingen, dewelke by andere Kruidbefchryvers
niet gevonden worden, en dewelke alle op
eigen ondervinding{teunen. Achterhet werk
zyn gevoegt eenige Aanhangzels en Regilters
van de Plantgewaflen zommiger Tuinen van
ltalien, Wirtenberg ent. mitsgaders Brieven
gefchreven aan de Beroemde Kruidkender
Francifcus Galceolarins, een bekent Liethebber
yan die tyd.
a
Het is niet wel Behe dat iemand ín
een Faculteit, in een Wetenfchap of Konft
volkomen onderricht kan zyn , aan dewel-
ke noch onbekent is de waarachtige Hifto-
rie, Outheid, en verfcheide Gefteltheid, daar
zodanig een Faculteit, Wetenfchap.of Konft
van het begin tot aan zyn leeftyd in geweeft
is. Ik oordeele , dat het noodzakelyk is,
dat aan iernand niet alleen het begin, den
aanwas, taat, en verfcheide op- en onder-
gangen vande Wetenfchap , Konft, enz.
daar hy een Beminnaar of Kender van
tracht te zyn, klaar en onderfcheidentlyk be-
kent moeten zyn , maar hy moet behalven
dit ook doorloopen hebben alle de Schry-
vers, dewelke van Eeuw tot Eeuw voor
hem van zodanig een Faculteit, Wetenfchap
of Konft, tot deszelfs aldergeringfte deelen
suclais gefchreven hebben. Hoe zal iemand
an-
396 Natuur-en Konft-Kabinet ,
anders konnen weeten, tot welk een trap
van grootheid of volmaaktheid zodanig een
Faculteit, Wetenfchap of Konft gebragt is,
of wat noch aan dezelveontbreekt, zo lang
hy niet alles onderzocht heeft, wat over:
dezelve van zyne Voorzaaten is verhandelt,
en van andere is uitgevonden? De nalatig-
heid van dit noodzakelyk en nuttig onder-
zoek is duizendmaal de oorzaak geweeft ,dat
jonge Profefloren, Dooren, of andere jon-
gelingen, en zomtyds wel Bejaarde, Boe-
ken over eenige zaaken haarer Weten-
fchap of Konft in ’ licht hebben gegeven,
dewelke zy door gebrek van Leéinar en ken-
nifle zich hebben ingebeeldt, dat noch aan
haar. Wetenfchap of Konf(t ontbraken, daar
ondertuffchen dikwils Eeuwen voor haar leef-
tyd veel heerlyker, veel uitvoeriger, en
naauwkeuriger over die zelfde zaaken alreets
van andere gefchreven is geweeft.… Het is
geen zaak van kiein belang ,de rechte De-
SIDERATA, of zaaken dewelke noch ont-
breeken aan een Wetenfchap of Konft, te
zien. De blindheid en verwaarloozing, van
xt geen ik hier zeggen „wil, heeft duizende
onnutte Boeken in de wereld gebragt, en
doet zulks noch dagelyks; maar opdat on-
zen Cozradas- Gefnerus. aan de wereld zoude
doen zien, dat hy in de Plantkunde in de
hoogfte graad ervaren en te gelyk geleert was,
gaf hy in het jaar 1552. een Boek uit, inhet
welke hy zeer beknoptelyk handelde van alle
de Schryvers der Plantgewaflen , dewelke van
het begin dezer Weteníchap tot op-zyn EE
b,
Mey en Funy 1719: 397
by alle zo vroegere als latere Natien in al
derhande taalen over de Kruiden of Plantge-
waffen gefchreven hadden. Dit geleerde en
zeer doorwrocht werk dede hy met de Be-
fchryving der Planten van Hieronimus Tragus,
daar het voor gedrukt ftaat, te gelyk in het
licht koomen. 6
3 8
In dit werk handelt onzen Gefrerus. 1.
Van de Griekfche Botaniften en Schryvers der
Plantgewaflen. 2. Van de aaloude Romein-
Jfche of Latynfche Kruidkundige Schryvers.
3. Van de Arabieren, dewelke in de Plant-
gewaskunde hebben uitgeblonken. En 4. van
alle de nieuwe, dewelke het zy-in ’t latyn of
in eenige andere taalen Boeken in ’t geheel
of ten deele over de Gewatlen hebben in het
licht gebragt.
adt
CoNRADUS GESNERUS, fprekende
van het onderfcheid der Plantbefchryvers,
zegt: zommige Kruid-befchryvers hebben al-
leenlyk maar Grammaticè of taalkundiglyk
over de Planten gefchreven, gelyk by voor-
beeld alle, dewelke de Planten Catalogus- of
Regifters-gewys en volgens de ordre van het
A. B. aangeteikent hebben. Andere wedere
om Hiftorifch-gewys, gelyk Ortbafius, Diof=
corides en andere, alleenlyk maar uitdruk-
kende de naauwkeurige Befchryving van de
Gewaflen, haar geboorte , voortkweeking , le=
venstyden ondergang,haar verfcheide deelen,en
derzelver figuur en verfcheide gedaanten enz.
zomtyds wel overflaandederzelver sssdar
: e
398 Natuur-en Kònft-Kabinet,
le kragten, of andere gebruiken of hoedanig-
heden, haar verfcheide geflachten en geflachts
foorten , na haare byzondere Claffes of ander-
zins. Zommige Plantbefchryvers hebben al«
leenlyk maar Gezeeskundiglyk van de Plant-
gewaflen gefchreven, als by voorbeeld GA-
LENUS, en (dewelke hem daar in gevolgt
zyn) rrius en EGINETA, enandere,
dewelke alleenlyk maar gefchreven hebben
van de medicinale kragten en faculteiten det
Kruiden of Gewaflen. Zommige Plantge-
was-befchryvers hebben Phyficè of natuure
kundiglyk ‚datis, tot uitlegginge van derzelver
oorzaaken,zo wel van haar geboorte, haar zyn ,
haar beftaan, als alle veranderingen en ver-
fchynzels, en inwendige gefteltheid van ftof=
felykheid, voeding, groeying, vezelen , vaat-
jesenz. over de Gewaflen gefchreven. Zom=
mige Schryvers hebben Ru/ticè of landbouw-
kundiglyk over de Gewallen gefchreven, han=
delende vandergelver zaaying , voortplanting,
grondbereiding, en verfcheide oefening. An-
dere hebben van de optooyingen der Planten
gefchreven, het maaken van bloemkranfen,
Cieraaden tot Altaaren, Tempels, Afgoden,
Offerhanden, Feeften enz. en van de Krui-
den, Planten, het lof en de bloemen, de-
welke daar de bekwaamfte toe waren, en de
meefte pracht byzetten, en de manier om de-
zelve voortte kweeken. Zommige Schryvers
hebben Verfkundiglyk van de Gewaflen ge-
fchreven, dat is, welke zappen, gommen,
bloemen, wortels, fchorzen , vruchten enz,
dienftig zyn tot de verweryenen koleuren voor
de
— Mey en Funy vig. 309
de Schilders , benevens derzelver bereidingen en
voefeningenenz. Zommige hebben gefchreven
van de Planten en Gewatlen, dewelke dien-
ftig zyn tot inlegging, inzulting en keuken-
fpyzen. Andere wederom hebben Sterrekun-
dig, en Magicè of toverkundigvan de Plan-
ten gefchreven, als Orpheus en Democritus,
dewelke daar over van Plinius dikwils voor
den boer gehouden worden. Zommige Schry-
vers hebben van de bovengemelde verfcheide
manieren twee à drie dik wils by malkanderen
gevoegt ; andere wederom eene manier alleen-
Iyk.
40.
Zeer weinige zyn van de oude Griekfche,
Latynfcheen andere Schryvers, dewelke ik nu
optellen zal, overgebleven ; maat wy zyn ech-
ter zo gelukkig, dat die gene, dewelke over-
gebleven zyn ‚genoegzaam alles vergadert heb=
ben, wat in een groot getal Boeken van haare
Voorzaaten en Tydgenooten verfpreit was.
1.
De oude en inbe Grickeel dewelke van
de Planten gefchreven hebben, en die van
_ Gefreras zyn geftelt op de letter A, zyn
de volgende. 1. Mtius, dewelke meelt al-
_ Tes uit Galezas ontleent heeft. 2. Alexander
__de Groot, of een Boek, dat by de Grieken op zyn
_ paam gaat, maar nietechtis, over de zeven
_ Kruiden, dewelke overeenkomtft zouden heb-
_ ben met dezeven Planeten. 3. Alexias Rhizoto=
mus was een Leerling van Zhrafyas , en een
zeer vernuftig en ervaren Kruidkender, 4. 4-
waxagoras Phyficus. $. Andreas word alseen
Ge vers
4oo Natuur-en Konft-Kabinet,
vermetel Schryver der Planten van Dioftori= _
des aangehaalt. 6. Androcides heeft de na- —
tuur en eigenfchappen van de Kool eert ont-
dekt en geleert,en dat dezelve de Dronkenfchap
verdreef; deze fchreef aan Alexander de Groot,
als hy. Wyn zoude drinken: O Kozing! ge-
denk „dat gy bet bloedder aarde drinkt. 7. An-
drotien „word. van Varro, Golumella en
Plinins„onder de Schryvers van de Landbouw
en Kweekkundegetelt. 8. Axtigonus heeft oe
ver de Laurierboom en het Kroontjeskruid
gefchreven. 9e Apollodorus heeft over de
welriekende gewaflen gefchreven. ro. Ap-
pollonins heeft over de Gewaflen, dietot licht
bereidende Geneesmiddelen bek waam zyn „ge-
fchreven. 11. Archigezes heeft over ’t ge=
bruik der genezende. Kruiden en middelen
gefchreven. 12. Archilochus word van Ni-
cander onder de Kruidbefchryvers aangehaalts
gelyk ook 13. Ariftenas, en 14. Arsflogiton
van Plinius. 15. Ariftophilus ‚een Apotheker,
heeft eenige verwonderenswaardige kragten
van verfcheide Planten ontdekt. 16. Arifton
teles heeft mede over de Planten gefchre-
ven; wy hebben tegenwoordig noch een Boek
over de Planten op zyn naam, met de aan-
tekeningen van Scaliger, maar het zelve is
zeer verbaftert, hoewel wyin de Problemata.
van Ariftoteles eenige aantekeningen vinden
over de geflachten der Plantgewaffen enz. 17.
Afclepsades , een vermaart Geneesheer , word
in de Plantkunde menigmaal van Plizius ge-
roemt. - 18. Afclepiodotus van Alexandhien
word zeer geroemt in. de. kenni{le van
de
Ka
he
Mey en Funy i719. 4ot
de Verfltofkunde, en het oriderfcheid van al-
derhande houten, en het naatwkeurig onder.
zoek van de loop en de gefteltheid van der-
zelver vezelen, maar boven alles in de Plant-
kunde, en word medegedeelt van Sxzdas.
42.
De Plantgewas-befchryvers onder de Grie-
ken, en dewelke van Corzradus Gefnerus op
de letter Bs geftelt worden, zyn de volgen-
de. 19. Baffus Tyleus heeft van de krag-
tender Planten gefchreven, niet nade onder-
vinding , maar volgens redeneerkundige onder-
ftellingen. 20. Fulius Baf/us, een Romein,
heeft in't griek{ch van de Gewaffen gefchreven.
21. Bior heeft gefchreven vande Boomen en
Plantgewaflen enz.
De Griekfche Platnbefthrpvers by Gefne=
rus op de letter G. zyn, 22. Callimachus ;
deze heeft in ’t byzonder gefchreven van de
Kroonen en Krans-gewaflen, en Bloemen,
dewelke fchadelyk voor het hoofd en de
harflens zyn, als ook over het Drieblad. 23:
‚ Caffritius. 24. Cefennins , en 25. Firmus Ce=
_ purica hebben gefchreven over de T'uinberei-
dery en Aankweekery. 26. Chereas van
Athenen heeft ook iets van de Planten ge-
fchreven, en voornamentlyk was hy zeer er=
varen in de Kennifle der Diftelen en Doorn
gewaflen. 27. Chryfippus heeft mede ver-
_ fcheide Boeken over de Planten uitgegeven;
en zeer omftandig over de Kool en haaf
gebruik , als geneesmiddel , en toegepaft aan elk
lide-van ’s menfchen lichaam. 28. Claadins
Ge 2 Ga=
402 __Natuur= en Konft-Kabinet,
Galenus heeft elf Boeken over de enkelde
Medicinale Planten en Geneesmiddelen aan
ons nagelaten , dewelke wy noch overig
hebben ; wy hebben ook noch een onecht Boek,
wegens 46 Planten „op de naam van Galenus,
met de aanmerkingen van Mumain Gentilis.
29. Cleodemus heeft over de Generatie en
Voortteeling der Planten gefchreven. 30. Cra-
zevas heeft met een zeer cierlyke Griekfche
ftyl over de Plantgewaflen gefchreven, en
heeft de gedaantens der Planten tegelyk uit-
getekent of uitgeprent in zyne Boeken. 3r,
Cratevas Rhizotomus heeft zeer naarftig ge-
fchreven van de Wortelen en van de Plante
gewatlen.
44:
De Griekfche Plantbefchryvers , door Gef:
nerus op deletter Ò.geplaat{t, zyn. 32. Da-
lion , by ouds een vermaart Merbarift. 33.
Damocrates , dewelke in Vaarzen over de
Gewaflen gefchreven heeft. 34. Democritus,
dewelke, na dat hy gerei(t hadde door Per-
fien , Arabien , LMthiopien, LEgypten, enz.
een groot Boek over de Planten by een
vergadert en gefchreven heeft, dog heeft
veel van de Kruiden toverkundig-gewys
vertelt. 35. Diagoras heeft buiten an-
dere Plantgewaflen by die aaloude tyden
reets al gefchreven over de Opium, of
de bereidingen van het Sap der flaapbollen.
36. Dieuches heeft veel zaaken gefchreven,
over het gebruik der Planten in de Genees-
konft. 37. Diocles Caryflius is in de ken-
‚niffe der Planten zo beroemt geweelt, en
Z0-
|
Mey en Funy 1719. 403
zodanig een goed Schryver, dat hy me-
nigmaal geciteert word van Galezus, Plu-
tarchus , van een oud Schryver van aanmerkin-=
gen over Nicander, Atheneus, enz. 38. Diodo-
tus heeft over de Planten gefchreven, de-
welke in de Geneeskonft dienftig zyn. 39.
Diogenes Phyficus heeft gefchreven over de
Voortteeling der Gewaflen. 40. Dionyfius
heeft insgelyks over de Plantgewaflen ge-
fchreven, dewelke in: de Geneeskonft dien-
ftig zyn, en dezelve ook uitgetekent en in
Prentverbeeldingen uitgegeven, ’t geen maar
by zeer weinig oude Schryvers in’t gebruik
was. 41. Diphilus Siphuiuns heeft ouwelings
een Boek gefchreven over de Moeskruiden
en Tuingewaflen, dewelke in de keuken ge= °
bruikelyk zyn.
45.
42. Epenetus heeft ERD de Moeskruiden
gefchreven. 43. Episharnus word als een
vermaart en oud Plantgewas-befchryver me-
de aangehaalt van Plisius. 44. Erafiftratus
heeft in zyne werken overvloedig van de
Plantgewaflen gehandelt.+45. Evax, een Ko-
ning van Arabien, heeft een Boek gefchre-
ven, het welke hy aan de Keizer Nero heeft
opgedragen, over de Kragten en uitwerkin=
gen der Plantgewaflen. 46. Eudemus iseen
Kruidmenger of een Apotheker geweeft, en
onder de oude genoegzaam een Prins inde
ze Konít, en volgens Atheneus toude hy
ook van de Moeskruiden gefchreven heb-
_ ben. 47. Euxryphon heeft in zyne Medicinale
Ge 3 Boe.
404. Natuur-en Konft-Kabinet,
Boeken zeer veel van de Planten in’t byzon=
der gehandelt.
R 46.
_48. Glaucias is een Geneesheer geweeft,
en beeft zeer naauwkeurig over de Diftelen
gefchreven. 49. Glaucus heeft mede over de
Moeskruiden gefchreven, volgens het getui-
genifle van Pluius.
A
so. Heraclides zientinus heeft over de
Planten in betrekking als enkelde Genees-
middelen gefchreven , maar eigentlyk wel
meet over de Wortelen en de uitgeperfte
fappen, na *t gevoelen van Drofcorides, en
in deze zaak zoude hy zeer ervaren geweelt
zyn. sr. Hermes Trifmegiftus van Mgypten
word bynainalderhande wetenfchappen aan-
gehaalt ; onze Gefnerus citeert verfcheide
Schryvers , dewelke melding doen van zyn
Boek, daar hy van zesendertig Plantgewaf-
fen, overeenkoomerde met de Dierenkreits
des Hemels, fchryft ; benevens noch een Boek,
handelende van de verhittende ende verkoelen-
de Gewaflen; behalven noch een ander Boek
over de twaalf Gewaflen, dewelke overcen-
komf(t hebben met de twaalf Hemeltekens ;
maar hoe veel geloof de Lezer aan de Boe-
ken van dezen Hermes Trifmegiflus kan ge-_
ven , zal ik toonen, als ik handele van de
natuurlyke Hiftorien, Wetenfchappen, Kon-
ften en Handwerken der oude Mgyptenaaren.
>. Heropbilus is een uitmuntend vermaart
Geneesheer geweeft, en in de Wetenfchap
der Plantgewaflen, als ook in OR Ben
rui
Mey en Funy 1719. … 405
bruik en uitwerkingen zeer ervaren, hoewel
van hem genoegzaam bekent'is, als een
Stichter van een See, dat hy meer een Praa-
ter“als Ondervinder is geweeft.. $3. Hicefins
heeft gefchreven over de Wyn, en heeft meer
andere zaaken van de Plantkunde verhandelt.
s4. Hippocrates, de Prins van alle Genees-
kundige Schryvers , heeft veel Kruiden en
Planten verhandeltin zyne Werken, van de-
welke de letterkundige Lezer een Regifter en
verzameling kan vinden in het voortreffelyke
Boek van D. le Clerc Hiftotre de la Medi-
cine, $$. Hippon heeft ouwelings ook iets
van de Planten gefchreven, gelyk blykt by
Zheopbraftus. Á
48.
$6. Folas van Bithynien heeft van de en-
kelde Geneesmiddelen , mitsgaders van de
Planten gefchreven, maar niet Plantbefchry-
vers-gewys, en zeer gebrekkelyk , na het ge=
tuigeniffe van Dioftorides. $7. Fuba, een
Groot Koning in Africa, heeft in zyne Reis-
befchryving ‚en in’t verhaal en de Aanmerkin-
gen van zyne Tochten, veel zaaken van de
vreemde en Africaanfche Plantgewaflen ge-
fchreven, hy is zeer vermaart wegens de be-
kentmaaking van het roemruchtige Kruid
Euphorbia.
49.
s8. Lycus van Napels word van Plinius
op verfcheide plaatzen als een Plantbefchry-
ver aangehaalt, zonderdat wy weeten, welke
zaaken hy van de Planten heeft verhandelt.
Ge 4 | jl.
406. Natuur-en Konft-Kabinet ,
| $o.
sg. Manteas heeft gefchreven over de pur-
gerende Gewaflen, en de Kruiden dienftig voor
de klifteringen, en van alle genezende Krui-
den, dewelke met haar uitwerking betrekke-
Iyk zyn op elk deel of ingewand des menfche-
Iyken Lichaams. 6o. Medius was een Ge- *
neesheer, en word van Plinius onder de Her-
barifteu geftelt, gelykook 61. Menauder. 62.
Meneftor word als een Plantbefchryver van
Theopbraftus aangehaalt. 63. Menctheus heeft
over de benamingen der Plantgewaflen ge-
fchreven. 64. Menodorus Erafiftratus heeft ins=
gelyks over de Plantgewaflen gefchreven, en
word ook aangehaalt van Atbezeus. 65. Me-
trodoras heeft niet alleen van de Planten ge-
fchreven, maar heeft dezelve ook uitgetekent,
en in prentverbeeldingen in ’t licht gegeven. 66.
Mido word mede onder de Oude Plantbe-
fchryvers geftelt. 67. Muefides heeft over de
Opiumgefchreven. 68. Mueftheus van Achenen
heeft over de Keukenkruiden gefchreven, en
van de Kranflen en Kroonkruiden, dewelke
het hoofd ontftellen, 69. Mufweus heeft ge-
handelt over *t Kruid Polion,
sr.
68. Nicander heeft van de tegengìftige Ge-
„ neesmiddelen, en van de Zhertaca op vaarzen
gefchreven , gelyk ook van verfcheide Gewaf-
fen , wy hebben deze Schryver noch over
gehouden. 6g. Niceratus heeft veel zaaken
gefchreven over de medicinale Gewaflen enz.
Hy was een zeer beroemt Geneesheer. 70.
Sextins Niger was een Romein, maar heeft
in
jy
Ke:
Mey en Funy 1719. 407
in het griekfch gefchreven over de Planten,
| -
hy-was een zeer beroemt Herbarift.
{
Gi:
71. Olympia van Theben was een zeer ge- -
leerde en beruchte Vrouw, dewelke in de
kenniffe der Gewaflen en Geneesmiddelen zeer
beroemt is geweeft. 72. Ophion word van
Plinius dikwils aangehaalt, en heeft gefchre-
ven over de Gewaflen , en der zelver mediciza-
le Kragten, gelyk ook 73. Opbilius. 74. Ori-
bafiuns heeft de befchryvinge der Planten ver-
gadert, by een gebragt, en na de ordre van
* 4. B. gefchikt, dewelke van Diofcorides
befchreven zyn, daar Oribafius dezelve uit ont-
„leent heeft. 75. Orphêus word geftelt de eer-
fte te zyn, dewelke by de Grieken over de
Plantgewaffen zakelyk gefchreven heeft; wy
hebben noch tegenwoordig een Boek, Or-
pheus Lofzangen genaamt, en voor elke Liof-
zang ftaan uitgedrukt die zaaken, door de-
welke elke Godheid byzonder moet bewie-
rookt worden: of dit van deaaloude Orpheus
is-of van een ander, zal ik hier niet onder-
zoeken,
53:
76. Pampbilus heelt Boek gemaakt van
de Plantgewaflen, maar Galezus {preekt van
hem, alsvaneen Bygeloovige, dewelke ook
genoegzaam dede blyken, dat ‘hy gene Er-
varentheid van de Planten hadde, en dewelke
i fterrekundiglyk , toverkundiglyk , en vol ydel-
heid van de Gewaffen heeft gefchreven, ver-
_ vullende zyn Werk vol oudwyfze fabelen en
_ leugenachtige vertellingen, 77. Paulus Zgi-
À CG
cs zeta
408 __Natuur- en Konft-Kabinet ,
zeta heeft het Boek van Galenus over de en-=
kelde Geneesmiddelen en medicinale Planten
in een kort begrip gebragt. 78. Pedacius Di-
ofcorides heeft geleeft en gedient onder Azto-
nins en Cleopatra, en is de Prins, in de Bee
{chryving der Natuurlyke Schepzels en der
Plantgewaflen , vande aaloude Schryvers, de
welke wy hebben overgehouden. 79. Petris
chus heeft van de Planten en derzelver krag-
ten gefchreven. 80. Petronius was mede van
dat foort van Plantbefchryvers , dewelke
meer haare redeneringtjes volgen, als de
waare bevinding. 81. Phantas Phyficus heeft
mede van de Planten gefchreven , volgens
het getuigenis van Pligius en Atbeneus. 82.
Philippus, over de Bereiding der Genees-
middelen handelende, heeft veel over *t gebruik
en de deugd van verfcheide Gewaffen gefchre=
ven. 83. Philiflion heeft zeer veel Genees-
middelen uit de Planten voortgebragt en me=
de gedeelt. 84. Philotimus heeft over de Voed-
zels, ende Gewaflen, dewelke tot voedzel die-
nen , gefchreven. 85. Phyllinus word van
Plinius mede onder de Plantbefchryvers ge=
naamt. 86. Pliffonicus heeft ook veel fchoo-
ne zaaken vande gewaffen nagelaten, in zyne
Boeken over het gebruik der enkelde Genees=
middelen. 87. Plutarchus wordgemelt, inde
ophelderingen over Nicander,onder de Plant-
gewas-befchryvers, dog zulks zal weinig van
belang zyn. 88. Praxagoras heeft, nahetge=
tuigenis van Plinius,veel heerlyke zaaken o-
ver de Kruiden, Plantgewaflen en Kruidkun-
de nagelaten. 89. Pythagoras heeft eenige
won-
„Mey en Funy 1719. 409,
wonderlyke Kragten zommiger Plantgewaflèn
ontdekt. En Plizius getuigt, dat alfchoon
Orpbeus onder de Grieken wel eerft over de
Planten gefchreven hadde, echter Pythagoras
de eerfte geweelt is, dewelke een Boek ge-
maakt heeft over de kragten en uitwerkingen
der Gewaflen. Onzen Pythagoras heeft in zyn
levenstyd mede op dezelfde wyze,-als ik van
Democritus verhaalt hebbe, zyne Geleertheid
en kennifle uit Mgypten gehaalt, en in Grie-
kenland overgebragt, gereift hebbende door
Perfien, Arabien , LEthropien en Aigypten;
maar dewyl de Geleertheid dier Volkeren,
en voornamentlyk der gyptenaars en Zthio-
piers Leer omzwachtelt, en als bedekt was
door de Beeldfpraak of zo genaamde Heilige
Taal, of Taal der geleerde , kwamen deze
oude en eerfte Griekjes zeer- zelden achter ’
‚Geheim, en achter de proefkundigeen werk=
daadige Kennifle der dingen. Onder de Ge-
wallen heeft Pythagoras zeer omftandig over
de aard, natuur en eigenfchappen der Kool
gefchreven.
54:
go. Rufus Ephefius Teef vier Boeken ge-
fchreven over de Gewaflen in dichtmaat, en
heeft in zyne Boeken over de kragten en
bereidingen der Geneesmiddelen, van zeer
veel Planten, fraaje zaaken nagelaten.
55:
QI. Safyrus is een zeeker oud Griekfch
__ Schryver , dewelke over de Planten iets na-
__gelatenheeft, na het getuigenis van Zheophra-
fius. O2. Simus was een Geneesheer, en
heeft
Aro _ Natuur-en Konft-Kabinet,
heeft eenige zaaken nagelaten over de kragten
en uitwerkingen der Plantgewaflen. 93. So-
lon Smyrneus word van Plinius gemelt, we=
gens de Befchryving der Atriplex of de Melde,
en dat dezelve zeer bezwaarlyk in Ztalten
voort te kweeken is. 94. Soranus Epbefins , de-
welke onder de Keizer Zrajanus en ten tyde
van Galenus geleeft heeft , word van Gelius
Aurelianus onder de Herbariften geftelt, gelyk
ook gs. Sofimenus een Geneesheer, door de
aantekening van Plinius. 96. Symeon Setht
heeft een Boek gefchreven over de Spyzen,
Toefpyzen, Inzultingen en Kruiden, dewel-
ke daar toe behooren, het welk wy noch overig
hebben. .
só.
“97. Tanitrus word zo zeer geroemt van
Galenus, in zyne aaloude Befchryvinge der
Enkelde (Simplicia) en der Plantgewaffen,
dat hy hem byna vergelykt by Durofcorides.
98. Themifon heeft een geheel Boek gemaakt
over het eene Kruid Pl/axtage of Weegblad.
99. Theopbraftus , die beroemde Opvolger
van Ariftoteles, heeft “boven alle de oude be-
… roemde Schryvers het naauwkeurigfte en heer-
Iykfte over de Plantgewaflen, by zyn tyd be-
kent, gefchreven , gelyk zyn uitmuntend
Werk, het welke wy van hem overig hebben,
overvloediglyk bewyft. 1oo. Zhrafjas Monti
zenfis is gehouden geweeft voor de ervaren{te
in de Kennifle der Wortelen van de Plantge-
waffen. ror. Zimariftus word mede dikwils
gemelt onder de oude Herbariften van Plinius,
gelyk ook 102. Zlepolemus, en 103. Trypho
van
Mey en Funy 1719. Alt
van Alekandrien, dewelke na het getuigenifle
__van Theopbraftus drie Boeken over de Plant-
_ kunde en Gewaffen heeft gefchreven. 104.7y-
_ rannio Meflenius heeft, volgens Sutdas en an-
dere, mede eenige nutte zaaken van de Ge-
__waflen nagelaten.
57
____105.- Kenocrates heeft eem Tegenzegwys
__of Axtiphrafis gegeven, over verfcheide Bar-
__baarfche en vreemde naamen eeniger Gawaf-
__ fen, na het getuigeniffe van Galezas , en is
_ de laatfte van de hondert en vyf oude Griek-
__ fche Plantgewas-befchryvers , daar Corradus
_ Gefnerus van gefchreven heeft. Alfchoon
_ nu de meefte van deze Schryvers verloren
zyn, heb ik dezelve aan den Liezer medege-
deelt, om kortelyk te zien, uit welke Fon-
teinen de hedendaagre Plantkunde (een werk
van een ongemeene omflag, gelyk na dezen
_ zal opkoomen ) haar oorfprong heeft geno-
men. Ik zal noch de oude Latynen , die
weinig zyn, en nadezelve de Araôieren laaten
volgen.
58.
Onder de aaloude Latynfche Plant-befchry-
vers telt onzen Gefwerus 1, Mmilius Macer
van Verona, deze heeft van de Plantgewaflen
en Dieren in vaarzen gefchreven;, maar het
Boekje, dat wy hedendaags op zyn naam
hebben, is-onecht. 2. Antonius Caftor was
by het leven van Plinius tot Romen zeer ver-
maart in de Kruidkunde ; Plzius getuigt,
dat deze Romein meeft alle de Gewaffen
(zeer weinige uitgezondert) dewelke by de
NL aal-
412 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
aaloude Grieken en andere Volkeren bekent
waren geweeft, in zyne Tuinen tot Romeu
koefterde en voortkweekte, endat hy inde le=
venstyd van Plizius over de hondert jaaren
oud was, en na die jaaren noch zeer fterk en
gezond. 3. Antogins Mufa, Geneesheer var
Keizer Auguflus , heeft een Boekje over het
Kruid Veronica of Erenprys gefchreven.
4. Cajus Plinins Secundus heeft in zyn Be-
fehryving of Natuurlyke Hiftorie van de ge-
heele Wereld," dewelke uit 37. Boeken be-
ftaat, 16. Boeken over de Plantgewaffen on=
der dezelve gefchreven. s. Columella heeft
r3. Boeken over de Laandbouwkunde nage-
laten, dewelke wy noch zeer welgeftelt heb=
ben over behouden. Ik heb dezelve hier
bygevoegt, dewyl hy veel Gewaflen en T'uin-
planten en derzelver oefening befchryft; ik
weet niet,‚om welke reden Gefnerus deze
voornaamen Schryver heeft overgeflagen, een
Man, dewelke de Prins is van alle Schry-
vers, dewelke wy over deze Stof overig heb=
ben, zo wel in cierlykheid en zuiverheid van
taal,als Geleertheid en Luaandbouwkunde. 6.
L.Apuleus heeft een Boek over de kragten
der Plantgewaflen nagelaten. 7. Marcus Ca=
zo is zeer lang de eerfteen eigentlykbyde Ro-
meinen de Oudfte geweelt, dewelke over de
Remedien van de Kruiden heeft gefchreven, In
zyn Werk, het welke wy hedendaags vande
Landbouwkunde overig hebben „ en dat Gefme=
rus medeniet gemeltheeft, preekt hy van de
Wyngaard, van de Olyfboom, van de Kool,
en eenige andere Plantgewaflen. 8. Marcus
En
Mey en. Juny 1719. 413
Terentins Varro, insgelyks van Gesnerus
over % hoofd gezien, heeft ons een zeer
fraay Boek over de Land-bouwkunde nage-
laten, hy fchreef het zelfde in zyn tachtigfte
jaar, en is in drie Boeken verdeelt. 9. Pom
pejns Leneus was een vrygemaakte van de
groote Pompejus, en wierd van den zelven
bevolen, alle de nagelate aantekeningen over
de Gewaflen, Natuurlyke Hiftorie,en Reme-
dien, dewelke onder de Schriften van de over-
wonnen Mithridates Koning van Pontus ge-
vonden wierden, in de Latynfíche Taal o-
vertebrengen; en deze werken zyn wel ei-
gentlyk de eerftelingen (van de Kruidkun-
de) der Romeinen, zegt Plizius. 10. Palla-
dins, mede van Gefzerus over *t hoofd ge-
zien, heeft leflen en leerregels aan ons nage=
laten, wegens de Landbouwkunde, en heeft
te gelyk eenige Gewaftlen en Kruiden verhan-
delt; maar dat wel het voornaamfte is, hy
tekent van maand tot maand zeer zorgvuldig
aan , wat een Bouwheer en Plant-aank weeker
behoort waar te neemen.
59.
De Arabifche Herbariften , dewelke Gefnerus
aantekent, (hoewel onder deze eenige gevon-
den worden , dat eigentlyk Grieken zyn) zyn r.
Averroes. 2. Avicenna. 3. Abenbitor.q. Alcanzt,
s- Arabib, 6. Alchuim, 7. Ebenefis. 8. Eben-
Ziefhen; «og. Elluchafen Elimithar. 10. Hals
Eilins Abba. ar. Humain, in’tgemeen Joan-
nitins genaamt. 12: Johannes Damafcenus. 13,
Fohannes Filius Serapionis. 14. lfaacus. as.
Rafis, 16. Serafim. Al
Ne e=
414 Natuur-en Konft=Kabinet,
Deze aaloude Greekfche, Latynfche en Ara-
bifche Schryvers, dewelke te zamen een ges
tal uitmaaken van hondert een en dertig Schry-
vers, zyn nu alle, dewelke moeten aange-
merkt worden als de eerfte bronnen en Fon-
teinen, daar de geheele Plantgewaskunde uit
voortgekomen en van begonnen ís; het welk
de reden is, waarom ik de Lezer en My zel-
ven het verdriet heb aangedaan , een zaak
mede te deelen, dewelke zonder deze zeer
nodige aanmerking en Letter-hiftorie-kennif-
fe van zich zelfs zeer fchraal en onaangenaam
is. De Plantbefchryvers , dewelke wy de
Nieuwe noemen, en dewelke zo in als na de
Monnike-eeuwen geleeft hebben tot op dezen
dag, zal ik nadezen van eeuw tot eeuw korte-
lyk mede deelen.
60. As:
Behalven de naauwkeurige kennifle in de
Plantgewaskunde van Conradus Gefnerus,
heeft zyne uitmuntende Ervarentheid in
de algemeene Natuurlyke Hiftorikunde: zeer
uitgeblonken , door de in het licht gegeve Weers
ken over de Dieren in vier Folianten, van de-
welke het 1. Stuk uitkwam in den jaare.rsg1.
tot Zurig by Chriftianus Fbrofchoverus, tynde
1 to4 Bladzyden (behalven de Regifters „ Voor-
redens , Aanhangzels enz.) dik , handelende
van de levendig-baarende viervoetige Dieren ,
opgeheldert mer zeer fraaye Plaaten na het
leven gefneden. Dit Boek is als opge-
zwollen van Geleertheid en Ledluur, en be-
halven dat hy zeer naauwkeurig de Dieren
befchryft, geeft hy overal uitleggingenen Ee
e=
|
Mey en Funy 1719: 415
beteririgen van de aaloude Griekfche en La-
tynfche Schryvers, dewelke over de Dieren
ouwelings gefchreven hebben, als Ariftoteles;
Plinius, Alianus, Oppianus , Albertus Mag-
HIS , en eenige andere,
ór.
Het Tweede (túk van de Hiftorie det Diee
ten van Cozradus Gefnerus is uitgekomen na
zyn dood, en uit zyne Schriften by eeri verga-
dert, en in het licht gebragt door Jacobus Cars
roads van Francfort inden jaare 1586. in Fo=
lio, groot 119 bladzyden, handelende van
de Eyerbaarende viervoetige Dieren ; hier word
gewoonlyk by gevoegt het Boek van Cozra=
dus Gefnerns, handelende van de Natuur der
Serpenten, doot dezelve Carronus in ’ licht
„gebragt tot Zurig in ’t jaar 1597. groot 170
bladzyden; hier achter is noch by gevoegt
een Zratfaat, over de Bloedelooze Diertjes,
en byzonder over de Scorpioenen , gefchteven
door Gefnerus, maar vergadetten uirgegeven
door Gafparás Wolpbins, gedrukt 1587. tot
Zurig, groot 22 bladzyden , imaakende dit
„tweede fluk , behalven Voorreden , Aan=
hangzels, Regifters, enz‚te zamen 31út. Blad-
zyden, alles opgeheldert met {choone Plaa-
ter.
61.
Het derde deel van de Hiftorie der Dieren
van Conradus Gefnerus handelt van de Vo-
gelen, gedrukt tot Frazcfortin het jaar 1585
in folio, groot 806 Bladzyden, behalven de
Opdragt en Voorreden, en negen verfchei-
de Regifters. Dit Boek hadde Gefnerus te
Dd vogd-
416 Natuur-en Konft-Kabinet ,
vooren tot Zurig noch al eens uitgegeven
in’tjaar 155s. alles opgeheldert met {choone
Plaaten, na ’t leven gefneden.
63.
Het vierde (tuk der Natuurlyke Hiftorie
van Conradus Gefrerus, overde Dieren , han-
delt van de Viflen, en vorder van alderhande
foort van Waterdieren en Water-gewaffen. Dit
Boek heeft Gefnerus zelve uitgegeven tot Zurig
in’tjaar 1558. iz Folio ,metkeurlyke Plaaten,
en opgedragen aan Keizer Perdinandus. By dit
Heerlyk, Boek is noch bygevoegt, alles wat
de vermaarde Wilhelmus Rondelettus over de
Viflen, en Petrus Bellonius over de zelfde
ftof hebben gefchreven , alles met keurlyke
Plaaten verciert ; het Werk is groot 1297.
Bladzyden.
6
4e
De grondige kennifle der natuurlyke Hilto-
rie, dewelke Gefrzerus hadde , gelyk geble-
ken is uit zyne weêrgadelooze Kruidkunde
en Hiftorie der Dieren, blinkt byzonder uit
in zyne Brieven ,aan deberoemt{te en geleert-
fte Mannen van zyn tyd gefchreven , en in
drie Boeken in ’t licht gebragt na zyn dood
door Cafparus Wolpbius, gedrukt tot Zurig #7
guarto in ’t jaar 1577. Ik kan den Lezer
geen uittrekzel van dezelve mede deelen, om
de grooten overvloed en rykdom van Zaaken,
dewelke dezelve behelzen.
5.
Boven alles, wat die groote Man ons na-
gelaten heeft, inde Geneeskunde, Stoffchei-
kunde, Hiftorikunde , Godgeleertheid , W ys-
be-
rt or en en on eee ene an en
he
Mey en Juny 1719. 417
begeerte, Phyfica, Taalen,Outheden , weêr-
‘galooze Kenniffe van alle voorgaande Schry-
vers en Boeken, en een menigte dingen, de-
welke de Natuurlyke Hiftorie zo zeer niet
betreffen, heeft hy een onvergelykelyk teken
gegeven van zyn doortrokken Kenniffe in de
natuurlyke Hiftorie, in het Boekje, het wel-
ke hy uitgaf #2 offavo in den jaare 156$. tot
Zurig, handelende van de Berg(toften , opge-
grave Oonderaardfche Stoffen , Mineralen,
Steenen, Aardens, Zamenftremzels , edele
Getteentens, en alderfynfte Gefteentens, van
derzelver wonderlyke Eigenfchappen , Hoea
danigheden , Gedaanten, Vermenging, Ko-
leuren, en overeenkomft met verfcheidean-
dere zaaken enz. alles opgeheldert met keur-
lyke Prentverbeeldingen na ’t leven, en by
Conradus Gefnerns velfs waargenomen en on-
dervonden.
Tweede Verhandeling van de Outheid der
Natuurlyke Hiftorie , envan de Natuur=
Jyke Hiftorikunde der. HEBREERS.
1.
K heb in het Kabinet van de Maanden
Maart en April 1719.getoont, dat het Al-
gemeene en groote Voorwerp van een natuur-
lyke Hiftorifchryver, te weten de groote ge-
fchape Natuur, in vierderhande Hoofd-voor-
werpen moefte verdeelt worden, namentlyk
1. De Szerren-Hemel. a. De Dampkringach-
tige Lucht, daar wy door leeven. 3. He
Dd 2 Wa-
418 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Water. En 4. het Aardryk, dat wy bewoonen,
met alles wat daar in en op is; en deze Ver-
deeling zal ik waarneemen en onderhouden,
in de Befchryving der Hebreeuwfche Natuur-
Iyke Hiftorikunde, en vervolgens eerft {pree-
ken van het WATER, en vande Kennifle,
dewelke de eer{te en daar op volgende Hebreërs
van. het Water gehad hebben.
2.
Dat de Hebreërs of haareV oorouders de eer«
fte volkeren zyn, en de Kennifle der natuur-
Iyke Hiftorie der aaloude Hebreërs de eer{te en
outfte natuurlyke Hiftorikunde is, kan nie.
mand ontkennen, dewyl dezelve met de Schep-
ping der Groote Natuur zyn oorfprong neemt,
gelyk uit Gezefis of het eerfte Boek van MMofes
blykt,
Het Water Anet mede het aldereer=
fte van alle de Schepzelen in de algemeene
Schepping van Godt gefchapen te zyn. Het is
wel waar, dat Mofes zegt. (a) Ju den begin»
ne fchiep Godt den Hemel ende de Aarde,
Maaár door dezen Hemel en door deze Aar-
de, dewelke in ’t begin gefchapen wierd,
moogen wy geenzins verftaan de Sterren-
Hemel , voorzien met deszelfs Hemellichten,
Zon, Maan, Dwaal-en Vafte Sterren, de-
wyl dezelve eer{t van het algemeene Licht,
het welk op de eerfte dag gefchapen was,
naderhand op den vierden dag wierden ge-
fchapen, en tot Zon, Man en Sterren ge-
formeert. Insgelyks moogen wy ook niet
door
(a) Ziet Genefis Kap. x. vers, x.
Mey en Juny 1719. 419
door de Aarde , deweike op de eerfte dag
“gefchapen wierd, alleenlyk maar de Aarde
als Aarde verftaan , maar wel voornamentlyk
mede het Water,gelyk Mofes zelfs getuigt in het
tweede vers, dat zo even op het eerfte tyd-
unt van de aldereerfte Scheppinge (a) de
Geeft Gods op de wateren zweefde. aar uit
klaar blykt, dat het Water te gelyk met de
groote Aardklomp , dewelke wy het Aard-
ryk noemen, en te gelyk in eene en dezelve
fchep-daad (om zo te {preeken ) na ons men-
fchelyk begrip, van Godt gefchapen is; ja
zelfs op de eerfte dag van de fchepping wierd
na de Hemel, en na de Aarde en ’t Water,
eerft als in een tweede fchep-daad het alge-
meene Licht van Godt gefchapen, gelyk in
het 1. Kapittel vers 3. van Gezefis by Mo-
fes te lezen ftaat. (4) Ende Godt zeide : daar
zv licht: ende daar wert licht. Nergens word
gemelt, dat Godt zulks van het Water heeft
gezegt, of het Water naderhand heeft ge-
fchapen, waar Uit volmaaktelyk blykt, dat
het Water mede eerft gefchapen is van alle
de natuurlyke Schepzelen , of liever aan ons
word vertoont als het eerfte gewrocht vande
fchepdaad Gods.
4
Ik wil wel toeftaan, dat inde eerfte {chep-
daad Gods, na de befchryving van Mofes,
Hemel en Aarde gefchapen is, en datin zo-
danig een zin, dat alles, wat in de eerfte en
de andere vyf volgende dagen van Godt ge-
Dd 3 maakt
(a) Ziet Genefis xr. v. 2.
(b) Ziet Genefss z‚ Vv. 3e
420 Natuur-en Konft-Kabinet ,
maakt wierd, meerder na eene Vorming als
na een Schepping uit niet gelykt, dat is te
zeggen; dat Godt in de eerfte fchepdaad alle
de Stof of Beginzelen der Hemelfche Lichaa-
men, en alle de Stof en materie der Aard-
fche Lichaamen gefchapen heeft, en in de
volgende tyd van de eerfte dag en volgende
vyf dagen uit deze ftoffen heeft voortgebragt
het algemeene Licht; de Zeeen Rivieren elk
by malkanderen gebragt; fcheidinge gemaakt ;
en de Aarde boven doen koomen, dezelve
doen uitfpruiten ; de Plantgewaflen doen
voortkoomen; Zon , Maan en Sterren voort-
gebragt ; de Dieren en fchepzelen en Viflen
voortgebragt, dewelke in de Wateren leven ;
mitsgaders de levendige zielen, dewelke op
her Aardryk wandelen, en op het Aardryk
leven, tot de Menfchen zcluis. Maar ik
zoude niet lichtelyk toeflaan , dat Mofes zulks
van het Water gezegt heeft, neen; maar hy
ftelt het Water daar in de eerfte fchepdaad,
en zeggende van het zelve op de eerfte dag
niets anders, als dat de Geeft Gods zweefde
op de Wateren, en dat Godt op de tweede
dag een uitfpanzel maakte in het midden der
Wateren, welk Uitfpanzel fcheiding zoude
maaken tuflchen wateren en wateren ; als ook
dat Godt op de derde dag de Wateren , de-
welke als op en rondom het Aardryk waren,
in plaatzen vergaderde, dewelke hy Zeën
noemde, door welk middel eerft het Aard-
ryk als droog wierd en boven kwam,
he
Zommige van de Chymiften ‚ zommige Fa-
nâ.
Mey en Juny 1719. 421
natigue, en zommige Navolgers van 7ha-
les Melefins, dewelke gelooven, dat alles uit
Water voortkoomt: dat alles in Water ver-
andert: en die vaft ftellen, dat het Water bet.
eenigfteen algemeene Beginzel aller andere ge-
fchape dingen is, meenen uit deze Befchryving
der Schepping van Mofes groote Geheimen
uitte puuren, en wonderlyke zaaken tot beve-
ftiging haarer ftellingen in dezelve te vinden:
ja zommige zyn door haar Dwepery zo ver
vervallen, dat zy voor onfeilbaar valt (tel-
le, dat Godt in de eerfte fchepdaad niets
als Water heeft gefchapen : dat uit deze
grouwzaame groote klomp Water , die zy
den Afgrond noemen „daar /Mofes van fpreekt,
dat de duifterniffe op was, naderhand alles
uit is voortgebragt: dat de Geeft of fchep-
pende Kragt Gods ( nahaar zeggen) zweefde
op deze grouwzaame klomp Water, en de-
zelve zodanig fcheide , dat door de fchei-
dinge dezer onmetelyke groote Wateren tuf-
fchen beide een uitfpanzel geboren wierd;
en dewyl Godt dit Uitfpanzel den Hemel
noemde , ftellen zy vaft, dat weder boven
bet Witfpanzel een oneindiglyk uitgeftrekt
Water gevonden wierd; en dat de Hemel
tufichen beiden koomende met alle de He-
‚ melfche Lichaamen, dit afgefcheide Water
alleenlyk maar affcheidt van alle de Wateren,
dewelkehier op de Aarde, in de Zeën, Ri-
vieren en Dampkringachtige Luucht gevonden
worden,
6.
Ik zal deze Menfchen na haar onmete-
d 4 Iyke
422 Natuur-en Konft-Kabinet
Iyke, onbepaalbaare, en zelfs aan haar on=
bekende Wateren, buiten de Zee, Rivieren,
Wolken, die aan ons bekent zyn, niet
vraagen, noch waar dezelve zyn of gevonden
worden ; dewyl zy my niets zakelyks zou-
den konnen antwoorden , ten zy ík my
wilde laaten voldoen met haar Phantazyen
en Droomen ; maar alleenlyk dit zeer be-
reidwillig aan haar toeftaan, dat onder alle
de Schepzels my geen Schepzel bekent is,
van wonderbaarlyker Eigenfchappen, groo-
ter Beftendigheid, en meerder gebruik tot on-
derhoud van alles , wat leeft en is op deze we-
reld, als het WATER.
5
Na dat Godt op den derden Dag van de
Schepping de Wateren tot Zeën, Rivieren,
Meiren, Plaffen, Poelen en zo voorts had-
de doen vergaderen, dat is, zodanige hollig=
heden, hoogtens, laagtens, en grouwzaame
dieptens hadde gevormt, als hem behaagde,
daar de Wateren om haar vloeibaarheid in
vloeiden, op dat de Aarde zoude boven koo-
men , droog worden , en vruchten voortbren-
gen; fchiep Godt op de vyfde dag de Inwoon-
ders des Waters, (a) want Godt zeide; datde
wateren overvloediglyk voortbrengeneen gewe=
mel van levendige zrelen.,
Als wy hier eens aanmerken, hoe verftan-
diglvk Mofes hier te kennen geeft een ze-
kere ordre, dewelke Godt toen reets al be-
haagde in de Natuur te ftellen, en dat zelfs
zeer
(a) Genefis Kap. z, vers 20,
bj
KU
|
|
$
Mey-en Juny 1719. 423
| zeer wel gefchikt na dezelfde ordre, dewelke
wy hedendaags in de Natuur gewaar worderr,
zullen wy overtuigt worden , dat Mofes niets
gefchreven heeft, dat tegenzeggelykheid zelfs
van onze hedendaagze bekende natuurlyke
ordre influit; want Mofes verhaalt, dat de
Aarde alom eer{t overtogen was met Water,
door het zelve bevochtigt en doorweekt: en
na dat het Water van de Aarde in de Zee-
dieptens en Rivier-kreeken, holligheden en
boezems was vertrokken, die zelve Aarde
zoude uitfchieten (a) gras-fcheutkens, kruid
zaadzayende ‚vruchtbaar geboomte enz. Wan-
neer nu Mofes verhaalt hadde, dat het Wa-
ter in de Zeënen Rivieren was gefchapen ge-
worden, en de Aarde droog en noch nooit
van water bevochtigt was, zoude het onbevatte-
Iyker zyn geweeft, hoe dezelve Aarde zonder
Regen of bevochting Plantgewaffen hadde kon-
nen voortbrengen. Op de zelfde wyze- zul-
len wy alle de natuurlyke Befchryvingen van
Mofes vinden, als wy dezelve naauwkeurig-
Iyk onderzoeken enoverdenken ; wy zullen al-
tyd ontdekken, dat Mofes de zaaken gefchre-
ven heeft na een ordre, dewelke wy noch
hedendaags in de voortteeling, voortkwee-,
king en veranderingen der fchepzelen zien
gebeuren ; alles geheel anders, als wy by de
Natuurlyke en Fabeleufe Hiftorifchryvers der
andere aaloude Volkeren op zyn tyd zullen
ontdekken.
9.
Na dat Mofes de geheele Schepping befchre-
Dd s ven
(4) Genefis Kap. x. xr.
424 Natuur-en Konft-Kabinet ,
ven heeft, en daar in getoont hadde , dat de
Wateren tot Zeën, Rivieren enz. by mal-
kanderen gevloeit waren, vervolgthy , na de
gewoonlyke en hedendaagze regels der Na-
tuur , omtrent het groeyen en voortkoomen
der Plantgewaffen, de voortgang derzelver
ook door behulp des Waters te befchryven.
De Heere Godt (zegt onze hoogverlichte na=
tuurlyke Hiftorifchryver de Man Gods Mo-
fes) hadde (a) niet doen Regenenop der aarde,
maar een damp was opgegaan uit der aarde:
ende bevochtigde den ganfchen aardbodem,
Io
Dewyl de Wateren rondom op den aard-
bodem geftaan hadden, eer dezelve noch tot
Zeën by malkanderen waren gevloeit , is
het wel klaarlyk te begrypen, dat zy voor
eerft de opperfte korft der aarde genoegzaam
bevochtigt en doorweekt hadden ; maar deze
vocht, door de warmte der Zon aan ’t be-
wegen geraakt zynde, moeft noodzakelyk in
een opgaande damp verdunt worden, gelyk
wy zulks dagelyks bevinden. Maar dat wel
het aanmerkelykfte ín dezezaak voorkoomr,
is, dat JMofes hier klaar te kenneu geeft,
dat hy zeer diepe kenniffe der natuurlyke uit-
werkingen van het Water , omtrent het groeyen
en opwatlen der Planten , gehad heeft, dewyl
hy aanmerkt, dat Godt niet hadde doen Re- -
genen, en dat de Plantgewaflen niet nalie-
ten te groeyen, door behulp van een opge=
waaflemde damp, dewelke de geheele aard-
bodem in een getemperde vochtigheid be-
waar-
(a) Genefis II, vers 5, 6,
Mey en Juny 1719. 425
waarde. Dat zodanig een damp uit deze nieu-
welyk gefchape en doorweekte aarde konde
opgaan , en door de warmte der Zon uit»
waaflemen , leert de dagelykze Ondervin-
ding: maar op welk een wyze nu zodanig
een opgewaaflemde damp het geheele aardryk
konde bevochtigen , fchynt een zaak van meer-
der onderzoek.
Li
In eenige Landen van America ‚in zommige
‚in Afia, enveelein Africa, en voornamentlyk
in Lgypten, ftaan op zommige plaatzen zeer
weelderige en ryke vruchten en Planrgewaf-
fen te groeyen en te bloeyen, en dat zelfs
in een tyd , in dewelke het zeer zelden
en zeer weinig regent ; en wel voorna-
mentlyk in die Landen „, dewelke door het
overvloeyen der Rivieren eenige tyd onder
water hebben geftaan, glibberig, doordron-
> ken, beflikt en beflymt zyn geworden ; want
het water, dat op deze landen geftaan heeft,
fmelt alles uit de grond, dat enigzins fmelt- …
baar is, gelyk als de Zouten , Slymen,
gomachtigheden , en melkachtige en zaa-
pige Stoffen, dewelke in het water {meltbaar
zyn.
En
Wy moeten het Water aanmerken, als
een algemeene Laftdrager, daar byna alles in
fimelt , en in gedragen word en als opgeflurpt.
Zelfs door eenige zouten, dewelke te
vooren in het watersgemengt worden, het
zy door vier, door dift:llatie’, door fmelting,
of door gifting , konnen wy het Ma zo
cher-
426 Natuur-en Konft- Kabinet ,
fcherpen en aanzetten, dat het zelve bekwaam
is, om alle de alderhartfte Lichaamen, als
goud, zilver, metalen , mineralen, fteenen
enz. te verbyten, te fmelten, en in zich on- —
der de gedaante van water in fchyn mede te
draagen. Hier van zyn getuigen de gediftil-
leerde waters van Vítriool, van Salpeter ,
van Zwavel, van gemeen zout, van Sterk-
water , het Konings water, verfcheide {oor=
ten van loogen, van Pot-as, van Sal Armo-
niac, Het Water dan met verfcheide gefimol-
te zouten bevrucht, word bekwaam gemaakt,
om dvor behulp van zyn vloeibaarheid en de
ftevigheid der zoutpunten , dewelke het in
zich draagt, alles aan te grypen, te verbyten
en te fmelten, en zodanig in zich te draa-
gen, dat het de alderzwaarfte Metalen op die
wyze verfinelt, en in zich draagt; behou-
dende nochtans dikwils zyn doorfchynentheid
en klaarheid , als of het maar ydel water
was.
ER
Wanneer nu het Water zeer lang over goe-
de, vette en vruchtbaare kleilanden {taat , daar
alderhande foort van deelen en zouten in ge-
vonden word, en dat het noch door de
lucht dagelyks als bezwangert word met al-
derlei werkelyke deelen, en door de dage-
lykze warmte van de Zon enigzins in een in-
wendige wemeling, en wryving en broeying
word gehouden, is zeer lichtelyk te begrypen,
dat het in die gelegentheid geftelt zynde, uit
die pypjes der aarde alderhande zaaken ont-
bint, verdunt en (melt, die door het water
in
Mey en Juny 1719. 427
in de pypjes van de Plant opgedragen wor-
den, terwyl het ledige water ondertuffchen
‘doorde dampgaatjes des Plants uitdampt, en
dus de Plant voedzel aangebragt zynde,
de Plant zeer weeldrig doet groeyen en op-
waflen.
I4.
De ondervinding leert ons. 1. Datde uit»
dampinge des Aardryks overvloedigft is op
de Plaatzen en in die Landen, daar de groot-
fte hitte en ftekinge der zonne is. 2. Dat
ook deze dampen en dampftoffen op de hee-
te plaatzen meer zyn bevrucht met Aromati-
gue, Speceryachtige, olyachtige en werkzaa-
me deelen, als op de plaatzen, daar minder
warmte gevonden word. 3. Datde dampen
veel meerder verdunt, doorfchynender, fyn-
der van deelen en onzichtbaarder voort oog
zyn in de heete landen, als in de koude, ne-
velige en miftige deelen des aardbodems. 4.
Dat des nachts in de warmfte Landen , de
zwaarfteen vet{te daauwing uit de lucht neder -
valt , tot bevochting des Aardryks; want
het water, dat over dag uitwaallemt en uit-
gediftilleert word uit de aarde door de groote
hitte, en in zyn pypjes en deelen bezwangert
en bevrucht word, en met alderley zouten
{lymen, melkachtige, harsachtige, gomach-
tige, fpeceryachtige, olyachtige en zulferach-
tige deelen enz.; dit water, zepge ik, des
nachts van zyne warmte ontbloot zynde,
laat lichtelyk de 7,waarfte en melkachtigfte
deelen onder de gedaante van een dauw we-
‘ derom nederzakken, waar door dan het aard-
ryk,
428 Natuur-en Konft-Kabinet,
ryk, dat des daags uitdroogde, overvloedig-
Iyk des nachts wederom bevochtigt word :
en zulks wel zodanig, dat in zeer veel heete
Landen ‚deze Circulatie van het water by dag
uit de aarde in de lucht, en-by nacht weder-
om uit de lucht in de aarde, in de plaats van
een vruchtbaaren regen dient, beftaande in
deze Circulatie de groeying en grootwor=
ding der Plantgewaflen, want het water dient
tot de algemeene laftdrager en aanvoerder,
dewelke de voedende deelen in de aarde als
een Elixir fimelt en uittrekt, dezelve draagt,
en aanvoert in de pypjes der Plantgewaflen,
om dezelve te voeden, gelyk ook wederom
dit zelfde uitgerookte en in de lucht opge-
dampte water de deelen des luchts in zyne
nederzakking en alderhande deelen, dewelke
haar in de lucht onthouden, in zyne pypjes
ontvangt en mede voert, omdeaarde, daar
zy uit gewaaflenst zyn, wederom mede te be-
vruchten; welke bevruchting der uitgemer-
gelde Aarde, door middel vande Lucht, zon-
neklaar blykt, uit het braakender uitgebouw-
de Landen, wordende dezelve zeven à negen-
maal, terwyl zy braak leggen, omgeploegt,
op dat alle de aarddeelen van het land, elk
op haar beurt, vyf à zes weeken een aanraa-
kende gemeenfchap met de lucht zouden heb-
ben, en in haare pypjes uit de lucht ontvan-
gen zodanige vruchtbaare deelen, als met
haar natuur overeenkoomen, wordende al-
les aangebragt of gedragen door het won-
derlyk fchepzel Gods het welke wy WATER
noemen.
_ Mey en Funy 1719. 429
Is. Ô
De aldervoortreffelyk{te en de alderoutfte
__Natuurlyke Hiftorifchryver, dewelke wy ove-
rig hebben, de Man Gods /Mofes (a) verhaalt, dat
GODT een Hof geplant hadde in EDEN,
tegen °t ooften ; ende hy flelde aldaar dein Men-
fche, dien hy geformeert hadde. Ende een ri-
wiere was voortgaande uit EDEN, omdezen
Hof te bewateren , ende wert vanjdaar ver-
deelt, en de wert tot vier HOOFDEN (te
weten Hoofd Rivieren of Vloeden.) De naam
der eerffe Riviere is PISON : deze zs het,
die het ganfche land van HAVIL Aomloopt,
daar het gond is, Ende het goud dezes lands is
goed: daar isook BEDOLA, ende Steen
SARDO NIX. Ende de naam der tweede Rivier
is GIHON : dezers het die het ganfche land
CUS omloopt. Ende de naam der derde Ri-
viere is HIDDEKEL, deze ts gaande na
het ooften van ASSUR. Ende de vierde Ri-
vier is PHRAT AH. 16.
Als iemand dit verhaal van Mofes met aan-
dacht leeft, zal hy klaarlyk ontdekken de on-
verbeterlyke waarnemingen , daar de Man
_ Gods Mofes, in de befchryvinge van de ftant=
_ plaats van het Paradys, acht op gegeven heeft,
_ te weten dat /Mofes waargenomen heeft de
__ftantplaats van het Paradysafte beelden, door
de loop van deszelfs Water of deszelfs Rivie-
_ ren; een manier gebruikelyk by de alderafge-
f recht{te eni alderwy{teLaand{chaps-Befchryvers,
__en een onwederfprekelyk bewys ( buiten dui=
_ zend andere ) van de Geleertheid en de Erva=
Me rent-
(a) Genes Kap. 1x. vers 8, enzo, rx. 13.14.
430 Natuur-en Konft-Kabinet,
rentheid van Mofes in de Geographie of Land-
befchryvingskunde,
17
N
‚®
8
k
Deze melding van deze vier Vloeden, die
… Mofes Hootden of Hoofdvloeden noemt, na- «
mentlyk. 1 PISON. 2 GIHCON.3 HI D-
DEKEL. en4 PHRATH is deeerfte en
alderoudfte Geographifche Land-en Water-be-
fchryving, dewelke van eenige Schryvers ons
is nagelaten , maar dewyl de oudfte Luand-be-
fchryvers of zeer lang na de leeftyd van /Zo=
fes gefchreven hebben, of weinig aandacht
hebben gehad op de Landbefchryvinge der Joo=_
den of Hebreërs , is de nader Landbefchry-
vinge van het Landfchap ED EN, daar het
Paradys in geplant was , by haar nergens te
vinden ; heteenigfte , dat wy daar omtrent
konnen ontdekken; is uit de Befchryving van
de loop der bovengemelde vier Vloeden van
Mofes , en uit een zekere overeenkomtt der
oude en hedendaagze Naamen van zommige
der zelver,
18.
Veele groote Mannen van de nieuwe en
zelfs hedendaagze Geleertheid hebben met een
brandende yver gewerkt, om uitde ftaat, de-
welke Mofts befchryft, te ontdekken, welke
hedendaags die eigentlyke Plaats of dat Land
zoudezyn; daar uit eene Hoofd-vloed als uit
een Bron vier zulke andere Hoofd.vloeden ge-
boren worden , en dat zodanig , dat zy met
eenige grond zouden. moogen vaft ftellen de
zelfde plaats noch hedendaagste zyn, daar /o-
fes ouwelings het Paradys heeft geftelt. z
e
EN GEETEN
Ë
Prima.
„7
Mey en Funy1719. 431
19.
De gevoelens der Geleerde over de Stant-
plaats van het Paradyszyn verfcheide, maar de
onderftellingen , in dewelke haar de minfte
zwaarigheden opdoen , koomen meeft alle daar
op uit dat detwee groote Rivieren de Zigris en
de Euphraat moeten geftelt worden, van het
getal te zyn van de vier Hootd-rivieren , dewel-
ke Mofes zegt , dat haar begin hadden uit de ee-
ne Rivier, dewelke het Paradys befproeïde. De
grootfte zwaarigheid zoude maar daar in be-
ftaan, om detwee andere groote Rivieren te
vinden ín zodanig een Stant-plaats, dat zy alle
vier haar oorfprong namen uit eene Hoofd-ri-
_ vier, Hoofd-bron of Moer-vloed.
AO. a, ‘
Onder de Geleerde, dewelke over deze vier
Rivieren, en het Land dat dezelve zouden door-
of omloopen,als ook over de waare Stant-plaats
van het Paradys gefchreven hebben, munten by
uitftekentheid uit, r.(a) SAMUEL BOCHAR-
TUS. 2. (4) PETRUS DANiEer Hues
TIUS. 3. (c) STEPHANUS MoORINUS.
En 4. (d) HADRIANUS RELANDUS.
2.
Alle de Geleerde belyden hedendaags, zegt
de Heer Bochartus, dat de twee Vloeden de
Zigris en de Eupbrates onder de vier Vloeden
moeten getelt worden alen uitgingen uit
e de
(a) Vid. EjusPhaleg de Canaan.
(6) Vid. Ejus Traëtat. de Situ Paradifs,
(c) Vid. Ejus Differsatio de Paradifo terrefkri.
(d) Vid. Ejus Differtationum miftellsnearum pars
432 Natuur-en Konft-Kabinet,
de Vloed van Eden. Voor Bochartas hadde
de hooggeleerde Calvinus deze vier Vloeden
zodanig geftelt en uitgevonden, dat zy na de
toeftemming van Scaliger zo volkomen met de
Befchryving van Mofes overeen kwamen, dat
zulks na dezen nooit te verbeteren zoude zyn ;
gelyk ook de zeer uitmuntende Bochartus ins-
gelyks zyn zegel aan deze zelfde uitvinding van
Calvinus geftreken heeft: namentlyk dat (vol-
gens de aaloude Ptolomeus) de Vloed Zigris de
Vloed Euphrates ontvangt by de Stad of de
Provintie APAMEA; dat op deze wyze die
twee Vloeden in malkander gefmolten voort=
vloeyenalseene Vloedtotaande Stad Astra,
daar zy wederom in twee takken gefcheiden
worden, dewelkeelk byzonder inde Perfraan-
fche Golfof Zeeuitftorten, vloeyende de eene
tak ooftwaarts tot in de Perfiaanfche Zee, ende
andere welt waarts tot in de zelfde Golf, gelyk
de Lezer in de Za4ule van Ptolomeus zien kan.
2
Calvinus en Bochartus , en meeft alle oordee=
len, dat de Zigris ende Eaphrates de twee Ri-
vieren zyn , dewelke Mofes Middekel of Tí-
gris, en Phrath of Euphrates noemt; dat de
Vloed, daar dezelve als tezamen loopen, de
eigentlyke Hoofd-vloeden van Edez zoude
zyn; en dat wederom de twee takken, daar
deze Vloed zich in verfpreit, en mede na de
Perfiaanfche Zee loopt, zouden zyn detwee
Vloeden de Pifon en Gihon ,„ daar (Mofes van
fpreekt. Uit welk alles zoude blyken, dat het
Paradys of den Hof van Eder zoude gelegen
hebben in dat gedeelte van Babylonien, daar
de
I8
EG: 1
ENEN EEE 1
ed
Mey en Funy 1719. 433
de Tigris ende Eupbrates in malkander loopen,
en eene Vloed uitmaaken, een weinigje bo-
vendeStad BABEL.
; 23
Na deze ue den dan de vier
Hoofd-vloeden , daar Mofes van {preekt , ech-
ter maar de beide Vloeden in’tgeheelzyn , de-
welke wy de Tigris en de Eupbrates noemen ;
namentlyk daar zy elk van haare oorfprongen
en gebergtens koomen afvloeyet tot in cen ge=
deelte van Babylonien, daar zy in eene boezem
te zamen loopen , en eenige tyd als eene Vloed
voortgegaan hebbende door Babylonien, zich
eindelyk wederom in twee verfpreiden, endus
de eene ooftelyk en de andere weftelyk na de
Perfiaanfche Golf voortvloeyen , om haare
wateren in de zelve te ontlaften.
24.
(a) Bonfrerins getuigt, dat in Afi een
Landfchap is geweelt, het welk EDEN ge-
naamt was, omtrent Mefopotamta, en dat het
zeer waarfchynlyk is uit veel omftandigheden ,
dat dit het zelfde Landíchap EDEN is, daar
Mofes verhaalt, dat Godt het Paradys voor 4-
dam en Eva in geplant heeft, het welk zeer
wel over een koomt met het gevoelen varr
Calvinas en Bochartus; dewyl Babylonien te-
gens Mefopotamien aanlegt, een Landsdouw zo
vruchtbaar, dat deszelfs weergaa naauwelykste .
vinden is, nahetgetuigenifle van (4) Strabo,
en dewelke voor eene graankorrel driehondert
vout wederom uitleverde.
Bey Zelfs
(a) Vid. Eyus Animadverfiones in Onomaft, Eufebii.
(6) Vid. Strabo Lib.16.
434 Natuur-en Konft-Kabinet ,
25. à
Zelfs vinden wy kt Eiland in de Rivier de
Tigris leggen, het welk omtrent tien Engel(che.
mylen groot is, en EDEN genaamt word,
volgens het getuigenifle van Johan Cartwigt
Engelsman, in zyn Reisbefchryving. Ik zal
niet aantekenen de verfcheide Auteuren en
Reisbefchryvingen , en ook eenige oude, noch
zelfs de verfcheide Schriftuurplaatzen , daar
vanhet Landfchap E prEN gemelt word, de-
wyl ik hier van het Water handele, en het oog
zo zeer op de Stantplaas van het Paradys niet
hebbe.
26.
Stephanus Morinus heeft mede zeer uitge-
breid en overvloedig van de Stantplaats van
’”t Paradys gehandelt, de vier Rivieren of
Hoofd-vloeden befchreven , en de Land-
fchappen, door dewelke dezelve vloeiden,
onderzocht , veele em verfcheide gevoelens
daar omtrent aangehaalt en wederlegt, en be-
fluit eindelyk met Calvinus, Scaliger en Bo-
chartus, dat de Euphrates ende Tigris în Ba-
bylonien omtrent Babel in eene boezem te za-
men zyn gevloeit, en aldaar doorloopen het
Landfchap Eder, en daar in het Paradys; uit
het welke voortgaande de Tigris en de Euphra-
tes zich wederom in twee armen verfpreit heb-
ben , en dus haare wateren eindelyk uit-
geftortin de Perfiaanfche Zee of Golf. deee-
ne ooftwaart en de andere weftwaart heen
fchietende, waar uit hy dan eindelyk de vier
Hoofd-vloeden, daar Mofes van {preekt, ge-
noegzaam oordeelt aangetoont te hebben, D
e
EN
Mey en Juny 1719. _« 435
/ 27-
De voortreffelyke Man*Petrus Daniel (a)
Huetius verklaart zich tegens dit gevoelen van
Calvinus, Bochartus en Morinus, en vraagt,
waar die gene, dewelkede Stantplaats van het
Paradys (tellen in * gedeelte van B zbylonien of
Chaldea, en in de zamenvloeying zelfs vande
Enupbrates en Tigris, dan de Landfchappen
Cavilab en Cus van daan zullen haalen ? Hy
_ftelt de Stantplaats van het Paradys mede wel
omtrent de boezem, dewelke gemaakt word
door de zamenvloeying en vereniging van de
Eupbrates en de Tigris, maar tu{lchen de
plaats , daar zy verenigt worden , ende plaats,
indewelke haar vloeden voortíchieten, eer zy
noch in de Perfiaanfche Zee- Golf haar ontlaf-
ten , en in dewelke zy wederom van malkande-
ren gefcheiden worden, datis verder van Ba-
bel en nader aande Perfiaanfche Golf, als het
eerfte gevoelen deze Stantplaats ftelt, en hier
oordeelt Auetins het Landfchap EDEN te
zyn.
‘ 28,
De Boezem of verenigdeV loed,zegt Huetius,
dewelke door de zamenvloeying van de Ex-
phrates en Tigris geboren word, loopt met
verfcheide bogten en omgedraaide kromtens
voort; en ik ftellevaft, (vervolgt by) dat het
Paradys in eene van deze gedraaide kromtens
geplaat{t is geweeft ; en deze Plaats kande Le-
zer vinden in de vierde Geographifche Tafel van
Afia van Ptolomeus ‚in dewelke vertoont wor-
den Mefopotamia, Syria, ’t Itenig en verlaten
He.3 Ara-
(a) Vid. Ejus Traëtat. de Situ Paradifî terreffris.
436 « Natuur-en Konfi-Kabinet,
Arabien,tuffchen de Plaatsjes ARrAcca en T'a-
LATHA, nietver van BATRACHORTA,
veel nader aan de Perfiaanfche Golf als aan
BABILON, op twee-endertig graaden en drie-
endertig minuiten noorder breedte, en op tach-
tig graaden en tien minuiten lengte. En het
koomt my voor, dat de Heer Huetins de Kaart,
dewelke hy heeft geplaat{t voor zyn Zrattaat,
het welk hy over de Stantplaats van’t Paradys
gemaakt heeft, uit dezeKaart (daar ík datelyk
van fprak) van Ptolomens ontleent heeft.
29.
Nu wil de Heer Huetius, dat de Euphrates
en de Zigris, en dan ook de twee Takken,
daar dezelve zich wederom in verdeelen , en
mede in de Perfiaanfche Zee-boezem uit{torten,
moeten aangemerkt worden als de vier Hoofd-
rivieren , daar JMofes van fpreekt, en dat
de verenigde Vloed van deze Euphrates en
Zigris rvoude zyn de Vloed, dewelke het
Hof in Epen of het Paradys befproeide,
en als een Hoofd-bron, daar deze vier Vloe-
den als uit voortkoomen; zo dat eigentlyk on-
zen Heer Huetius ons niet anders zegt, alste
voren Calvinus, en na dezen Scaliger, Bo-
chartus en Morinus geoordeelt hebben, te we-
ten dat de plaats van ’t Paradys was, daar de
Zigris en Euphrates ramen vloeiden tot eene
Vloed; dat deze Vloed zich wederom in twee
verdeelende met de Zigris en Euphrates,
eer zy noch te zamen gevloeit zyn, de vier
Vloeden uitmaaken, daar Mofes van {preekt ,
alleenlyk maar verfcheelende van deze Man-
nen, dat zy het Landfchap Eden nader ek
4=
H
k
Mey en Funy 1719. 437
___Babel aan die zelve verenigde Vloed (tellen; en
de Heer Avetius verder van Babel, en aan een
__bogt van deze verenigde Vloed, dewelke na-
der aan de Perfiaanfche Zee-boezem legt,
O0. .
Deze twee rt ej dewelke van de ver-
enigde vloed, als hy wederom in twee fcheidt,
en door dewelke hy zich ontlaft in de Golf van
Perfien, tyn by de Heer Hwetiusde P1sonN
en GiHON; de Vloed, dewelke weftelykft
afloopt, noemt hyde Pison, em het Land,
daar hy doorvloeit, om te ftorten in de Perfi-
aanfche Golf, het Landfchap HAVvVILAH,.
het welk hy een gedeelte oordeelt te zyn van ge.
lukkig Arabie, en een gedeelte van verlaten
of woelt Arabie, dog zeer tegens de getuige-
niflen der oude Landbefchryvers, en ook te-
gens de waarheid; dewyl de ontlafting van de
Tigris, of van de Eupbrates, niets ter wereld
met gelukkig Arabiente doen heeft, en de aal-
oude Arabieren velt Waterleidingen hebben
moeten maaken uitde Eupbrates, tot bevoch-
tiging vanhaar Landen, ende ontlafting meer
als een graad van gelukkig Arabien afgelegen
___ gefchiet. I
ENE
De andere Tak of ted dewelke vande
verenigde Vloed afloeyende , en ooftwaart aan-
lopende, zich ín de zelfde Perfiaanfche Golf
ontlaft, isby de Heer Auetius de G1 HON van
Mofes, en het Land, daar dezelve door vloeit,
om na de Golf voort te gaan, is by hem het
Land van Cuus of SUSIANA; waar uit
blykt, dat omtrent de Landfchappen van a-
wvilah, Chas, en de Stanrplaatzen van de
Ee 4 Vloe-
438 - Natuur-en Konft-Kabinet,
Vloeden ‚echter een genoegzaam verfchil is te
vinden tuflchen het gevoelen van Azetius en
Calvinus.
t:
De Heer Huet Sarbel” dat het Landfchap
EveN, daar Mofes van {preekt, voor een
groot gedeelte zich ftrekt na de kant van de Per-
fiaanfche Golf, en voor een ander gedeelte na
de kant van Mefopotamia; dat zelfs het Land
van Babylonten „en vervolgens Chaldea een ge-
deelte te voren van het Landfchap EDEN is
geweelt; dat het Landfchap Eden zich heeft
uitgeftrekt tot aan Sufiana, en dat in het oofte-
lykfte gedeelte van dit Landfchap het Paradys is
geweeft.
slof
De Vloed, door de vereniging der twee
Vloeden Eupbratesen Tigris geboren, en aan
welkers kromme bogt (na ’t gevoelen van Hue-
tius) Godt het Paradys zoude geplant hebben,
word hedendaags SCHATEL AREB ge-
naamt, het welke zo veel is als Vloed van
Arabie , buiten twyfel om dat dezelve na de
Arabifche of wettelyke kant toehelt. En dit
zoude eigentlyk de Bron of Hoofd- vloed moe-
ten zyn , daar de vier Hoofd-rivieren , daar
Mofes van fpreekt , uit voortvloeiden, na het ge-
tuigenifle van Huetius.
4:
De geleerde Blisnns Reland heeft niet lang
geleden, te weten in’t jaar 1706, een nieuwe
uitlegging (4) gegeven over de Befchryving van
Mofes, of de Stantplaats van het Paradys, en
de
(&) Vid. Ejus Differtatio de Paradifo.
Mey en Funy 1719. 439
de Rivieren of Vloeden , uit de Hoofd bron van
EpeN voortkomende, maar dit gevoelen is niet
nieuw , gelyk ik zal aanwyzen in deze Verhan-
deling. ar
De beroemde Reland is van gedachten, dat
de plaats van het Paradys is geweeft in ’t mid-
den van de oorfprongen en beginzels van de vier
groote Rivieren , de Prasis, de ARAXES,
de EuPurartEs, en de Ticris, dewelke
alle vier haar oorfprong neemenin GROOT
ARMENIE; en deze vier groote vloeden oor-
deelt de Heer Keland dezelve te zyn, de-
welke Mofes noemt Prison, GIHON,
HIDDEKEL, en PHRATH, en dat de-
ze vier groote Hoofd-vloeden zyn voortgefpro-
ten uit eene Hoofd-bron, dewelke met het
geheele Paradys, en met alles wat daar inis,
wederom is vernietigt, en daarom nu niet ge-
vonden word.
37:
De Heer Reland kan het gevoelen var Ca/-
vinus , Bochartus, Scaliger, Morinus, en de
Biffchop Huet (van de al te dwaaze gevoe-
lens wil ik nu niet eens reppen) ganfch niet toe=
ftemmen, dewyl dezelve na zyn oordeel met
de woorden van Mofes geen genoegzaame
overeenkomft hebben, nademaal ZMofes van
vier diflinde en onderfcheide Hoofd-vloeden
fpreekt , die uit de Vloeden van den Hof in
Eden zouden voortgekoomen zyn, en dit ge=
voelen van Calvinus enz. ftelt maar alleen de
EuPHRATES en de Tricris , en derzelver
twee Takken, dewelke in de Golf van Per-
fien vallen.
Ee s Daar
449 __Natuur- en Konft-Kabinet,
37- Nl
Daar Mofes van vier geheele en natuurlyke
Vloeden {preekt „zegt de Heer Reland, dathy
niiet weet, om welkereden wy zoudenafgaan
van de bekende en klaare betekenifle, en tot
zekerekleine takken, vandewelkeeenigedoor _—
menfchen handen gemaakt, en vande Eupbra-
tesen Tigris af en in malkanderengeleidtzyn;
en dan noch zodanige takken, dewelke uit
de Zigris en Euphrates baar oorfprong heb-
ben , en niet haar oor{prong op de zelfde plaats
en uit de zelfde bron, daar de Zigris en Eu«
pbrates uit geboren worden, ’t geen echter
noodzakelyk was, om aan de woorden van
Mofes te voldoen.
8.
Dat de Vloed H hes DEKEL, daar ZMofes
van fpreekt, de T remis is, en de Vloed
PurraTH de EUPHRATES, word byna
van een iegelyk Uitlegger dezer Text aange=
nomen; maar dat de Vloed PisonN en Gr-
HON maar twee takken van de Euphrates en
Tigriszvouden zyn, isniet waarfchynlyk, de-
wyl uit de Hoofd-bron of Hoofd-vloed- van
Eden vier verfcheide groote Vloeden voort-
kwamen, dewelke zelfs tot vier verfcheide
Hoofd-vloeden wierden, en geenzins takken
of uitgaande armen der Zigris en Euphrates,
want de Vloeden Prison en Gigon zyn
zo wel twee verfcheide Hoofd-vloeden , vol=
gens de woorden van Mofes, alsde Eupbrates
en Tigris, en geenzins Takken vande Euphra-
tes of Tigris.
Als
Mey en Juny 1719. 441
9.
Als wy zouden willen voldoen aan de woor-
den van Mofes, zegt de Heer Reland, zouden
wy de PisoN en GrHoN geenzins moe-
ten zoeken in de Boezems, veel minderinde
Takken van de EurnRrATES of TiGRIS,
_ maar wy zouden moeten opklimmen na de
__Hoofdbronnen en de eerfte Uitfpruitzels dezer
beide groote en zeer beruchte Vloeden, en
wy zouden aldaar moeten nafpooren, of wy
niet noch twee andere Uitfpruitzels of Bronnen
konden ontdekken, dewelke uit deze zelfde
Plaats, of in dit zelfde Laandíchap ook twee
andere groote Hoofd-vloeden verwekten en
_ voortbragten, om dus eindelyk vier Hoofd-
vloeden aan tewyzen , dewelke alle haar oor-
___fprong hadden in een en zelfde Landfchap, te
dias
weten het Landfchap of de Provintie EDEN,
daar het Paradys in geplant was, uit welkers
Vloed als uit eene Moerbron deze vier Hoofd-
vloeden geboren worden.
40.
De Vloed Prasis ende Vloed ARAXES
worden, zo wel als de EurnrareEs en de
Tieris, geboren en voortgebragt in groot
Armentenzen byaldien wy letten op de naam van
de Vloed Pras:s, dezelve verfcheelt juift niet
zeer veel van de naam van de Vloed Prison,
alzo weinig als de naam van de Vloed PrRATH,
vande naam van de Vloed EurPrnHRATES.
Hier komt noch-by, dat het naaftgelege Land
van Colchis, het welke de Prasrs befpoelt,
zeer wel overeen koomt met het Land{íchap
Havilaof Ghavilah, daar Mofes van verhaalt,
' dat
442 Natuur-en Konft-Kabinet,
dat de Pifon om heen loopt, zo wel ten op-
zicht van het Goud van Colchis,alsten opzicht
der BEDOLA ende fteen SARDONIX.
41. n
Dat ook de naam van de Rivier Puasis, —
dewelke noch hedendaags Colchis befpoelt, —
en uit groot Armenien geboren word, zeer
oud is, blykt, om dat dezelve met dienaam _
overal gemelt word van de aaloudfte We- _
reld en Landfchap-befchryvers, dewelke wy _
overig hebben ; als ARTEMIDORUS EPHeE-
SIUS, ERATOSTHENES, STRABO,
PTOLOMAUS, PLINIUS, SCYLAK,
PruTARCHUS de Flumintbus, en een
groote menigte andere; maar noch een an-
dere aanmerkinge van de Heer Reland pleit.
geweldigtot bewys, datde Rivier Pmasis
de PisoN van Mofes is, teweten de over-
eenkomft van naam tuflchen het Landfchap,
het welke zy beide befpoelen, namentlyk
CorcHis en CHAVILA, te meer om-
dat in de Orientaalfche Schryf-wyzetuffchen
Colchis en Chavila zeer weinig Charatter-on-
derfcheid is.
2
De vierde Vloed, Rever uit de Hoofd-
Bron van EpeN geboren wierd, en die
de Man Gods Mofes GrrHonN heeft ge-
noemt, en dewelke ( na de Befchryving van
die Goddelyke Hiftorifchryver ) het ganfche
lLuand van Cus omloopt, oordeelt de Heer
Hadrianus Relandtezynde Vloed ARAXES,
hedendaags by die Volkeren van Scythie en
Armenie ARRAS; deze ontlaft zich in de
Caf
"
hd
Mey en Funy 1719. 443
Cafpifche Zee, na datdezelve zich verenigt heeft
met de Vloed Cyras, op veertig graaden
breedteen 85 graadenlengte. Door het Land
van Cus verftaat de Heer Reland het ge-
welt der Cussatr of CUSS&r, het welk
niet verre van de Araxes aflegt. Deze Cuffet
worden van de oude Schryvers geplaatit
zomtyds in de Velden van MEDEN, of
de Araxes ftroomt langs dat Meden, het welk
hedendaags ADHERBEZJAN genaamt
word. Deze ARAXES fcheidt Armenien
van Meden, na her getuigenis van Appianus
_ Alexandrinas ; en deze Cofei of Cuffei,
zegt Strabo, zyn de naafte Volkeren aan ’
_Landfchap Mepen: zo dat het fchynt, als
‘of de Cuf]ei geplaatft zyn geweelt in de Ber-
gen, die in de Provintie DeEiLEM dicht
by de Cafpifche Zee gelegen zyn, deweike
als een toevlucht voor deze Roofvogels zyn
geweelt. (a) DioDpoRruUs SicULUSge-
tuigt insgelyks, dar deze Natie, te weten de
‚ Cussar of Cosszr, gewoont hebben in
__ de bergachtige Landen van Meden; als mede
Arrianus, dat deze Cuffet gewoont hebben
A4 paaft aan Meden, zo dat dan eindelyk het
gevoelen van de Heer Reland roude zyn,
dar de Rivier Puasis deP1soN van Mofes
js; het Landvan Corcurs zoude zyn het
Landfchap CuaviLa van Mofes: DeRt-
‘vier ARAXES zoude zyn de GiEHoN van
Mofes, en het Land van Cxs zoude zyn het
Land van de Cofei of Cuf]ei, wonende aan
_ Meden by Armenien.
Be.
(a) Lib. xv. Cap.lIL
444 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
43-
Behalven deze vier \Pioeden befchryft Mofes
noch een Vloed in Eder, befproeyende het
nieuw van Godt geplante Hof of het Aardfche
Paradys, en uit dewelke deze vier Vloeden
haar oorfprongkreegen. Deze Vloed bekent
de Heer Relandtotnochtoe niette weeten, ja
zelfs gelooft hy, dat dezelve tentydevan Mo- —
fes niet meer is geweeft , en met het geheele Pa-
radys verdweenen , en door Godt als verandert
is, om dat (zegt hy) Mofes zelfs die Vloed
geen naamgeeft, gelyk hy aan de vier andere
Vloedende Prison, de GrHoN, de Hip-
DEKEL en de PHRATH gedaan heeft;
maar dewyl de Heer Relaadde (tantplaats van
het Paradys in het middel-land van deze vier
Hoofd-bronnen dezer vier Vloeden ftelt ,
zoude noodzakelyk deze Vloed in deze groo- —
te Valeyen moeten zyn, dewelke in groot
Arimenien gevonden worden tuffchen die re-
gels grouwzaame Bergen , van dewelke de
vier Vloeden de Eurnrarrs, de TieRis,
de Prasis en de ARaAXES geboren
worden.
44
Ik wil gaaren bekennen , dat de uitvindin=
gen van de Heer Reland aanmerkens waardig
zyn, en veel {choone zaaken, benevens een
fchat van Geleertheid behelzen ; maar ik zoude
nooit aande Lezer durven raaden , om op dier-
gelyke waarfchynlykheden, omtrent de ftant-
plaats van het aardfche Paradys , de Vloeden uit
het zelve, en de Luandfchappen, dewelke de
zelve beftroomen, tevertrouwen, endezelve
voor
Ee dend
‚Mey en Juny 1719. , 445
voor onfeilbaare waarheden aan te neemen:
zelfs de Heer Reland wil zyue gedachten ook
niet hooger als voor waarfchynlyke giflingen
aangenomen hebben.
45:
Ik zal geentegenwerpingen tegens alle deze
gevoelens, van de ftantplaats van het Paradys,
en de vier Rivieren, uit deszelfs Vloed voort-
_ koomende, mitsgaders de Landfchappen „ de-
welke dezelve befproeyen, inbrengen, maar
alleen eens in bedenking geven, of niet een
groote zwaarigheid opkoomt in de oorfprong
zelfs, dewelke wy van deze Vloeden heden-
daags weeten, namentlyk de grouwzaame
_ hooge Bergen van groot Armenten „uit welker
__afwateringen deze vier Vloeden, en ook noch
_ veelandere Vloeden in Armenten geboren wor-
den, waar van zommige haar water ontlaften
‚inde Pont Euxin; andereinde Cafpifche Zee;
andere na veel Landen doorgeftroomt te heb=
_ ben in de Golf van Perfien ; andere wederom
 elders. Deze oorfprong van het hooge gebergte
werpt geheel onder de voetde Moer-vloed des
_ Paradys, hoewel om dít te beantwoorden
zoude een Geleert Man, dewelkeveel werk
__ van onderftellingen en waarfchynlykhbeden
maakte, wel lichtelyk een uitvlucht vinden,
en konnen antwoorden , dat van de zeer
hooge Bergen het water afvloeyende in het
midden haarer Valeyen , ouwelings een Vloed
hadde gemaakt; dat deze Vloed de Valeyen,
daar her Paradys in konde gelegen hebben,
befproeit hebbende, naderhand door vier ver-
_ fcheide plaarzen in vier Hoofdvloeden zich had-
4 de
Ed
446 __Natuur- en Konft-Kabinct,
de verfpreit; maar de zwaarigheden, dewel-
ke ik zoude konnen tegenwerpen, inde uit-
legging van de Heer Reland omtrent de A-
raxes, dat de zelve de Vloed Gihox is, en
dat het Luaand van Cus de Cuffei zyn , en
dat deze Cuf/et moeten geftelt worden van
de Vloed befpoelt te worden , deze z waarig-
heden, zegge ik, zoude ik nietteboven konnen
koomen , noch met goede uitvluchten konnen
beantwoorden, alzo weinig als die van Colchts,
hoewel ik dezelve hier niet ophaale,
46.
Alfchoon wy geen vafte verzekering heb-
ben van de waarachtige Stantplaats van het
Paradys, en deszelfs Watervloeden, hebben
wy ook geen recht, om alle de gevoelens
der Geleerde, omtrent deze zaaken , roeke-
looslyk te verwerpen; daarom zal ik aan
den Lezer mededeelende watervloeden, de-
welke de Geleerde Lieden in de plaats van
de vier Hoofdvloeden des Paradys hebben
geftelt: als by voorbeeld de Exphrates en
eenige andere, en zulks met te meerder re-
den, om datdegroote Rivier Eupbrates byde
aaloude, Hebreeutvfche of Foodfche Volkeren
zeer wel bekent is geweeft,
47
Dat de Eupbrates bekent is geweeft by
Mofes, en ook by deeerfte Geflachten, blykt
uit deszelfs befchryving van de Vloeden des
Paradys met deze woorden : (a) Exde de
vierde Riviere is Phrath. Als ook uit de
volgende woorden: (6) Te dien zelven dage
maakte
(a) Genefis. II, 14. (6) Genefis. XV. 18.
Mey en Juny 1719. 447
maaktede HEERE een verbond met Abram,
zeggende > uwen zaade heb ik dit Land gege-
ven, van de rivier Egypti, tot aan die groote
Rivier Phrath. Dat nu de Rivier PHRATH
de EUPHRATES is, zal ik niet behoeven
te bewyzen, dewyl zulks van andere reets al
gedaan is, en deszelfs naam ouwelings, ja
noch hedendaags by de Natien dier Landen
Pbhrath is, want het voorzetzeltje eu is in’t
Perfiaanfch niet anders als Water ; en de Heer
Reland bewylt, dat de Perfen dit voorzet-
zeltje by meeft alle Vloeden gebruikten, zyn=
de vervolgens Euphrates niet andersals Water
van Phrath. aar deze zaak blykt noch
meerder, omdat de Rivier de Euphrates "ook
het heilige Land, met influiting van Syrien,
afperkt, en van Mefopotamien affcheidt , door-
lopende als een grensfcheiding van deze beide
Landen , te weten Syrieen Mefopotamie ; waar
uit de Lezer de voortreffelyke Aardrykskune
de van de Heilige natuurlyke Hiftorifchryver
de Man Gods Mofes wederom klaar en on=
derfcheidentlyk kan ontdekken, mitsgaders
een koftelyke voorzegde waarheid in de belof=
te van Godt aan Abraham gedaan, en dewel-
ke hier van Mofes ftaat aangetekent, eer de-
zelve noch volbragt was, te weten de be-
zitting van ’t beloofde Land, en deszelfs
Grenspaalen.
8.
Wy vinden de Rivier Eupbrates zeer dik-
_ wils gemelt in de heilige Bladeren, als (a)
Alle plaatze, daar nwe voetzoole optreet, zal
Ff uwe
(a) Deuteronomium XI. 24,
448 Natuur-en Konft-Kabinet,
uwe zyn: vande WOESTTNE ende den
LIBANON, van de Riviere , de Riviere
PHRATH, tot aande achterfte zee, zal uwe
Landpale zyn. Deze achterfte Zee is de
Middelandíche Zee, dewelke het beloofde
Land befpoelt, en van Mofes zeer wel gekent
is. De Rivier de Euphrates was zo algemeen
bekent by de Aaloude Hebreërs, dat, als zy
maar enkeld de RiviERE noemden, zy
met nadruk de Riviere EuPrnRATES daar
door verftonden , als by voorbeeld: (a) Ez-
de hy heerfchede over alle Koningen van de Rí-
wiere, tot aan het land der Philiflynen , ende
tot aan de Landpaalen van Egypten;, door dee
ze Schriftuur-text , dewelke van de Heerfchap-
py van Salomon {preekt , zien wy ook de be-
lofte, aan de Patriarch Abraham gedaan,
volbragt.
Ao
Daar de EurnraAreEs Syriez befpoelt,
en naaft aan ’t Heilige Land is, zyn deszelfs
Boorden met Steenrotzen bezet, waar van
wy zelfs ook eenig bewys konnen vinden in
de Heilige Bladeren, (4) Doe gefchiede des
HEEREN woord ten tweedenmaal tot my,
zeggende : Neemt den gordel, dien gy gekocht
bebt, die aan nwe lendenen 1s, ende maakt
u op, ende gaat henen na den PHRATH,
ende wverfteekt dien aldaar in de kloven eener
STEENRO7ZE. Zo ging ik benen, ende
wverftak dien by den PHRATH: gelyk als de
HEERE my geboden hadde. Het gefchiede
nu
(a 2 Chronicor. IX, 26,
\6) Feremie XIIL 3. 4. 5. 6, 7.
Mey en Juny 1719. 449
mu ten einde van veele dagen, dat de HEE-
RE tot my zeide; maakt nop, gaat henenna
den PHRATH, ende neemt den Gordel van
daar, dien ik u geboden hebbe aldaar te ver-
fleken. Zo ging ik na den PHRATH, ende
groef, ende nam de gordel van de plaatze ‚al.
waar ik die verfteken hadde: ende ziet de gora
del was verdorven, en dochte nergens toe.
so.
_ Het is geen wonder, dat de Rivier Eu-
PHRATES zo algemeen bekent was by de
aaloude Fooden. 1. Omdat dezelve al haar
Land in tegenftelling van de Zee als befloor.
En 2. om de onmetelyke grootheid van de-
ze Rivier, voor dewelke dezelve niet alleen
by de Foodfche Volkeren, maar by veel an-
dere aaloude Natter toemruchtig is gewor-
den. De EuPrHRrATES word zelfs op veel
plaatzen in de Heilige Bladeren de groote
EurnHRrATES, of de groote Rivier Eu-
PHRATES genaamt, als byjvoorbeeld. (4)
Zeggende tot den Zesden Engel, die de ba-
zuine hadde, ontbindt de vier Engelen, die
gebonden zyn by de GROOTE RIVIERE
LUPHRATES. Ziet ook Gezefis XV. vers
18. van my te voren aangehaalt ; en de aan-
fÍpraak van Mofes aan de Kinderen Myraëls e=
ven voor zyn fterfdag, en even voor denin-
tocht in het beloofde Land. De (4) H&EE-
_ RE onze Godt {prak tot ons aan HOREB,
zeggende: Zy zyt lang genoeg by deze berg
ait IP Ze-
(a) Openbaringe Sohantis, Kap, IX. versi4. Ziet
‚eok Kap. XVL. vers 12.
(6) Deuteronomium 1. 6. 7.
va
aso Natuur-en Konff-Kabinet,
ebleven. Keert u, ende vertrekt, ende gaat
in het gebergte der Amortten, ende tot alle
haare gebuuren, in't vlakke veld, op het ge-
bergte, ende in de leegte, ende int zuiden,
ende aan de haven der zee: (a) het land der
CANAANITEN , ende den Libanon, tot
aan die GROOTE RIVIER, de Riviere
PHRATH. Waar uit te gelyk blykt, dat
Godt aan de Kinderen Afraëls zelfs de Rivier
EurPHrATES als een Scheid-paal of grens-
fcheiding van het beloofde Land geftelt heeft,
gelyk ook beveftigt word door het volgende.
(4) Alle plaatze, daar u lieder voetzole
op treeden zal, hebbe ik u gegeven: gelyk
als ik tot Mofe gefproken hebbe. Van de woe=
flyne ende dezen Libanon af, tot aan de
GROOTE RIVIERE ‚de Riviere PHRATH,
het ganfche land der Hethiten, ende tot aan
de groote zee, tegen den ondergang der zon-
ne zal ulieder landpale zyn.
sr,
In veelderhande Oorlogen, daar in de hei-
lige Bladeren vangemelt word , zien wy de
Rivier Euphrates aangetekent alseen perk der
overwonne of beftrede Landen, gelyk in
de oorlog van Pharao Necho Koning van
Egypten : (c) Ia zyne dagen toog Pharao
Necho de Koning van Egypten op tegen den
Koning van Affyrien, naaeriviere PHRATH.
Endeop eenander plaats, (d) De Kozing na
van
(a) Te weten de Middelandíche Zee,
(4) Fofua 1. 3. 4.
€) 2 Koxingen kap. XXIII. vers 29,
1) akKoningen kap. XXIV. vers 7.
Mey en Funy 1719. 451
van Egypten en toog voortaan niet meer uit,
zyn land : want de Koning van Babel had-
„de van de Riviere van Egypten af, tot aan
de Riviere PHRATH, ingenomen al dat dà
Konings van Egypten was. De EurHra-
TEs word in de benamingen en verdeelingen
der Landfchappen der Stammen ook zeer
dikwils aangemerkt ‚ en genoemt in de Hei-
lige Bladeren, mitsgaders in de oorlogen en
veldflagen van de Koning David, gevoert te=
gens de Philiflynen, de Moabiten , de Koning
van Zaba, de Syriers en de Edomiten,
52.
De EuPHrATES is zulk een beroemde
_ Vloed in de H. Schrift, dat by de voornaam-
_ fte gevallen, die zelfs gebeurt zyn onder de
Koningen, dewelke meerder of minder Na-
buuren waren van de Jooden, dezelve ge-
noemt of gemelt word, als ook de Rivier
de Tieris. Getuige hier van is de ver-
maarde flag , in dewelke NeEBucHoDpDo-
__soR Koning van Affyrien ARPHAXAD
Koning van Meden overwon, gelyk gefchre-
ven ftaat. (a) NEBUCHODONOSOR Ko-
ning van Aflyrien, en dewelke regeerde in
NINIVE eea zeer groote Stad, heeft gefla-
gen tegen ARPHAXAD : en heeft hem ge-
vangen in het groote veld, het welke Ragan
genaamt wierd, omtrent den EUPHRAAT
en de TIGRIS. Op dezelve wyze verhaalt
Feremias de groote Veldflag aan de Euphra-
tes , door Nebucadnezar tegen de Koning
CN di: van
(a) Wid. inter Apocryph. Lib. Judith cap 1, verss.
452 Natuur-en Konft-Kabinet,
van Egypten. (a) Het woord des HEE-
REN, dat tot de Prophvet Jeremia gefchiet
15, tegens de Heidenen. Tegen Egypten : te-
Zen ’t Heir van Pharao Necho Koning van —
Egypten; dat aan de Riviere PHRATH by
Carchemis was: dat Nebucadnezar, de Ko-
ning van Babel, floeg. De fnelle en ontvliede
niet, ende de Held ontkome niet: tegen het —
noorden aanden oever der Riviere PHRATH
zya ze geftruikelt ende gevallen. Ende Pro-
„feet, dewelke deze zaak een werk des Hee-
ren noemt, om de Hoogmoed des Konings
van Egypten te dempen, en dezelve voor
zyn ondaadente kaftyden, vervolgt: want de
Heere HEERE der Heirfcharen heeft een flacht=
offer in den lande van ’t Noorden aan de Rin
viere PHRATH,
53: Í
In veelderhande pina gevallen is de
groote Vloed Euphrates in aanmerkinge ge=
‘komen by de Heilige Schryvers, gelyk by
voorbeeld: (a) FEREMIA fchreef nu al het
kwaad, dat over BABEL koomen zoude, in
een boek. Ende JEREMIA zeide tot Sera-
ja: als gy te Babel koomt, zo zult gy zien,
ende lezen alle deze woorden. Ende zult zeg-
gen; o HEERE! gy hebt over deze plaatze
gefproken ; dat gyze zult nitroeyen, zo datter
geen inwoonder in en zy, vanden menfche tot
op het beeft, maar datzy worden zaltoteens
wige woeftheden: Ende het zal gefchieden,
als gy geeindigt zult hebben dit boek te le-
zen;
(a) Jeremia kap. XLVL. vers x. 2. 6. 10:
6) Feremsa kap. LI, vers 6o, Ór, 62. 63.
_ Mey en Funy 1719. 453
zen; dan zult gy eenen fleen daar aan bin-
den , ende werpen het in ’ midden des
PHRATHS.
54: |
De Beruchte en groote Vloed Eur HR A-
TES is niet alleen zeer bekent geweeft by
de aaloude Hebreërs; maar zelfs ook veel
aaloude Griekfche en andere Wereld-en Land-
befchryvers hebben van dezelve gefchreven.
Alle koomen zy over een, dat de oorfprong
van de Euphrates is van die Bergen in groot
Armenien „omtrent de welke de Araxes, Pha-
fis, en Zigris geboren worden. PLINIUS
(a) zegt met ronde woorden, datde Araxes
uit dezelve berg in Armenten geboren word,
daar de Eupbrates van word voortgebragt ,
en dat de beginzelen van deze beide Vloeden
omtrent zes duizend paffen van malkander
leggen. STRABO noemt deze Berg, daar
de EyPrHRATESEn ARAXES van voorte
koomen, met naam en toenaam, te weten
de Berg Anus. Ziet ook PLUTAR-
CHUS, ARRIANUS, de Tafelen van Pro-
LoMzuUS, dewelke in deze zaak de netfte
Tafelen zyn. Zietook DioDoRUS Sicu-
Lus, en noch eenige andere,
SS:
Opdat de Lezer een recht begrip van de vier
Rivieren van Mofes zoude konnen krygen,
zalik de EurHRATES, TiGRIS,PHA-.
sis, en de ARAXES befchryven, zo als
dezelve in Armenien geboren worden, bene-
Ef 4 vens
(4) Lib. VI. Cap. 9.
__ 454 Natuur-en Konft-Kabinet,
vens haar loop, en de Landen, door dewel-
ke zy vloeyen, of dewelke zy befproeyen of
befpoelen; op dat de Lezer zelfs mag oordee-
len , of wy met eenige waarfchynlykheid
groot Armenien voor de Stantplaats van ’%
Paradys moogenhouden, en deze vier Vloe-
den voor de vier Hoofd-vloeden, daar /Mofes
van fpreekt.
56.
Niemand kan van Armenien , noch ook
van deze vier Hoofd-vloeden een recht denk-
beeld verkrygen, dewelke niet eenige kennif-
fe van dat gedeelte der Wereld, dat wy A-
S1A noemen, verkregen heeft. Zelfs is de
zeer naauwkeurige kennifle van AsrA zo
noodzakelyk, dat wy zonder dezelve de na-
tuurlyke Hiftorien, en de zaaken der Natuur,
dewelke in de Bybel gemelt worden , niet kon-
nen verltaan. .
57:
Asra (zegt (a) een treffelyk Wereld-bee
fchryver) is boven alle andere Wereldsdee-
len van Godt zelfs uitverkorengeweelt, om
zyn voornaamfte Wonderdaaden , Werken
en zichtbaare Tekens onder de Menfchen uitte
voeren. Godt heeft zyne Godfípraaken al-
daar door de mond zyner Propheten doen
verkondigen, zyne Wetten voor zyn volk
uitgereikt aan ZMofes. Asia is de gelukki-
ge Moeder en Voedfter der Patriarchen en
Heilige Oudvaders, en der Heilige Apofte-
len, ja zelfs van Jefus Chriftus, Astra is
de
(a) Ziet de la Croix Relation univerfelle de l'A-
fe. en Philippi Cluwerii Summa Afse Deftriptio,
” _Mey en Funy-171g. 455
‚de plaats, daar Godt zyn eerfte volkplantin=
gen heeft gelieven te (tellen , om van de-
zelve voort te doen koomen alle Volkeren
_ van de ganfchen aardbodem. In Asta zyn
gegrontvelt de oudíte en grootíte Monarchien
en Alleenheerfchappyen van de geheelen
À
KN
hij
{
8
_Aardbodem. Ouwelings hebben (zo veel als
aan ons bekent is) alle T'ucht-oefeningen,
Wetten, Zeden, Wetenfchappen, alle Kon-
ften , alle Handwerken , en overheerlyke
Konft-ftukken in Asra haar oorfprong ge-
nomen, want Egypten is voor dezen mede
Onder Asta gerekent. De waare Gods-
Ô dienft, en alderhande Hoofd-Godsdienften,
en meeft-verfchillende Religien zyn meeft al-
le in Asra eerft begonnen. Het Heidendom,
het Fodendom, het waarachtig Chriftendom ,
het Mabumetaanfch Geloof, waar anders als
uit Asta? Waar heeft het Godt zelfs be-
haagt op deze Wereld te verfchynen, alsin
Asra? Het is waar, dat zommige der Hei-
lige Apoftelen de Gaaven des Geefltes wel heb-
ben uitgedeelt aan eenige randen van Europa
en eenige Eilanden , maar immers meeft alles
in of omtrent As1iE, of naaft gelege Landen
van Europa, naby Afia als Griekenland,
Enz.
| 58. |
„ De voortreffelykfte Aardryks-befchryvers
bepaalen Asta op-de volgende wyze: De
bekende Einden van Afia zyn aan ’t noorden
de Scythifche Oceaan (anders genaamt de
Ys-zee of Tartarifche Zee, of by anderede
Noordzee , van dewelke wy zeer weinig
Ff 5 ken-
.
456 Natuur-en Konft- Kabinet,
kenniffe hebben,) aan ’t Ooften de Ooftelyke —
Zee, (dewelke ook genaamt word de Sinee-
fche en Japoneefche Zee, omdat zy de Boor-
den dezer Landen befpoelt,) aaz ’t Zuiden
de Indiaanfche Zee; aan ’t Weften de Zee-
boezem, dewelke tuf]chen Afia en Africa in=
fchiet , gewoonlyk het Roode Meir, of ook
wel de - Arabifche Zeeboezem genaamt,
benevens de Landengte, of Ifbhmus, die tuf=
fchen dit zo genaamde Roode Meir en Mid-
delandfche Zee inlegt , benevens deze zelfde
Zee, daar zy de Syrifche of Phenicifche Zee
genaamt word, en noch vorder de zelfde Zee,
daar zy de LEgefche Zee of de Archipel ge-
naamt word, vlveyende tuffchen het eigent-
lyke Afia, en Macedonien en Griekenland.
Voegt hier aan ’t Weften noch by de Pre.
outts , zynde een Zeeboezem, dewelke uit
de Middelandfche Zeefchiet, anderzins Mar
di Marmorà genaamt, zynde een Boezem
tuffchen Europa en Afia infchietende, oftuf-
fchen klein Afra en Zhracien by Conftanti-
nopolen , daar hy door de Thracifche Bospho-
rus in Pont Euxin fchiet, als ook niede aan
dezelfde Wefter-Eindpaalen van Afia, de Pon-
tus zelfs of de Pont Euxin, daar de Prepon-
#15 invalt, anderzinsde Zwarte Zee genaamt,
daarik datelyk van {prak ; mitsgaders noch het
Meestis Metr, benevens de Vloedof Rivier Ta-
nats, anders de Dor genaamt, een zeer groote
Rivier, dewelke het Europifche Sarmatien van
het Aftatifche affcheidt, zyn oorfprong nee-
mende uit de Grenspaalen der Mofcoviten, en
voortvloeyende, tot dat hy met een grooten
over-
Mey en Funy 1719. 457
overvloed zyn Water in het Meotis Meir
Ontlafl, zynde ouwelings aldaar de fcheiding-
flroom tuflchen Europa en Afia.
59.
Het Gedeelte van de Wereld, het welke
wy Âsra noemen, is van een ongeiooflyke
grootte. De Schryvers koomen over een, dat
Aster over de dertien hondert Duitfche My-
len lang is,en twaalfhondert en twintig
Duitfche Mylen breedt. Als wy onze aan-
dacht laaten gaan op deze grouwzame groote
brok Lands , is het niet te verwonderen , dat in
dit gedeelte vande Wereld een groote menig-
te groote Koningryken , en onbedenkelyk veel
en verfcheide Landfchappen gevonden wor-
den. Ik zal dezelve hier. niet befchryven,
maar van ’t eene en ’ andere maar een korte
en klaare Schets geven, op dat myn Lezer
te beter zal konnen begrypen, alles dat ik na
dezen van de geheele Hebreeuwfthe natuurlyke
Hiftorikunde, en nu en hier na in ’t byzon-
der van de Kennifle des, WaArTeERs by de
aaloude Hebreërs, en haare Voorzaaten en
Schryvers gemelt en geweten, zal mededee-
len. :
6o.
Voor dezen wierd Egypten mede onder
Afia gerekent, en daar nu Afia van Africa
door ’t Roode Meir word afgefcheiden, wierd
door Plinius en andere Afia van Africa gefchei-
den door de N4/, en dus dát gedeelte van E-
gypten, dat over de Ny/legt, te weten na
de Arabifche zyde, onder Afia geftelt, hoewel
echter ouwelings Prolomeas de Arabifcbe Zee-
boe-
458 Natuur-en Konft-Kabinet,
boezem of ’t Rode Meir aan die zydealreets — $ jp
tot een {cheiding tuffchen Afia en Africa geftelt
heeft.
Ót.
Alle de groote of mindere Vloeden en Rí-
vieren, dewelke haar aan alle kanten in de
verfcheide Zeën, dewelke Af/ia overal om-
ringen, ontlaften, onderftellen meeft altyd
groote Bergen, door welker afwateringen in
deze Landen, en overal meeft alle Vloeden
op deze Wereld geboren worden; daarom
oordeel ik het zeer noodzakelyk vooriemant,
die de Vloeden, Rivieren, Meiren en Wa-
teren , benevens haar verfcheidenheid, ver-
fcheiden aard eu hoedanigheden begeert te
kennen, dat hy eerít kenniffe heeft van de
Bergen , Rotzen , en grouwzaame hooge
Landen, daar de Vloeden uit geboren wor=
den.
62,"
De Bergen, dewelke in Asia gevon-
den worden, zyn van een ongelooflyke uit
geftrektheid, hoogte, grootte, en ontelbaa-
re menigte; dog zy worden alle, omdat zy
regels-gewys leggen en voortfchieten , tot
zeer weinige Naamen gebragt. Als wy de-
zelve in het algemeen aanmerken, konnen
wy ons een denkbeeld vormen, in het wel-
ke wy als in eene opflag en met eene naam
het meefte gedeelte der Bergen van ASIA
begrypen. Alsby voorbeeld: De Berg, T Au-
Rus is de grouwzaamfte en de groot{te Berg
van geheel Afie , en (als ik hetzeggen mag)
de aldergroottle berg van de geheelen Aardbo-
dem,
n
EZ
Mey en Juny 1719. 459
dem. Ik wil nu juift niet (taan op deszelfs
Hoogte, hoewel die op veele plaatzen onge-
looflyk is , maar op deszelfs vreeflyke uit-
geftrektheid door geheel Afte. Hetis een be-
kende zaak, dat de ATLAS in AFRICA
een ongeloofiyke groote regel Bergen uit-
maakt ;dat de Bergen van PERu en CHirti
in AMERICA grouwzaam hoog, wyd uit-
geftrekt, en lang zyn van regels ; dat de regelen
van den Haarts-of Erts- Berg in Duitfchland, de
Alpes in Italien, de Bergen in Zwitzerland,
de Pirincêa tu{lchen Vrankryk en Spanjen,
veel uitftekende groote en lange regels Ber-
gen zyn, maar geen van alle dezelve kan
haalen tegens de grouwzaame regels Bergen,
met al haar uitfpringende zytakken , dewelke
in Asie onder een algemeene naam de Berg
Taurus genaamt worden.
, 63.
De Berg Taurus heeft zyn begin in het
Wetten van Lycra, aan de Middelandfche
Zee, een Landfíchap , dat nu over de drie hon-
dert jaaren onder ’t Gebiedt van den Groo-
ten Heer heeft geftaan , en hedendaags Àt-
DINEL Li word genaamt; van daar. gaat
de berg Taurus voort door geheel Afia, van het
eften totaan het Ooften, entot de uiterfte
grenspaalen van het Keyzerryk Caray, zelfs
boven SiNA, het welk een ongelooflyke
lengte is. Dus van het Wetten naar ’t Oo-
ften voortgaande, werpt de Berg Zauras een
zeer groot getal wederzydze zytakken of zy=
regels Bergen uit, zo wel na het Noorden
door
460 _ Natuur-en Konft-Kabinet;
door geheel Zartarien, als na de zuidelyke.
Landen van Affa.
64.
De Berg Taurus heeft op verfcheide plaat-
zen, en in verfcheide Landen, ook verfchei-
de naamen, na de plaatzen, dewelke hy of
doorpafleert , of aan dewelke hy-zyne zy-
takken en wederzydzearmen, en uitfpringen-
de regels en bogten uïtreikt, als by voor=
beeld in Lycta (volgens de aantekeningen van
verfcheide Aardryks-befchryvers) word de
Berg Taarus de Berg CGRAGUS genaamt;
in Pampbylia is deszelfs naam CoORACE-
SIUS en SARPEDON; in Cilicia behoudt hy
de naam van Zaurus ; in klein Armenien word
hy den Zegez-taurus genaamt; in groot Ar-
menien word de Berg Zauraus genaamt op de
eene plaats P ARIEDRUS, op de andere
plaats GOoRDIEUS, en wederom op een
andere plaats in groot Armenten Moscuivs;
in Syrie draagt hy de naam van de Berg À-
MANuS; in Mefopotamite de Berg CH ABO-
RAS; en op de grenspaalen tuffchen Mefo-
potamie en groot Armenie de Berg Nip u A-
TES; in Colchis draagt de berg Taurus de
naam vande Berg CoRAXIicUSs; in dbersa
en in Albaxia heeft die zelfde Berg de naam
vande CAUCASUS; in Meden ZAGRUS;
in de grenspaalen van het uiterfte Affyrie
word hy de ORONTES , de JASONIUS,
de CoroNus en de CHOATRAS ge-
naamt; in Parthen aan ’t zuiden PARACHOA-
TRAS, aan’t ooften MASDORANUS;
inCarmanie hiet de Berg Taarus de STR ON-
GY-
Mey en Funy 1719. 461
Gyros; in Ayrcanie de CORONUS, als >
op de grenzen van Affyrien, in Margiana
heeft de Taurus de naam van de Berg Sa-
RipHus3 in Bafrien word hy PAROPA-
Mi sus genaamt; in het onmeetbaar groote
Land Scythie of groot Zartarie de Berg
Im auss tuflchen Scythien en Lydien word
de Berg Taurus de Emopus genaamt,
gelyk de Lezer by de Schryvers kan na-
zien.
65.
De voortreffelyke Aardryks-befchryver (a)
Philippus Cluvertas vegt van de Zaurus, dat
dezelve de aldergroot{te Berg van den gehee-
len Aardbodem is; dat dezelve zyn oorfprong
neemt van de boorden der Pamphylifche Zee,
by of over de Chelidonifche Eilanden begin-
nende,en van het Wetten voortgaande tot in
het uiterfte ooften van Zartarie, en de uiter-
fte Einden der Zudien eindigt, zynde byna de
geheele lengte van Afia. De Zaurus verdeelt
Afia in twee deelen; het gedeelte van Afia
van den Zaurus naar het Noorden word 4-
fia binnen den Taurus genaamt, en het an-
dere gedeelte van Afia naar het Zuiden aan
de andere zyde van den Zauras word Afia
buiten den Taurus genaamt,
Daar de kortfte en de rechte lyn der Zaz-
rus gemeten is, is dezelve volgens Ptolo-
meus een duizend achthondert en acht en
tach=
(a) vid. Philippi Cluwerii introduëtio in univer.
fam Geographiam tam Veterem quam Novam, Lib.
_ PV. Cap, xix,
462 Natuur-en Konft-Kabinet ,
tachtig Franfche mylen lang, het weike wei-
nig verfcheelt van de lengte, (a) dewelke
Strabo aan de Zauras toe-eigent, namentlyk
vyf en veertig duizend Stadien, dewelke uit-
maaken 1875. Franfche mylen, elke my!
beftaande uit vier en twintig Stadien, of uit
drie duizend Geomertrifche treden of paflen,
Als wy nû in aanmerkinge neemen, dat de
Berg Zaurus nooit lyn-recht door Afia loopt,
maar met zeer groote bogtenen halve maans-
gewyzelinien, (noch onaangemerkt zyne ter
wederzyden breede uitfpringende takken) zou-
den wy op die wyze (de bogtige Lyn van
den Zaurus tot een rechte gebragt) de lengte
van den Zaurus bevinden, meer als drie dui=
zend Franfche mylen , elke myl van drie dui-
zend treden.
67.
De breedte van den Zaurus is zeer onge-
Iyk , maar op zommige plaatzen drie duizend
Stadien of 125 Franfche mylen, maar opan=
dere plaatzen wederom minder breedt. De
Bergtoppen en hoogtens van den TAurus
zyn ook zeer ongelyk , want dat gedeelte van
den Zaurgs, het welkewy de Caucafus noe-
men , is op zommige plaatzen zeer hoog.
De zyde van den T Aurus, dewelke na
* Zuiden legt, iszeer warm en verhit door
de Zon, maar dekant van den T Auaus,
‚ na
(a) Videentur Tabule Ptolomei Afie. Stra.
bo deSitu Orbis. Pomponius Mela, &” plures alii,
Prefertim Afie Defcripsio dnonymi, editaP arifdis
z656, in Folio,
Mey en Juny 1719.” 463
na ’t noorden is zeer guur , en word ge-
weldig gebeukt van de winden, dikwils koud
en omgort met Sneeuw, op veel plaatzen
„onvruchtbaar, onbewoont „en een fchuilhoek
en teelneft voor alderhande wilde bofch-bee-
{ten ; behalven dat de noordzyde van den
Taurus zeer overvloedig isin ’t voortbrengen
van Herten, daar de Zaurus ook by de Schry-
vers vermaart door is,
68: E
De Plaatzen, (a) daar de Berg Taurus is
gefcheurt door opgefplete rotzen en toppen,
worden by de aaloude Wereld-befchry-
vers de Poorten of Doorgangen van den Zax-
ras genaamt; deze engtens worden by de
aaloude Schryvers menigmaal befchreven.
De eerfte Poort van den TAURUS,
zegt Strabo „is, door dewelke men kan
doortrekken uit Lycia tot in Pamphilta. By
Phafelides aan de zeekant (zegt Strabo) zyn
deze engtens of poorten van den Zaaras, door
de welke Alexander de Groote zyn Leger ge-
leide. De tweede Poort van den Zaxrus is
in dat gedeelte van Pamphilia of’t hedendaag-
ze Turkfche Caramanie, door de welke een
doorgang is van Mylias, een Landfchap en
ook een vermaarde Stad van Pamph:lia, zelfs
aan de Middelandfche Zee. De derde Poort
of enge doorgang van den T Aurus word
genaamt de Poort van Celica, omdat door
deze engte alles gevoert word, wat uit
Cappadocie , Galatie, Lydie en Phrygie
in Cilicie gebragt word. Dit Cilicie is nu
Gg \ het
(a) Vid, Libercitasus, five AftaDeftriptio,
464 Natuur-en Konft-Kabinet,
het eigentlyke Caramante der Turken, hoe-
wel anderzins Caramanie in een brede bete-
kenis in zich bevat Cilicie, Pamphilie, Pifi.
die, en het zuider deel van Cappadocie, Stra-
bo, Diodorus Sieulus en andere befchryven
deze poort naauwkeurig , derzelver lengte,
breedte en diepte ; hier is de beroemde muur
van Semiramis, en de doortocht van Cyrus
en Alexander de Groot. De derde Poort van
den Taurus opent en baant de weg door den
Zanrus uit Celicie na Syrie en na Armenie,
en word in’ gemeen de Poorten van $y-
rien genaamt. Deze doortocht is zeer bezet
met Rotzen, en door een zeer kleine magt
te bezetten, en de aanvallen te beletten. De
wierde Poort van den Taurus isde Poort, door
de welke gereift word uit Af/yrie in Medenideze
Poort is in de Berg Zagrius,en word van Sfrabo
de Poort van Meden, en van Ptolomeus de
Poort van Zagrigenaamt. De vyfde Poort is
de Cafpifche Poort, deze baant de weg tuf-
fchen Meden en Parthen, en is zeven duizend
treden in de lengte, dat is byna derdehalf
Franfche myl, daar zy zeer eng is, en door
menfehen handen gemaakt. Aan weêrzyden
zyn de rotzen doorzaait met zoutimynen of
Sal Gemma, het welk gedurig nederdruipt,
en naderhand wederom als Ys te zamen ftremt.
(a) Dionyfins noemt dezelvede Sleutel van 4-
fie, De zesde Poort van den Zaurus legt
door de Zoeri/che Gebergtens, en word me-
de
(a) Vid. afie Deftriptio. Strabo, Ptolomeus, Soli-
aus, Plinias, Dionyfeus, Procopius Gre.
Mey en Juny 1719. 465
__de-de Cafpifthe Poort genaamt van Procopius
| 6
ef
Behalven deze Doortochten of Poorten van
den Zauras, zyn inden Berg Zaurus noch zeer
veel andere Doortochten en Poorten, als by
voorbeeld : daar de Berg Zaurus de Caucafùs
genaamt word, by Albanten, Golchis, Ibe-
rien of Georgien ent. als ook de Poorten en
Doortochten , dewelke gevonden worden,
daar de Berg Zaurus de IMAUS genaamt
word, aan de uiterfte Einden van Afie, en
veele andere, daar ik tegenwoordig niet van
zal melden.
70.
Op dat nu de Lezer een klaar Denk-
beeld zoude konnen krygen van deviergroo- 7abula
te Water-vloeden, dewelke haar oorfprong 7.
krygen uit de Vloed van den Hof in Eden
of het Paradys, daar Mofes van fpreekt , heb-
be ik uit de Tafelen van Peolomeus, en
onder dezelve uit de derde en vierde Tafel
van Afia, een nieuw Laand-kaartje gemaakt en
laten (nyden ; ziet Tabula V‚in het welke klaar
uitgebeeldt worden de vier groote Rivieren.
1. De Phafis. 2. De Araxes. 3. De Eu.
pbrates… En 4. de 7igris; daar zy haar oor-
__{prong neemen in groot Armenien uit de Berg
_Zaaurus, en daar zy eindigen in de Pont Eu-
xin, in de Cafpifche Zee, en in de Golf van
Perfien, benevens de loop , voortgang,
‘bogten en kronkels van elke Rivier.
7u
___ In deze Kaart zien wy de Rivier Pt Ae
S1s zyn oorfprong neemen, uit dat gedeel-
Gg 2 te
x
e
466 __Natuur- en Konft-Kabinet,
te van den grooten Berg Taurus , wel-
ke Ptolomeus den berg Paryardes noemt,
en wy zien deze Rivier Phafis voortgaan
door een gedeelte van groot Armenrien, tuf-
fchen. Cappadscie en lberie , en door
een gedeelte van Colchis , tot hy zich ont-
laft in de Pont Euxin of Zwarte Zee, by een
plaats ouwelings Phafis genaamt.
72.
Insgelyks zien wy in dezelve Tatel de Rí-
vier ÂRAXES zyn oorfprong neemen op
drie verfcheide plaatzen uit de zelfde Bergen
Paryardes , daar wy dezedrietakken zien ver-
enigen by Artaxata, van waar hy een bogt
maakt, tot daar hy een meertje uitwerpt,
en voortgaande een tak ontvangt van de
vermaarde Rivier Cyrus , totdat hy eindelyk
zich ontlaft in de Cafpijche Zee, loopende
door dat gedeelte van groot Armenien,
het welke tuffchen Albanie en Meden in-
fchiet.
rER
Ten derden zien ds in de zelfde Tafel of
Kaart, dewelke hier achter bygevoegt is, de
grooten en ontzachelyken Vloed EuPnmra-
TES of Phrath, zyn oorfprong neemende
uit dezelfde Bergen Paryardes, met drie tak-
ken of beginzels , dewelkezich verenigen om-
trent CHASIRA, van waar de Eupbrates
loopt tot aan SINIBRA, daar hy met een
bogt affchiet tot aan X1MARA, alwaar hy
van de Berg Abos een groote zytak ontvangt,
Ct welk dereden is, dat zommige de oorfprong
van den Euphraat aan de Berg Abos geftelt heb- }
ben)
*
Mey en Juny 1719. 467
ben)en weder voortloopt'tot aan Mefopotamien,
fcheidende dus groot en klein Armezte van
malkanderen, tot aan S1AVANA, endoor-
loopende tuffchen de groote Bergen NipHa-
TES en AMANUS, Takken van den grouw-
zaamen Berg Taurus, gaat hy met veel kron-
kelende bogten voort tu{lchen Syrie en Me-
fopotamie tot aan T KAPSACUS, daar hy
zo vlak van grond is, dat hy te paard zom-
tydsdoorwaadbaar is. Van Zhapzacus, daar
hy Syrie verlaat, gaat hy wederom met zeer
_ veel groote bogten en kronkels tuffchen Me-
fopotamie en woelt Arabie voort, tot aan de
groote Bergen, dewelke Chaldea, of dat ge=
deelte van Babylouien, het welk Cu a L-
D&A genaamt is, affcheiden van woeft 4-
rabien , beooften Belginea; deze regel Chal-
deeuwfche Bergen gevoegt by het overige van
den Eupbrates , daar hy weder voortvloeit
tuflchen Babylonien en Mefopotamien, fchei-
den Babylonten van woelt Arabien en Mefo-
potamien af, tot dat eindelyk de Eupbhrates
by SELEUCIA inde groote Rivier of Vloed
de Zigris valt, de welke hier, tuffchen Afy-
rien en Mefopatamiten doorvloeyende,koomt
nederfchieten. De Trieris en EurnHra-
TES by SELEUCIA in malkander gefmol-
ten zynde, vloeyen te zamen, dog onder de
naam van Zigris, tot aan de oude) Stad
Asta, (zommige noemen dit gedeelte de
Pafitigris)daar zy haar wederom in tweevloe-
‚ denverfpreiden, gaande deeene ooftelyk ende
andere weftelyk , om haare wateren in de Zee-
boezem of Golf van Perfien te ontlatten,
Gg 3 uit-
468 Natuur-en Konft-Kabinet,
uitmakende het Eiland, daar de oude Stad
Teredon geplaatft word , terwyl door deze
ooftelyke armende verenigde Vloed , van Se-
leucia af tot aan de Perfiaanfche golf, Baby-
lonien word afgefcheiden van Suf/taza, waar
door het Landíchap Babylonien een zeer na-
tuurlyke fterkte voor de aanvallen van de 4-
rabieren en andere Volkeren hadde; worden-
de omringt van de Arabifche Bergen, van de
Euphrates, van de Tigris, en van de Golf
van Perfien, in een groote rykdom van goed,
vet en vruchtbaar Land, veel Rivieren , en een
Zee of Golf van de Zee.
74.
Wat de kronkel belangt, dewelkede
Eupbrates maakt by de Stad Babel, als ook
de Moeraflen en Waterleidingen , en Meiren
by VorceEsiaA en BARSITA, alsookde
Koninglyke Vloed, loopende uit de Eupbrates
door de Stad Babel, tot dat dezelve by Apamea
in de verenigde Zigris valt ; deze alle zyn meeft
door menfchen arbeid en het vermogen der
aaloude Koningen gemaakt.
(eh
Ten vierden zien wy, dat Ptolomeus de
oorfprong van de Tigris mede in groot Ar»
menien ftelt, by het meir Zhofpitis , gelegen
aan de Gordifche Bergen, by de Stad Zhofpia,
en uit de afwateringen van de grouwzaame
bergen van den grooten 7 aurus , hier byzon-
derlyk Niphates genaamt. De Zigris hier van
daan voortvloeyende door een wyde valey
vande Bergen NiPHATEs, verfpreidt zyn
voortgang en loop tuffchen Af/yrie en Mefo-
Par
Mey en Funy 1719. 469
potamie , terwyl hy uit Afyrie de Vloed Ly-
eus, de Vloed Caprus, en de Vloed Gorgus
ontvangt, eu met overvloed van water vande
zelfde Bergen, Niphates afltroomende, ver-
rykt word, en by Seleucta de Eupbrates ont-
vangende , loopt hy met deze verenigden
boezem, en ontlaft zich in de Golf vanPerfieg.
76.
Alhoewel ik noch niemant anders in de We-
reld kan weeten „of deze vier Rivieren de vier
Vloeden zyn , daar ZMofes van fpreekt; als
mede of de Stantplaats van het Paradys ge-
weelt is in groot (a) Armenie,na’t gevoelen van
de onbekendeSchryver derBefchryving vandf/ie,
een Boek het welk tot Parys dooreen geleert
Man zonder naam is uitgegeven iz Folio in ’
jaar 1656. „en opgedragen aanC briftszak onin-
gin van Zweden, en het welk by de voor-
treffelyke Reland zeer naauwkeurig gelezen
moet-zyn; ten minften. heeft die groote Man
deze onbekenden Auteur in veel gedachten
verllandiglyk gevolgt. Of de Stantplaats van
’tParadys geweeft is in (2) Babylounten, na’t ge-
voelen van Calvizus; of nader aan de Perfi-
fche Golf in Babylonten , nade gedachten van
(ec) Huetius : Alhoewel, zegge ik , zulks voor
ons altyd onbekent zal zyn, is ons echter aan
de kennifle dezer Landen, Bergen en Vloe-
den ten hoogften gelegen, in het onderzoek
vande Kennifle, dewelke de aaloude Hebreërs
en haare Voorzaaten gehad hebben van de
Natuurlyke Hiftorien, Penda „Kon-
ften, Handwerken, en. van de „Natuurlyke
G5 4 Zaa-
(4) Ziet Tabula V.(b) Zier Tabula V.(c) Ziet Tabula V.
Tab. V.
470 Natuur-en Konff-Kabinet ,
Zaaken , en byzonder van het WATER,
daar ik nu van fpreeke.
7.
Ik hebbe voor del getoont, hoe algemeen
de Rivier de EurnrATES by de aaloude
Hebreërs bekent was , en gelooft ook dit
zelfde, aandachtige Lezer, van de groote Ri-
vier de Tieris, gelyk veele Schriftuur-
plaatzen bewyzen, behalven dat ook de Lan-
den, daar zy haar oorfprong hebben en door-
fpoelen, by na overal in de Schriftuur ge- -
melt worden. Dit is dereden, datik tot op-
heldering van de natuurlyke Hiftorikunde van
het WATER, by de aaloude Hebreërs en
haar eerfte Voorzaaren,by deze Vloeden in haar
oorfprong zal opklimmen, en een klaarder
„ontwerp van Armenie enz. geven.
78.
Wy hebben al zeer veel reden, om Ar-
menien boven alle de Landen des Aardryks
te achten. 1. Omdat het zeer waarfchyn-
lyk is, dat Godt Adam en Eva daar eerft
gefchapen heeft, en in het Paradys geftelt ;
want het Paradys was aan de oorfprong der
vier Rivieren, Als-wy nu maar eene Rivier
van de vier onfeilbaar en zekerlyk weeten , heb-
ben wyeenklaare kennifle, dat aan deszelfs
oorfprong het Paradys issgeweeft;maar wy zyn
overtuigt (en niemant in de wereld durft zulks
ontkennen ) in de kennifle van eene Rivier,
te weten de PHRATH, zynde ouwelings Ee
ZES
Mey en Funy 1719. 471
zelfs noch hedendaags de naam van de Ex=
pbrates;, op welke plaats volgens dit bewysftuk
het Paradys dan ten minften. mede moet ge-
weeft zyn, laat ik aan het oordeel van de recht-
zinnige Lezer.
79.
De tweede Reden 4 waarom de kenniffe
van Armenie by ons hooglyk getracht moet
worden, is, dat het aan Godt nade zond-
vloed behaagde, dit Land boven alle tever-
kiezen, om de Wereld wederom te bevol-
ken. Als ook, dat de eerfte Godsdienft door
Noach in dit Land is verricht. (a) Erde de
Arke ruftede in de zevende maand, op den ze
ventienden dag der maand , op de bergen van
Ararat mmm Einde Noach bouwde den HEERE
eenen Altaar, ende offerde brandofferen op dien
altaar. Ik zal my niet ophouden met te be-
wyzen, dat het woord ARARAT Arme-
wien is, en de Bergen van Ararat de Taurus
is, dewelke Armerien verfcheidentlyk door-
kruift, dewyl zulks van andere genoeg bewe-
zen is, en getoont, dat de Arke heeft moe-
ten ruften op de hoogfte Berg, dewelke on-
der die grouwzaame hooge takken van den
Taurus, die de Cafpifche Bergen genaamt
worden, boven alle andere uitftak , zyndede-
ze Cafpifche Bergen een fcheiding tuflchen Ar-
menten en Meden.
80.
Geheel Armenie word gedeelt in groot en
klein Armenie, en word door de beruchte
Vloed Eupbrates gefcheiden.
Gg 5 Groot
(a) Genefss VIII. 4. en- vers 20.
472 Natuur-en Konft-Kabinet,
Groot Armenie is tegenswoordig ( volgens
(a) Philippas Cluverius) in drie deelen
verdeelt ; namentlyk in TuRCOMANIA,
in PoPrur, en in CurDISTAN. Aan
de noordzyde word Groot Armegnien ge-
fcheiden door de Mofchifche Bergen van Co/-
chis en van lberien, en door de Rivier Cyrus
van Albanie; in ’tOoften daar heeft groot Ar=
menie de Cafpifche Zee en de Cafpifche Ber-
gen 5 in Zuiden vertoont zich een groote
regel Bergen, die aldaar de naam van de
Zaurus behouden, door de welke Armegien
van Mefopotamien word afgefcheiden ; en
noch een andere Regel van de Zaurus on-=
der de naam van de Niphates, door dewel-
ke Armenien mede in ’t Zuiden van Af/yrien
gefcheiden word; in *t Weften word groot
Armenten van klein Armenien afgefcheiden,
en groot Armenten word als midden doorge-
klooft van een Tak van de Zaurus, dewelke
de Zegentaurus word genaamt. Klein Ar-
mene, *t welk nu PEecran en BosocH
genaamt word, is aan de ooftzyde, daar de
Vloed Euphrates, van groot Armenien ge-
fcheiden, in’t Zuiden word befloten vanden
Berg Amanus, In ’t Wetten en in ’ Noor-
den word klein Armenier ingefloten van de
Bergen Sordifsus, en word klein Armenien
insgelyks doorklooft door de Zegentauras.
Sr.
Om nu wederom tot de Vloeden te koo-
men , dewelke zommige Geleerde meenen
voort
(a) Vid, Introduit, in univerfam Geographiam dye,
Mey en Funy 1719. 473
voort te koomen uit de Stantplaats van het
Paradys, is onder andere de Vloed ARAXES,
dewelke een oud Schryver zonder naam in
zyn Befchryving van Afia oordeelt de G1-
_HON van Mofes te zyn, en is in dit gevoe-
len nagevolgt, door de voortreffelyke Madria=
‚aans Reland ; de voortgangen van deze Vloed
heb ik befchreven. Deze Vloed Araxes gaat
zeer zacht en langzaam door de breede Vel-
den, en vlakke en zommige ondiepe gron-
_ den van Armenten , deszelfs Wateren be-
weegen zich op die Plaatzen en wyde Boor«
den zo zacht, dat de Befchouwer dikwils
‚ niet kan ontdekken, waar henen de zelve
worden bewogen, maar daar ze fteenachtige
klippen en gronden overftroomen, en door
de rotzen vernaauwt worden in haaren loop,
maaken ze meer {nelheid, en menigmaal veel
gedruis en geraas, gelyk in Ptolomeus , Pom-
ponins Mela, Plinius , en een Befchryving
van Afia door een onbekend Schryver , te
zien is. Hedendaags word de Araxes in Ar-
menien en byde Turken ARR’AS genaamt;
en de Schryvers roemen elk om ’t zeerft
deze vermaarde Vloed Araxes, zo om de
helderheid en zuiverheid van deszelfs water ,
als om de vruchtbaarheid, dewelke hy me-
de deelt aan de; landen in dar gedeelte van
Armenten, dewelke hy tot aan de Cafpifche
Zee bevochtigt, terwyl deszelfs Boorden al-
lezins bekroont zyn met klaare en lommerry-
ke Boomen en Boffchen , zomtyds met zeer
vruchtbaare en ret boffchen bekranfte ber-
gen.
Szrg=
474 Natuur-en Konft-Kabinet,
82.
Strabo (a) heeft zeer naauwkeurig van Ar-
menien gefchreven, en beveftigt, dat de Vei-
den en Landeryen, en Boorden van den A-
RAXES de vruchtbaarfte en aangenaamfte
van geheel Armenten zyn. Ik zal nu noch
niet eens melden van de fchoone Steden en
Plaatzen , dewelke ouwelings aan deszelfs
Randen gevonden wierden. De Landen door
Armenien , en voornamentlyk langs de Araxes,
worden hedendaags gereift met Caravanen;
want dewyl Armenien een gedurig Theater
van den Oorlog is geweeft tu{fchen de T'ur-
ken en Perfianen , legt Armenien deerlvk ver-
woelt, wordendede Steden en Plaatzen meeft
bewoont van Turken, onder wiens geweld
Armenien meelt geheel is; als ook van eeni-
ge Oude Armenifche Familien, en Armêni-
Jche Kooplieden en Geeftelyke, dat alle Ar=
menifche Chriftenen zyn; maar het Land en
het grouwzaame Gebergte word bewoont
van Kwrden, die Herders zyn onder ten-
ten, dewelke van geite hair gemaakt worden,
daar deze lieden onder leven, en met haar
vee van de eene plaats op de andere gaan wei-
den.
Het geheele Luand hai Armenien word zeer
gekwelt door derovende Arabieren , dewelke
gewoon zyn door te dringen in alle verwoe-
fte of verlate Landen, om de Inwoonderste
kwellen, de Reizigers teberooven, haar eigen
veete hoeden, en haar zelven met de jacht te
ver-
(a) Vid, Strabe Geozr. de Armenia:
Mey en Funy 1719. 475
vermaaken ; deze lieden moogen tegenwoor-
dig mede wel voor Inwoonders van Arme-
sien gehouden worden , daar ontelbaare fchuil-
hoeken in de'groote wilderniflen, en onuit-
fprekelyke groote en veelvuldige bergen haar
gelegentheid toegeven.
Sgr sat î
Ik heb in Tabula)’. (hier achter by gevoegt) ziet 7a-
niet uitgedrukt alle deregels Bergen , dewelke zula 7.
inArmenten gevonden worden , noch ook alle
de Rivieren, dewelke van deze Bergen af{troo-
men, als niet zeer tot myn oogmerk dienen-
de; maar anderzins mag de Lezer wel ver-
ftendigt worden, dat een groot getal Rivie-
ren en Riviertjes zich hier en daar ter zyden
in de Vloed Araxes ontlaften.
85.
Fan Baptift van Tavernier, dewelke deze
Landen boven alle andere Reizigers doorkruift
heeft, verhaalt, dat de Bergen, daar heden-
daags de Araxes uit voortkoomt, by de In-
woonders de Berg Mizgol genaamt word.
Dit is een Berg, zegt by, daar een groote
menigte Bronnen uit voortkoomen, en daar
de Expbrates aan de andere zyde uit voort
koomt; de ARRAS, vervolgt hy, die vande
Ouden ARAXxES genaamt wierd, heeft zyn
oorfprong uit de Bergen aan de ooftzyde van
die van Mingol, en ftroomt, na dat hy in
veel bogten in Opper-Armenien omgeloopen
heeft, daar hy van veel andere Rivieren ver-
groot word; in de Cafpifche Zee.
Dit
476 _ Natuur-en Konft-Kabinet,
86.
Dit (a) geheele Land, het welk van de ri-
vier Araxes, en van Hale andere, die daar
in ftroomen, doorgefneden is, word byna Ì
van geen andere dan van Chrifteven bewoont.
De Mahometanen , die daar in klein geral ge-
vonden worden, zyn zo waangelovig , dat
zy niet van ’t water van eenige dezer Rivie-
ren drinken , noch zich daar in waflchen, de-
wyl zy dezelve onrein achten ‚ omdat zy door
de Chriftenen gebruikt worden ; zy hebben
putten en waterbakken voor hen in ’% byzon-
der,
%
Tavernier verhaalt, dat deze Luanden zelfs
in het voorjaar, als in Maart en April, veel
door de fneeuw bedekt worden, dat de Men-
fchen, die hier doorreizen met de karavanen ‚ge-
noodzaakt zyn haar aangezicht met foerfe of
zyde neusdoeken te bedekken, dewelke al-
daar byzonderlyk toe gemaakt worden, om
voor te koomen, dat haar oogen door de
laftige fchemeringen van de alomleggende
fheeuw niet bedorven worden ,. dat ander-
zins dikwils gebeurt. Uit deze aanmerking
kan befloten worden, dat de Wateren vande
Araxes veel voortgebragt worden van gefmol-
ten fnecuw, het welk veel verfchilt van het
Water, dat uit enkelde regens voortgebragt
word, dewyl het {neeuw- water veel fcherper
is, voornamentlyk in het voorjaar. De
e
(4) Zier Tawerniers Reizen door Perfien,eerfte Boek
tweede Hoofddeel.
Kij
P
Mey en Juny 1719. 477
N 88.
De Bogten en Kromtens van de Araxes
koomen op zommige plaatzen zo kort op mal-
kanderen, dat in de tweede dagreis van Hal/-
karkara, de Araxes ‚na de waarneming van Ta-
wernier, driemaal doorgewaad word ‚en inde
volgende dag, zegt hy , noch een maal; be=
halven dat de Reizigers zo menigmaal den
Araxes moeten doorwaaden , vervolgt
de karavane zeer lang haar weg langs de boor-
den van de Araxes, wiens bergen zo wel als
vlakke boordenalom van veel arme Armezi=
fche Chriftenen bewoont worden , hoewel
door geheel Armenien noch een zeer groot ge-
tal Chriftenen verfpreidt woonen, dewyl de
Aartsvader of Patriarch van Armenten noch
zevenenveertig Aartsbiffchoppen onder zich
heeft. Om een denkbeeld van groot Arme-
nien mede te deelen, zo ten opzicht van des-
zelfs veelvuldige en zeer hooge Bergen,
als deszelfs Vlaktens, Valeyen, Rotzen, Ri-
vieren, Watervallen, Beeken en Kreeken,
zegt de Heer Tavernier, dat Armenien zeer
wel overeen koomt met het befte en vrucht-
baarfte gedeelte van ’ Land van Vaux in
Zwitzerland.
8
Plutarchus raams inzyn Zraffaat over
de Vloeden, veel wonderen en oude vertel-
lingen van dezen Araxes, als onder andere
van het Kruid Araxes, het welk verflenzen-
de veel bloedt uitlaat, dat buiten twyfel de
Meecrap of Rubia Tinlorum zal zyn, dewyl
dezelve aan de Gafpifche Zee groeit: als ook van
de
478 Natuur-en Konft-Kabinet,
de zwartefteen Sicyonus, dewelkedaar groeit, —
en daar zy ouwelings in die landen veel by-_
geloovigheid onder haar Offerhanden mede
pleegden: als ook van een Boom, dewelke «
overvloedig aan de Boorden van de Araxes —
groeit, zeer gelyk met de Granaat-appel, en —
dewelke overvloediglyk van die Appelen voort-
brengen. Datnudezen ARAXES de Vloed —
GrHoN van Mofes zoude zyn, oordeelt de —
Heer Reland. 1. Omdatdezelvezynoorfprong —
dicht by de oorfprong van de Eupbrates heeft. —
En 2. om dat aan deszelfs boorden deCoffei _
of Cuffei gewoont hebben; en ZMofes ver-
haalt , dat de Vloed Gihon het geheele
Jand van Cus befproeide. Deze Cue: waren
roofvogels, dewelke woonden en zich ont-
hielden inde Cuflifche Bergen van Armenten ,
by de boorden van de Araxes, aan de kant
van Meden, by de Cafpifche Zee, gelykde
Heer Reland aantoont uit Appianus. |
0.
De tweede Bie. Seele eenige geleer-
de Lieden oordeelen een van de vier Rivie-
ren des Paradys te zyn, van Mofes befchre-
ven, ís de Phafis, daar ik te voren van ge-
fproken hebbe, en dewelke zy oordeelen de
Phifon te zyn van Mofes; en Colchis, daar
de Phafis, uit Armenieu vloeiende, doorftrykt
tot in de zwarte Zee, het Laudfchap Chavila
van Mofes. (a) Arrtanus verhaalt van deze
Rivier, uit eigen ondervinding, veelaanmer-
kenswaardige zaaken. Van alle de Rivie-
ren, zegt hy , dewelke my bekent zyn, is
het
(a) Vid. Arriani Periplus Ponti Euxini.
nn ENE SE
Mey en Jiúny 1719. 479
het‚„water van de Rivier Phafis hetalderlicht-
{te , en daarenboven zeer onderfcheiden en
veranderlyk van koleur; deszelfs lichtigheid
(vervolgt hy ) kan iemant door de weegfchaal
(tegens ander water) beproeven , en zelfs
ook daar in, dat hy het zelve (in de Zwarte
Zee vloeyende ) altyd zal zien boven dryven.
Als iemant het water van de Rivier Phafis
uit het oppervlak van de Vloed fchept, zal
hy het zelve zeer zoet en verfch bevinden,
maar byaldien hy door een water-emmer, het
zelve van de grond des riviers weet uit te
putten, zal hy het zelfde zout of ziltig be-
vinden. Maar hier moet de Lezer aanmer-
ken, dat Arrianus maar fpreekt van dat ge-
deelte vande Vloed, het welke gemeenfchap
met het water van de zwarte Zee heeft, en
niet daar deze Vloed van de bergen
valt, en door Armenien en Colchis heen
fchiet , dewyl deszelfs wateren aldaar zeer
zoet zyn, en meeft van de gefinolte fneeuw
geboren worden; behalven dat zelfs het wa-
ter van de zwarte Zee maar zeer middelma-
tig zout is, en niet te vergelyken by de groo-
„te Zee, daar dezelve zyn wateren in ontlaft;
alzo de zwarte Zee gedurig verzoet en als
ververfcht word door de ontelbaare Rivie-
ren, dewelke zich van de grouwzaame hoo-
ge bergen van de naaftgelege Landfchappen
in dezelve koomen te ontlaften. Tot een
getuige van de zachtigheid, gezondheid en
zoetigheid van het water van de Pozt Euxin
of zwarte Zee, verltrekt de dagelykze ge-
H h woon-
Bad
480 Natuur-en Konft-Kabinet,
woonte der gener , dewelke deszelfs boor-
den bewoonen, dewyl dezelve dagelyks haar
Vee uit deszelfs water met voordeel laten
drinken, in zo verre, dat zy deszelfs wate-
ren veel gezonder voor % vee bevinden , als
zelfs het volkomen verfch en zoet rivier-
water.
\ Or.
De koleur van het water van de Phafis is,
als of het over loodt of tín geftaan hadde ,
hoewel echter het zelve door de tyd zyn
droezem laat vallen , wanneer het (til ftaat
en klaar word. Het water van de- Phafis
is zeer beftendig tegens de bederving, en kan
zeer lange jaaren duuren, zonder te flinken
of te verrotten, het welk een kragtig bewys
is, dat het water van de Phafis fneeuw-wa-
ter is, van het welke een iegelyk kan on-
dervinden, dat het zelve zeer ftantvaltig stee
gens de verrotting ftaat. pn
92
De waarfchynlykheden , door dewelke de
zeer geleerde Heer Reland, en noch een (4)
Schryver voor hem, bewogen zyn om te
oordeelen, dat deze Rivier Phafis de Phifon
van Mofesis, zyn. 1. De overeenkomft van de
naam Phafis en Phifon. 2. Deszelfs oor-
{prong koomende uit groot Armênien, en
aldernaaft by de oorfprong van de Euphrates,
aan welkers oorfprong niemant twyfelt, dat
Mofes het Paradysgeftelt heeft. 3. Deover-
een-
(a) Vid. Afie nova deftriptio Anonymi. Parifis
a656, in Folio Lib, 4. Cap. z6.
nie nde
mk mk an nt ne
EE de de
Mey en Jany 1719. 48r
eenkomft van de naam Colehis en Chavila.
4 De melding der drie natuurlyke zamen=
ftremzels of zaaken, dewelke Mofes gedaan
heeft, namentlyk het Goud en deszelfs aard;
dat het goed was: endede Bedola: en de fteen
Sardonix ‚ volgens de meermaal aangehaalde
woorden van Mofes., (a) De waam der eerfte
Rrviere is PISON (of Phifon:) deze és
het die bet ganfcheland van HAVIL A om-
loopt, daar het GOUD is: Ende hee GOUD
dezes lands is goed: daaris ook BEDOL A,
en de fleen SARDONIX.
93:
Ik heb in het Nen en Konft-Kabinet
van de Maanden Maart en April 1719. pag.
267. uit het elfde Boek van Strabo (behalven
dat ik noch van de Goudrykheid van Colchts
uit Plizius en andere elders gezegt hebbe ) al
aangetoont, dat de Maflageten en Sarmaten,
dewelke aan de zwarte Zee en aan het Meeo-
tis meir woonden, overryk van goud waren:
als ook pag. 274 en 275. in het zelfde Kabi-
net uit de zelve oude Sérabo, dat de Fabel
van Jafon, dewelke het gulde vlies van Colchis
haalde), verziert is, omdat de oude Scythen *
of nu Zarters, dewelke omtrent het Luand-
fehap van Colchis , teweten tuflchen de
Zwarte Zee en de Cafpifche Zee woonden,
overvloeiden in rykdommen van goud, het - -
welke zy in doorgeboorde en met gaten ge-
werkte tafels, en daar overgefpanne vellen;*
uit de goudryke Rivieren , dewelke door haas
re Landen vloeiden, vifchten; welk goud Fe
Hh 2 Jon
(a) Ziet Genef?s II: versxx. en 23,
482 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Son met zyn vloot als een roof var daar heeft
weg gehaalt. Die,‚nu ervaren is in de aaloude
Schryvers, zal wel weeten, dat deze Rivier
PrHasis ouwelings wegens de reistogt van
Jafin vermaart is geweeft, het welk niet wei-
nig geloof zoude byzetten aan de onderftel-
ling van de Heer Reland, voornamentlyk als
wy aan de Heer Reland toeftaan, dat ten ty-
de van Mofes de noorderlyker geweften van
Afia,boven Colchis en de Phafis, en noch veel
minder de Europifche Landen, dewelke daar
aan volgen, zeer weinig bekent waren: dat
wy dierhalven voor ’t Land Chavila van Mon
fes niet gehouden zyn, om daar alleen voor te
neemen Colchis als Colchts, maar zelfs wel
eenige deelen van oud $cythie of Tartarie
daar aan grenzende; en andere Landen, als
in dien tyd onder haar verfcheide verdeeling
van Landfchappen, en byzondere Volkeren en
Koningryken noch niet bekent, behalven dat
de aaloude Scythen zelfs eerft haar oorfprong
hebben genomen in die Land-engtens en Ber-
gen tuflchen de Cafpifche en Zwarte Zee, of
liever tuffchen de Rivieren ARAXES en PHa-
SIS; dus fpreekt (a) Diodorus Stculus. De-
ze SCTTHEN bezaten in't begin maar een
gering Landfchap ‚ maar naderhand vermeer-
dert door beldhaftigheiden vermogen, behbbeu zy
vêéele Landfchappen in haar geweld gekregen,
en zyn tot groot vermogen en roemruchtigheid
opgeklommen. Want ouwelings weinig in ge-
zal zyade., en om haar geringbeid veracht ,
W0Onr-
(a) Vid. Diodori Siculi Lib, IL, 43. &* Hadar, Relandi
Differtatiode Paradifo,
Mey en Funy 1719. 483
woonden zy aan de Boorden van de Vloed
Araxes.
94:
Als nu de Bedola of Bedolach , daar Mofes
van melt, datin het Landfchap Chavila valt,
het Kriftal is, gelyk de Heer Reland oordeelt ;
en de Schoham, die in onze Bybel Sardontx
vertaalt word, de fteen Smaragdusis, zoude
de Heer Reland zeer fraaie bewysftukken hier
uit verkrygen, dat Chavila Colchis is, ende
de Phafisde Phifon van Mofes: want wat het
Kriftal belangt, het is bekent, dat het zelfde
nergens beter gevonden word, als in de zeer
koude en met fneeuw omgorde Bergen van
den Zaaras „te weten de Caucafus , naalte buur-
man van Colchis, de Zwarte Zee, en de
Cafpifche Zee; ja zelfs de Rivier TmERMO-
DON, die zich in de Zwarte Zee níet ver
van de Phafis ontlaft, is door zyn overvloed
van Kriítal vermaart.
95:
Als nude fteen ScHoHaAM van Mofesde
groene en edele fteen Smzaragdus is, na de
gedachten van de Heer Reland, zoude niets zo
licht en gemakkelykzyn, alstebewyzen , dat
deze in ’t Land van Colchts of Scythie gevon-
den word, dusfpreekt Plinius by de Heer Re-
land, De befte en fchoonfte Smaragden zyn
die van Scythie, daarom ook de Scythifche ge-
naamt, en zo veel als de Smaragden van de
andere gefteentens verfcheelen , gaat de Scy-
thifche Smaragd de andere Smaragden te bo-
wen. Solinus regt op de volgende wys by dêzelve
Heer Reland: Dit ( Afiatifch Scythia) is het
Hh 3 Vader-
484 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Waderland van de Smaragden: want niet te- —
genftaande de Smaragden van Egypten, Chal.
cedonie, Meden enz. is de grootfte eer aan de
Scythifche Smaragden. Ik zalhier vanafgaan,
dewyl dit by een iegelyk bekent is,
6
go: °
De Rivier Phaf/is, het Land van Co!chis,
en de Zwarte Zee, ja zelfs geheel opper 4r=
menien is aan de hedendaagze Europifche
Wereld zeer weinig bekent, dewyl dezelve
bewoout worden van zeer ongecivilifeerde of
ongeleerde ‚en onkundige menfchen, als Zur=
ken , Tartareun, Moftoviters, Cofakken , Cir-
cafliers, hooge Polakken , arme Armeniers ,
Mingreliers, en ook alderhande Arabifche en
andere roovers enz. het welk de gemeen-
fchap zeer belet, en zeer weinig Reizigers de-
ze landen naauwkeurig durven gaan befchou-
wen; anderzins (zegt de Ridder Chardin in
zyne Reizen door de Zwarte Zee, Colchis
of Mingrelie) dat nergens korter weg te vin-
den is van Cozflantinopolen op Perfien, als
over de Zwarte Zee op Colchis door Arime-
zien op Perfien, in welk geval gevaren word
in drie à vier dagen van Gozffantinopolen met
een zaike op de vermaarde Stad Gaffa over de
Zwarte Zee, dewelke legt op het byna-Eiland
de Krim, het welk van de Krimfche Tarta-
ren bewoont word; en wederon: van de Stad
Caffa de Zwarte Zee over tot op Golchts of
Mingrelie, daar de Phafis in de Zwarte Zee
valt. Deze vaart gefchiet langs de boorden
vande Zee, daar gedurig geankert word, en
wederzyds met de wapens in de hand beid
eze
Mey en Funy 1719. 485
deze woefte menfchen gehandelt, dewyl dit
Volk nooit betrouwr kan worden, als onder
Oftagiers 10 van de Schepen als van ’t Land.
Deze menfchen zyn eerft Chriftenen geweeft,
maar hebben nu.geen andere Godsdienft, als ee»
nige Ceremonieg van de Chriftenen en T'ur-
ken haare Buuren, De eerfte Haven, daarde
Turkfche Koopfchepen aankoomen van Coz-
Jlantinopolen op Colchis of Mingrelien, word
ÍscAOuRr (a) genaamt: de Rivier de Prasis
in Mivgrelien word van de Turken heden-
daags de FacHs genaamt, en van de Miz-
greliers RTONE.
97
Het Land van Colchts, daar de Rivier Pha-
Js is, wordzeer Water- en Rivier-ryk gevon-
den, vol heuvelen, bergen en valeyen, en
geheel byna bedekt met bofchadien, zeer nat,
waterachtig en ongezond; daar worden. wei-
nig menfchen boven de 6ojaar gevonden; en
in geheel Mingrelien of Colchis Stad noch
Dorp, alstwee Plaatzen aan de Zwarte Zee,
en dat in een Luaand, het welk over de hon-
dert mylen lang , en over de zeltig breed is,
maar de huyzen en hutten {taan in Miggrelie
verfpreidt, zo dat iemant naauwlyks duizend
voet{tappen kan gaan, zonder twee of drie
huizen te ontmoeten. Colchis is hedendaags
weinig bevolkt, en heeft niet boven detwin-
tig duizend inwoonders, dewyl zeer veel door
den: oorlog van haare Nabuuren omgebragt
zyn.
Hh 4 ej! Na
(a) Ziet Voyage de Monfr. le Chevalier Chardin,
de Paris a Ifpahan , Tome prenuer.
486 Natuur-en Konft- Kabinet,
98.
Na dat wy een weinig van de Eigenfchap-
pen en Hoedanigheden onderzocht hebben van
de twee beroemde Rivieren (na ’t gevoelen
eniger zeer geleerde Mannen) de Prrson
of PrHasis, en de GiHoN of de ARAXES;
en nadatik éen vouwe fchets van de oorfprong
en voortvloeying vande EuPrurATES of
Rivier PHRATH, ende Tickris of HIDDEKEL
van Mofes hebimede gedeelt, zal ik noch eenige
Eigenfchappen van de groote Watervloeden, de
Enpbrates en Tigris, aanmerken,
99.
Plutarchus verhaalt in zyn Boekje van de
Vloeden, dat inde Euphrates een fteen groeit,
bydeoude AsTicEs genaamt, dewelke de
vroedvrouwen de moeyelyk-baarende Vrou-
wen ouwelings op de navel leiden : dat in de
Eupbrateseen Kruidgroeit, het welke Exar-
LA genaamt wierd, het welk de menfchen,
die aan ‘de vierdendaagze koorts waren ,
op de borft gelegt wierd: dat by de Eupbra-
tes de Berg Drimyllus geplaatft (taat, in wel-
ke Berg de edele (teen SARDONIX groeit,
dewelke de Koningen onder haare Koningly-
ke Cieraaden gebruikten, en deweike in warm
water gelegt zynde, veel dienft voor zwakke
oogen dede,
nO0,,
De Rivier Zigris, dewelke van meeft alle
Schryvers gehouden word om veelredenen,
(dewelke ik om myn kort beftek niet zal by
brengen) voor de Hiddekel van Mofes, heeft
zyn naam om de {nelheid van zynloop; dezel-
ve
Mey en Funy 1719. 487
vé is niet zo groot als de Eupbrates, maar
heeft echter een grooten roem, en dezelve
‘zal na dezen zo wel als de Euphrates ons (tof
genoeg geven , om van dezelve breeder te
fpreeken,
Wierde verhandeling van het GOUD,
waar in de hedendaagze Kenniffe en
Wetenfchappen des Gouds „en der Goud-
mynen van Europa, Afiaen Africa vere
toont worden, benevens een beginzel en
. inleiding tot het Bergwerkers Ambacht.
mi
N de (a) eerfte Verhandeling van het Goud,
heb ik de Kennifle, dewelke de aaloude van
het Goud hebben gehad, aangetoont. In de
tweede Verhandeling van het Goud, heb ik ge-
handelt van de (4) Goudmynen van Amersca.
In de (c) derde Verhandeling van het Goud
word herBladgoud-flagers Ambacht naauwkeu-
rig befchreven, Maar opdat myn Natuur- en
Konft-onderzoekende Lezer een ryk denkbeeld
en uitgeftrekte Kennifle van het Goud mag ver-
krygen, zal ik in deze vierde Verhandeling
van het Goud zaaken verhaalen, dewelke de
Lezer hooger en nader tot de kennifle des
Hh s Gouds
(a) Ziet Natuur- en Konft-Kabiner, Maart en A=
pril 1719. van pag. 254 tot pag. 288.
‚b) Ziet Natuur- en Konft-Kabiner, Maart en A-
pril z71rg. van pag. 298 tot 338.
(cj Ziet Natuur- en-Konft-Kabinet, Maart en A=
pril 2719. van pag. 338 tot 352.
488 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Gouds zullen opleiden, als de voorige Ver-
handelingen.
2.
Ik heb voor dezen aan den Lezer getoont,
dar de Erts of de Goudfteen, daar het Goud
meeft altyd meer of min als onzichtbaar door
en door vermengtin groeit, gemeenlyk in de
Goudmynen der aaloude Egyptenaaren , Span-=
jaarden, en zelfs hedendaagze Amertkaanen,
zeer hard en onbewerkzaam was, behalven
dat noch de rotzen en bergen, daar deze
Goud-erts aders- en taks-gewys doorloopt ,
dikwils enkeld vaurfteen, of van het alder-
hard{te marmer is; en dat zulks de reden is,
waarom met zo weinig voordeel zelfs in de
ryke Goudbergen gewerkt word, en waarom
het meefte Goud door Goud-viffcheryen en
Goud-waffcheryen uitgemeubelt word.
Behalven deze ed mag de Lezer wel
gelooven,, dat de grond, daar het Goud-erts
in groeit, echter zeer ongelyk in zachtigheid
ot hardigheid gevonden word , en dat de
Goud-erts of Goud-(teen zelfs „veel van zelf-
ftandigheid en byftoffen verfcheelt ; als by
voorbeeld : wanneer het Goud gevonden word
in de Orsentaalfche Lapis Lazult of Oofter-
fche Lazuurfteen, dewelke in de Goudmy-
nen in Indiën, en zelfs op veel plaatzen van
hoog Egypten gevonden word. Deze La-
zuurfteen is een (teen van een fchoone hemels-
blauwe koleur , door dewelke zeer veel punt-
jes, flipjes en adertjes goud heen zwieren.
De Lezer kan wel begrypen, dat de Goud-
fteen
… Mey en Juny 1719. 489
fteen van die natuur dubbeld voordeelig moet
zyn; want behalven dat dezelve goud uitle-
vert, dient het geheele overfchot van de Steen,
dat geen goud is, om van het zelve te berei-
den de zeer koftelyke blauwe vert of fchilders
koleur, dewelke Ultramarin genaamt word,
en van dewelke ik naauwkeuriger zal hande-
len, als ik van de natuur en eigenfchappen van
de Lazuurfteen{chryve. Het (a) gebeurt zelfs
menigmaal, dat het Goud zuiver inde Mynen
gevonden word , het welk ook zomtyds plaats
heeft in het zilver ‚dog zeer zelden , en zeer dik-
wils in het Koper, en noch meermaal ín het
K wikzilver,maar zeer raar omtrent het Yzer,en
byaa nooit omtrent het T'inen Loodt. Buiten
het zuivere Goud word ook de Bergrerts voor
de rykfte gehouden van Goud , die een groe-
ne koleur in eengeele grond heeft, of dewel-
ke geel is, of purper, en zwart onder geel ;
of cok wel de Goud-erts, dewelke van bui-
ten een roode, en van binnen een goudglan-
zige koleur vertoont: zodanige goud-{teenen
zyu dikwilszoryk , dat zy meer gewicht Goud
als (teen uitleveren; zelfs mag de Goud-erts
voor zeer ryk geacht worden, als in hondert
ponden goud-erts noch maar drie oncen zui
ver goud gevonden worden, om dat het Goud
in waarde zo ongemeen by de andere Metalen
overhaalt,
4:
Zelfs word het Goud dikwils gevondenin
een zeer mollige enzachte aarde, en zulks
zo wel op plaatzen , dewelke natuurlyk altyd
nat
(a) Vid, Georg. Agricola de Re Metallica, Lib.V.
490 Natuur-en Konft-Kabinet,
nat en flikkerig zyn, als in drooge aarde op
drooge plaatzen, voornamentiyk ín graauwe
aarde, die zich als uitgebrande Caput mortuum
vertoont. Nu dient de Lezer in dit geval
aan te merken, dat het Goud in deze aar-
deniet gevonden word op de wys als in de
gronden en zanden der Rivier, daar het
zand- en korrel- en erts-gewys ingewikkelt
legt, onder de kley- modder- of zand-gron-
den, maar deze aarde is als het Goud-mineraal
zelfs, daar het Goud uitgekookt moet wor-
den, en het goud is als wezens-gewys met
dezelve verenigt.
+ Se
Gelyk ik verhaalt hebbe, dat het Goud in
de Lazuurfteen gevonden word, gebeurt het
ook dikwils, dat de Chryfocolla of de rau-
we Borax met goud is bevrucht, als ook de
Auripigment of het Konings geel en de Saz-
derac, teer menigmaal meerder of minder
zuiver , word ook het Goud gevonden in de
key-fteen van verfcheide foort, in de ley-fteen
of blaauwe leyen, en eindelyk in de vuur-
fteen van alderhande koleur; hoewel in de
vuur-fteen zeer zelden en ook zeer weinig
goud gevonden word. Zomtyds word zelfs
in de fteenige of zandfteenige Sub/tantie van het
marmer-fteen een weinig goud gevonden,maar
deze fteenen zyn gewoonlyk in de rotzen of
bergen, daar het goudin zyn eigen goud-erts
aders-gewys in groeit.
Wanneer het Goud- of Zilver-erts in het
ope-
Mey en Juny 1719. 491
openen van een Myn eerft ontdekt word,
is het eerfte werk om te beproeven het rechte
gehalte der nieuwelyks ontdekte Erts, dat is.
1. Deszelfs waardy in goud of zilver, of an-
der metaal. 2. De hoeveelheid van deszelfs
goud, zilver of ander metaal, ten opzicht van
de hoeveelheid van het onnutte en verwerpe-
Iyke. 3. De Aloy van het metaal, het zy
goud, zilver enz. , dewyl na de verfcheide
Landen en Plaatzen , en Mynen, daar het
goud uit gehaalt word, deszelfs waardy en
aloy ongelooflyk verfcheelt, te weten, als het
alten uiterften gezuivert is. 4. Met welke
andere Metalen de Goud-erts gemengt en ver-
enigt is ‚namentlyk of met zilver , of met koper,
dat meett altyd gebeurt, of met andere Metalen.
$. De Waardy van de andere Metalen , dewel-
kete gelyk in dezelve Erts gevonden worden.
6. Welke foorten van Steen of Stof buiten en
behalven deze Metalen in de Erts gevonden
worden,en waar dezelve dienftig toe zyn, als
byvoorbeeld tot Verfltoffen,tot potte-of fteent-
jesbakkeryen , tot verfcheide Ambachten en
Handwerken enz. benevens veel heerlyke en
vruchtbaare waarnemingen, dewelke alle met
de uiterfte naauwkeurigheid en oplettentheid
befchreven zyn in verfcheide Boeken, uitgege-
ven van verfcheïde geleerde Duitfchers, onder
andere van de beroemde Georgius Agricola,
en wel voornamentlyk van Lazarus vanErker,
dewelke bovenalleandere , die voor hem zyn,
naauwkeurig over deze Proef konft der Ertzen
gefchreven heeft; mitsgaders de naauwkeuri-
ge
492. Natuur-en Konft-Kabinet ;
ge en zeer voortreffelyke (a) Job. Rudolph:
Glaunberus.
"A
Ik moet, terwyl ik hier van deze Probeer-
konft {preek , een overweging en Opinie van
veel Geleerde Metaalkundige aan den Leezer
mede deelen, Veele van deze Mannen zyu van
gevoelen, dat de Meralen alleeniyk maar in
meerder of minder rypheid van malkanderen
verfcheelen , en dat het Goud het rypfte en
volkomen(t gekookte, Metaal van alle de
Metalen is; dat ook het onderfcheid van meer-
der of minder Aloy tuflchen Goud en Goud
alleenlyk in meerder volmaaktheid en rypheid.
beltaat ; mitsgaders dat in alle de andere on=
volkome Metalen, (als Loodt, Tin, Yzer,
Koper, Kwikzilver) Gouden Zilver als iu
opgefloten legt, dat is: dat het rypfte, zui-
verlte en volkomenfte wezen dezer onvolko=
me Metalen enigzins nader aan ’t goud of zilver
helt, alsaan het groove en onvolkomen wezen
des metaals, waar van't zelve (na haar mening)
als de ziel zoude zyn. Ik zal nu niet verder
toonen, waar dit gevoelen heen wil leiden,
noch ook, dat het zelve geboren is uit een
afgetrokke denkbeeld en de redenering van
overgang tot gelyk, dog ik zal hier maar in
bedenking geven, of dit niet noch een gebrek-
kelykheid aan de proefkùünde der Metaal-ert-
zen en Metalen influit? Waar noch by koomt,
dat
Ca). Ziet zyn Philofopbifcher Oefen vierdter
theil Cap. 11.
Mey en SFuny 17 ug 493
dat de Proef door de Capel dan ook niet door
zoude gaan. 8
Het afdryven der onreine Metalen , door
behulp van het loodt, het welk door de Capel
gefchiet , is wel by de Bergwerkers het alder-
gemeente, om het zilver en goud te doen
ftaan ente zuiveren, maar behalven dezen om-
flag kan iemant in zeer korten tyd ontdekken,
welke foort van Metaal in zyn Erts gevon-
den word. Neemt (a) by voorbeeld van uw
ruuwe Berg-aarde of Erts 1 of2 greintjes zeer
fyn gefloten en gewreven, mitsgaders van het
zuiverfte doorfchynenfte Venetiaanfch of En-
gelfch glas een loodt insgelyks klein gewre-
ven; mengt deze beide poeders zeer wel on-
der malkander, en fmelt het zelve in een toe-
gefloten fimelt-kroesje in de fmelt-oven; als
gy de gefinolte ftof uit dfimeltkroes giet, zult
gy ontdekken, dat het glas alle de Berg-aar-
de of Berg-erts na zich heeft genomen, enals
verzwolgen en ontbonden heett.
9.
Het glas op deze wys met Berg-erts vere-
nigt, zal koud geworden zynde een geheel an-
dere koleur hebben aangenomen, en uit deze
koleur kan een kender van deze zaaken date-
yk weêten, welke foort van Metaal in deze
Erts of Berg-aarde opgefloten legt, dewyl
elk byzonder Metaal met glas ingefimolten en
verenigt zynde, ook aan het zelve zyn byzon=
dere
(a) Ziet F. R. Glanber Yhilofophifcher Dee
en! bierdter theil,
494 Natuur-en Konft-Kabinet,
dere koleur uitreikt, het welk overvloedig be-
kent is by de Toebereiders van het Amaus of.
het Amolieer-glas, of loth-of fmelt-glas, dat
van glas, en van tin- en loodt-afch gemaakt
word, en na zulks de werkmeefter behaagt,
door ’t byvoegen van eenige greintjes van het
eene of ’t andere Metaal, het zyyzer, zilver,
koper, enz. ook gekoleurt word.
Io.
Door deze Proef kan iemant datelyk te voo«
ren ontdekken, welk Metaal in de Erts be-
floten is, en of hy het demoeite waardig oor=
deelt, om de proef door de Capel aan te leg
gen, of met loodt, zoals zulks genaamt word,
en na dezen befchreven zal worden, de onrei=
ne Merta'en van het goud en zilver af te dry-
ven. Voorwaar deze voorproef word dikwils
zeer nodig by de Bergmeefters geoordeelt, om-
trent het beproeven en het onderzoeken der
afgelegenfte Mineralen of wilde Berg-erizen,
zo als dezelve by de Liefhebbers genaamt wor=
den: gelyk by voorbeeld de Bloed-(teen of La-
p:s Hematitis, de rouwe Granaat, de
Schmirgel, de zwarte of rode talk enz. die
zomtyds (na’t fchryven vanzommige) goud
of zilver in houden konnen, en dikwils ver-
worpen worden , om haar onmengbaarheid
met het Joodt, en derhalven niet door de Ca-
pel konnen geprobeert worden. Dezeen vee-
le andere Berg-ertzen, zeggeik, dewelke an-
ders. als onnutte zaaken dikwils weggewor-
pen worden, konnen beproeft en getoetft
worden met de vereniging, en infmelting,
en verwing van het glas.
Als
Mey en Juny 1719. 495
Nee
Als nu het glas met een weinigje Erts of Berg-
aarde, of Berg- of Metaalfteen gefmolten en
vermengt is, zal het een meer-groene koleur
aanneemen van de Berg-erts, wanneer dezel-
ve koper in zich behelft ; maar byaldien het
glas een gras-groene koleur aanneemt, zulks
is een teken, dat deze Erts beftaat uit koper
en yzer. Byaldien het glas door de vermeng-
de erts roeftig-geel van koleur word, is de
Myn meeft van yzer; verkrygt het een zeer
bleek-geele koleur, is de erts meeft beladen
met tin ; als het glas hoog goud-geel of ro=
byn-rood gekoleurt word door de ingefinolte
greintjes Erts, is zulks een teken van zilver:
verkrygt het glas een fchoone blauwe of fap-
phir koleur, is zulks een teken van goud:
wanneet het glas een koleur van een fmaragd
verkrygt, is zulks een teken, dat beide goud
en zilver in de Berg-erts huisveft : maar wan-
neer het glas door de ingefimolte erts de ko-
leur aanneemt van een Amatiff, is zulks een
bewys, datgoud, zilver, koper en yzer te ge-
lyk in zodanig een Erts opgefloten leggen;
het welk alles een Lezer, die immermeer met
het glaste koleuren , en amolieer-glazen van al-
derhande fchoone koleuren te maaken, bezig
is geweeft, wel dikwils ondervonden zal heb-
ben , hoewel in het verenigen der Erts met glas
nog wel meer by-koleuren en veranderingen
voorvallen, als in de infmelting en vereni
ging van glas met zuiver metaal.
12.
Behalven de gemelde Voorproef met glas,
li kon-
406 _ Natuur-en Konff-Kabinet,
konnen ook de Ertzen en Meraal-{toffen voor-
beproeft worden door Salpeter: zelfs levert
deze proef met falpeter, na het getuigenis van
de Heer Glauberus, meer zuiver goud of zil-
ver uit de aarde of erts, als naderhand met
het loodt uitgelevert word ‚voornamentlyk uit
de metaal-aardens, daar ottin, of yzer of koo-
per in gevonden word, Hier uit maakt de
Heer Glauberus een befluit, dat het loodt de
rechte en onfeilbaare proetmeefter der Meta-
len noch niet is; anders (vervolgt die Schry=
ver) zoude het loodt in het groot daar kon-
nen uitleveren , het geen in * klein doorde
falpeter daar uitgehaalt word.
ra:
De proef der Mithaldetded door de falpe-
ter gefchiet op de volgende wys: daar word
een mengzel toebereidt van een deel goede zwa-
vel, twee deelen zuivere wyn-fteen , en vier
deelen wel gereinigde falpeter ; dit 'mengzel
word zeer fyn geftooten, en by twee loodt van
het zelve word gevoegt een vierde deel van
een loodt van de fyngeftooten Erts of Metaal-
aarde, dat is een deel berg-erts, en acht dee-
len van dit mengzel ;. doet alles in een fmelt-
kroes, en werpt in dezelve gloeyende koolen,
gy zult datelyk een grouwzaame brand en vier
verwekt zien : als de metaal-aarde of erts in
de eerfte maal noch niet genoegzaam, noch
alles van dezelve verbryzelt is, kan door het
bydoen van een weinigje des mengzels en in
brand fteeking deszelfs, zulks vervordert wor-
den; deze ftof, dewelke dan overblyft in de
kroes,
Mey en Funy1719. 497
“kroes, is als een zout, daar de ontbonden
erts of liever het metaal in opgefloten legt.
; 14.
Ditzout, ofliever deze ontbonden Metaal-
erts, word in een andere kroes , dewelke fter-
ker is, overgedaan, en in een heete gloed
zo lang gezet en gekookt, dat dezelvein glas
overgaat, het welk uitgegoten zynde een klein
korreltje goud of zilver by zich heeft, het
welk deze metaal-aarde of erts heeft uitgele-
vert: nu moet niemant oordeelen ‚dat dit een
zelfftandigheids verwiffeling of transmutatie
is, teweten dat of het koper, of het yzer, of
het tin in een weinig goud was overgegaan,
Ò neen! zulks is maar een fcheiding van het
weinige goud en zilver, dat in die metalen
verhoolen legt ‚en door de proefmeefter, tewe-
ten het loodt, daar niet uit te haalen is; waar
door de Heer Glauberus tracht te bewyzen.
1. Dat het loodt de onfeilbaare proefmeefter
der Metalen niet moet geacht worden. En
2. dat in het tin, yzer en koper een weinigje
goud is, alfchoon het door ’t.uitdryven met
de Capel niet getoont kan worden.
15.
Daar zyn veerdertnide wegen, om de Me-
talen van malkanderen te fcheiden, behalven
de proeven , dewelke ik aangehaalt hebbe;
maar ik zal dezelve by een andere gelegent-
heid mede deelen, en na dezen toonen , op wél-
ke wyzedefcheidingen , het zy door fterk water,
door kwikzilver, door koningswater, door
Antimonie, door zwavel en loodt, door de
Eis klok,
498 Natuur-en Konft-Kabinet ,
klok, door geeft van zout , door uitbranding;,
en door andere wegen gefchieden.
KG Keen
Alhoewel ik te voren getoont hebbe, dat
hedendaags het meefte Goud uit America by
ons overgebragt word, zal echter aan myn
Lezer zeer wel bekent zyn, dat uit verfchei-
de Koningryken van Afia, en byzonderlyk uit
Africa, en zelfs uit verfcheide plaatzen van
Europa hedendaags Goud tot ons overgebragt
word.
id
‚… Wat het Goud van Africa belangt, het
zelve word door verfcheide Matiez van Euro-
pa meefl van de zo genaamde Guizeefche Goud-
kut enz, gehandelt en overgebragt. In het
jaar 1703. gef de fchrandere Heer Willem
Bofman , voor dezen Raaden Opper-koopman
tot d'Elmijxa , mitsgaders tweede Perzoon
van de Kuft „een naauw keurige befchryving van
de Guineefche Goud- Tand- en Slavekuft enz.
in’ licht,en geeft onder andere fchoone aanmer-
kingen een zeer naauwkeurig bericht van het
Goud dier Landfchappen.
18,
De Heer Bofman fchynt veel moeite gedaan
te hebben, om van de verafgelege Landen en
Koningryken, daar het Goud van daan koomrt,
kenniflëe te verkrygen, nuaar klaagt. 1. over
de onkunde dier Menfchen, by dewelke hy
zulks moefte onderzoeken , en 2. over de
ontoegangkelykheid der afgelege Plaatzen, en
Volkeren, dewelke gedurig in twift en oor-
log met malkander zynde, veel geweldena-
ryen
Mey en Juny 1719. 499
ryen pleegen; echter heeft die naauwkeurige
Nederlander ons meer licht gegeven, als ooit ie-
mand te vooren, en getoont, van hoe veel
verfcheide Volkeren en Luandfchappen diep
uit het land de Kooplieden dezer Natien haar
Goud aan de plaatzen en fterktens van de Kuft
koomen verhandelen.
19.
Het eer{te Landíchap, zegt de Heer Bof-
man, daar wy ons Goud van daan krygen;
is genaamt DiNKIRA, en legt zo diep land-
waarts in, dat onzedienaars , wanneer zy van
d'Elimiga daar na toe trekken , gemeenlyk
vyf dagen onderweeg zyn, hoewel de wegen
juift altyd niet heel recht leggen, maar zeer
krom omloopen. Wanneer de Ingezetenen
van Diskira noch in haar grootte vermogen
zaten, hadden zy noch drie andere Luand-
fchappen onder haar geweld, in dewelke ook
eenig dog zeer weinig Goud wierd gevonden;
het eerfte Liaand{chap is W Assa, het twee-
de EMCASSsE, en het derde JUFFEX.
20.
Het Goud, vervolgt de Heer Bofmau , dat
ons door de Ingezetenen van Dizkira word
aangebragt, is zuiver en goed, uitgezondert
dat zy het te veel met Betiches vermengen ;
deze Fetiches is alderhande flag van gemaakt
Goud, en‘daar onder eenige dingen van een
geheel aardig fatzoen. Deze Fetiches weeten
zy in vormen van zwarte en geheel zwaare aarde
te gieten, en daar zodanige gedaante, als haar
goeddunkt‚aante geven. Dit gemaakte Goud is
zomtyds met een vierde, en ook wel de helft
Er3 ‘ zilver
soo Natuur-en Konft-Kabinet ,
zilver en kooper vermengt; echter getuigt de
Heer Bofman, dat deze Zwarten haar dezelve
onder het goud-handelen voor goed Goud op-
dringen, ja zodanig, dat als de Ewropsanen
dezelve niet willen aanneemen, zy te gelyk
ook het zuivere Goud wederom na zich nee=
men. Zomtyds hebben zy wel Fetsches van
goed gegoten berg-goud , maar deze willen zy
zelden verhandelen, om dat zy zich met de-
zelve opcieren : zomtyds verhandelen zy deze
Fetiches van goed berg-goud wel,maar zodanig,
dat zy zeer verborgen vol zwarte aarde fteeken,
waar door menig Handelaar door haaglieden
bedrogen word.
za
Na het Landfchap van Dinkira volgt een
tweede Landfchap , daar de Heer Bofman heeft
aangemerkt dat Goud valten van daan ge-
bragt word , namentlyk het Landfchap A-
CANNy. De Inwoonders van dit-Landfchap
zyn langen tyd voor die van Dizkira omtrent de
Goudhandel berucht geweeft ; zy kwamen niet
alleen ter matkt met het Goud van Afian en
Akim, maar ook met het Goud, het welk in
haar eigen land viel: ook was het Goud, het
welk zy bragten, zo zuiver en zo goed, dat
noch hedendaags de Negers het befte Goud
in ’talgemeen met de naam van Acanzys Goud
doopen. Het Goud van deze Lieden was
niet alleen zuiver , maar ook geenzins met
gemaakt Goud of Fetiches gemengt, gelyk van
die van Dinkiragezegt is,
zkt
Het derde Landfchap, daar de Heer Bof-
Man
Mey en Funy 1719. Sor
man getuigt , dat Goud gevonden word, is
het Luandíchap Akim; dit levert (zegt dezel-
ve) zo menigvuldig veel Goud uit, als eenig
Land, waar van wy tot noch toe kennifle
hebben ; het is ook het deugdelykfte, dat van
de Kuft word vervoert. Het kan door zyn -
donkerheid lichtelyk van ander Goud ondere
fcheiden worden, zonder Fetiches of Kake-
raas, welke laat{te gekapte (tukjes Goud zyn .
van aan (luk gekapte Fetiches zeer klein, en de-
welke voor geld in de dagelykze marktgang en
inkoop van behoeftigheden gebruikt worden.
23
Behalven deze eland telt de
Heer Bofman onder de goudryke Liandfchap=
pen. 4 Het Landfchap AstANTE, en fchoon
dit maar zedert weinig jaaren als goudryk be- -
kent is geweeft, word het zelve echter ryker
in Goudgeoordeeltte zyn als Dizkira. Het
goudryke Landíchap is ANANSÉ , het
welk tuffchen Afrante en Dinkira inlegt. Het
6. Laandfchap , daar Goud valt, en daar voor
dezen op de Kuft veel Goud uit overgebragt
wierd, is het Awinefche Landfchap, De
Heer Bofman verklaart, dat het Goud, het
welk uit Awize gebragt wierd, van zeer goed
aloy was, maar dewyl deze men{chen zo on-
gelukkig zyn, van onder geen goede Regeer-
kunde en difgipline te leven, ruineert dikwils
de eene Natte (door onbezuisde en roekeloo=
ze Oorlogen) zozeer deandere, dat zommige
„Natien voor eenigen tyd als verdelgt en uitge-
roeit fchynen, of ten min(ten onder de fla.
verny van haar Overwinnaar elendiglyk moe-
li 4 ten
5oz Natuur-en Konft-Kabinet,
ten leven. Waar van verfcheide voorbeelden
by de Heer Bofiman te vinden zyn.
24.
Niet tegenftaande dn de Kuft van Guizea
uit alle de voorverhaalde Laandfchappen Goud
word aangebragt, bekent echter de Heer Bof-
man Leer oprechtelyk, dat hy gelooft, dat
noch niemant van onze Natie de rechte Goud-
mynen van de Geizeefche en licht verder afge=
lege Koningryken heeft gezien , want de Zwar-
ten, zegt hy, (die deze zaak als een heilig-
dom aanmerken } zullen alle middelen aan-
wenden om daar andere uit te houden.
25e
Het Goud, zegt de Heer Bofman, word
op driederley plaatzen in de Koningryken en
Landfchappen van China gevonden. 1. In
en tuffchen het gebergte, daar de Negers, als
zy gewaar worden dat daar goud is , diepe
kuylen graaven. 2. Aan, in en omtrent ee-
nige goudryke Rivieren en Watervallen, daar
zeer groote en fterke affpoelingen van aarde
gevonden worden, welke aarde door ’t water
van de Bergen, ot andere hooge Plaatzen afge-
dreven word, en opdeze wyzehetgoud mede
fleept. 3. Aan de Zeekant, daar op verfcheide
plaatzen , gelyk aan d'Elminaen Axim kleine
fpruitjes gevonden worden, daar het Goud even
gelyk als aan de Rivieren na toe zakt.
26.
By deze fpruiten aan de zeekant koomen
eenige honderde Zwärtinnen , wanneer het
’s nachts fterk geregent heeft; een yder van
deze Zwartinnen is voorzien met een groote en
kleine
Mey en Funy 1719. 503
kleine bak: de groote bak fcheppen zy vol
aarde en zand, en roeren het zelve zo lang
telkens met water, dat zy daar op nieuw over-
gieten en overfpoelen, tot dat alle de aarde
uit de bak is gefpoelt ; want byaldien daar
eenig goud is onder geweeft, blyft het zelve
door zyn zwaarte op de grond van de bak leg-
gen, waar uit zy het in’t gemelde kleine bak-
je overgieten: dit gedurig hervattende , bly=
ven zy gemeenlyk van de morgenftond tot
de middag daar mede bezig, in welke tyd
zommige van deze Vrouwlieden voor vyf
a zes ftuivers, ook wel meer of minder, aan
goud hebben gevonden; dog het gebeurt
zomtyds wel, dat zy ftukjes goud van twee,
drie à vier guldens vinden, dog het is wat
zeldzaams 5 maar niet, dat zy een geheele
dag geheel voor niet hebben gefpoelt. De aarde,
dewelke zy uit de boven gemelde kuilen tuf-
fchen of in ’t gebergte hebben uitgegraven,
als ook de aarde en het zand, het welke zy
uit de Rivieren fcheppen, handelen de Zwar-
ten op de zelve voorverhaalde wyze, tewe-
ten met het affpoelen en uitwaflchen door
water , zonder dat zy zulks op een ander
wyze weeten te verrichten.
27.
Het Goud, dat deze menfchen op de boven
gemelde wyzeuitfpoelen en vinden, is twee-
derley ten opzicht van deszelfs geftalte r.
Het Stofgoud, dit is byna zo fyn als meel,
en is ook het alderbefte en in Europa het meefte
. waardig. 2. Stukjes goud van verfcheide
grootte, eenige kwalyk een oortje en zom-
bis tyds
so4 Natuur-en Konft-Kabinet,
tyds andere twee of drie hondert guldens waar=
dig of zwaar; hoewel van deze groote ftuk-
ken, vervolgt de naauwkeurige Heer Bofman,
zien wy zeer weinig, alhoewel ons de Ne-
gers willen verzekeren, dat dieper in het
land zodanige (tukken van een à twee dui+
zend guldens gevonden worden.
28. î
Deze ftukjes worden op de kuft Berg-goud
genaamt, en is, als het zelve gefinolten is,
van veel vetter en beter toetsals het Stof-goud:
dog de menigvuldige (teentjes , dewelke altoos
aan ditgoud vaft blyven, veroorzaaken groot
verlies in ’t Ímelten , en daarom word het
Stof-goud meerder geacht; dit is nu, zegtde
Heer Bofman , voor zo ver het zuivere en
goede Goud betreft.
29.
Het Goud, dat zy het gemengde noemen,
is met zilver en kooper doormengt, en zyn
de Fetiches, daar wy hier boven van gemelt
hebben. Deze Fetiches kappen de Zwarte
tot zeer kleine (lukjes, dewelke elk twee à
drie duiten waardig. zyn , om voor klein
geld gebruikt te worden, en deze ftukjeszyn
de Kakeraas, dus by de Zwarten genaamt,
daar wy van gefproken hebben. Dit Goud,
het welk van de Feziches gekapt word ; of
de Fetiches of liever dit gemengde goud is
dikwils niet meerder als twintig guldens de
Once in Holland waardig, en nochtans gaat
dit gemengde Goud over de geheele Kuft
meelt ín zwang.
De
Mey en juny 1719. sos
30.
De begeerlykheid des menfchen openbaart
zichin die Landenal zo hevig als elders: zy
heeft de Zwarten geleert, op alderhande wy-
zen het Goudte vervalfchen; zy gieten zom-
mige ítukjes zodanig, dat zy rondom dedik=
tevan een mes geheel goed Goud hebben, en
van binnen zyn dezelve niet anders als lou-
ter koper, ja zommige maar yzer ; ook is
het gemeene valfche berg-goud zilver, koo-
per en zeer weinig goud: dit mengzelis zeer
hoog gekoleurt, en fchynt goed Goud voor
de onkundige.
1.
De Zwarten beknsn noch een andere ver-
valfching van Stof, dewelke zeer wel na het
berg-goud gelykt; dit is , zegt de Heer Bof-
man, niets anders als_ftof van Coraal, de-
welke zy zo geeftig weeten te kooken, ente
- gieten en te koleuren, dat tu{lchen deze ftof
en ’t berg-goud geen ander onderfcheidt te
zien is of te ontdekken, als door de zwaar-
te; van deze maaken zy ook valfch ftof-goud,,
dog anderzins maaken zy het meefte valfche
ftof-goud van gevylt kooper, aan het welke
de Zwarten mede een fchoone koleur weeten
te geven.
#
Behalven veel B aanmerkingen , de-
welke de Heer Bofman maakt, over deproe-
ven en de kentekens van het valfche en zui-
vere Goud, fpreekt hy ook van ’t gewigt,
waar mede het Goud verkogt word aan de
Goud-kuft, beftaande in Ponden, Marken,
Oz-
so6 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Oxcen, en Engels. In Europa zynineen Oz-
ce twintig Engels , maar tot Guinea maar
zeftien Engels ineen Os ; noch daarenboven
rekenen de menfchen tot Gxizea door Pefòs,
maakende vier Engels ; en door Bezdos , be-
dragende twee oncen ; en vier bezdss bedragen
een mark, entwee marken een pond. Een pond
Goud beloopt na de gemeene waarde aldaar
ruim zes hondert en zeftig guldens; hoewel
hier omtrent is dat onderfcheidt, dat zom-
tyds het eene goud meerder waardig is als het
andere, of dat het goud op er: afflaat ; maar goed
goud,zegtde Heer Bofiman, rekenen wy tot Gui-
zeaaltyd drie mark duizend guldens waardig ;
en zo vervolgens het ander gewigt na evenre-
digheid. Boven het voornoemde gewigt ge-
bruiken zy tot Guinée noch een ander ge-
wigt, om alderhande kleinigheden mede af
te leggen; dit beftaat in zeker flag van boon-
tjes , waar van de kleinfte rood zyn met zwarte
ftippeltjes, genaamt Dambas: van deze doen
de vierentwintig een Engels goud, en is al-
zo elk boontje twee ftuivers. Behalven de-
ze zyn daar noch andere boontjes, dewelke
eens zo zwaar weegen als de eerfte, en doet
haar gewigt goud vier fluivers of iets meer-
der; zy worden Tacoes genaamt , en zyn
van koleur of geheel zwart, of wit met «
zwarte ftippels, Wat de Negers belangt, deze
hebben haar eigen gewigt, het welk zy
zelfs gegoten hebben, van kooper of tin; dit
gewigt is wel ânders verdeelt als dat der
Europianen aan de kuft, maar koomt echter
op een uit
De
Mey en Yuny 1719. 507
De Heer Heee zyne bedenkingen
over verfcheide fraaye zaaken laat gaan ,
geeft in overweging, of in die Landen niet
wel zeer veel Goud verloren gaat, met de
fteen en aarde, dewelke weg geworpen
worden ; en of door de ftoffcheikonft niet
wel met voordeel goud uit defelve zoude
konnen getrokken worden, voornamentlyk
door lieden , dewelke kennifle van Bergwer-
ken hebben. Hy oordeelt, dat niet alleen de
Mineraal-aarde, die weggewaflchen en weg-
geworpen word , noch met goud bevrucht
is , maar dat zelfs de Zwarten veel zuiver
goud en goude ftukjes verwaarloozen , de-
wyl dezelve maar dommelyk toegraaven,
zonder eenige kennis van de zaak te hebben,
of naauwkeurig acht te geven, om de ade-
ren der Goud-mynen na te fpooren; en dat
om die redenen uit deze Luanden en Koning-
ryken veel meer voordeel en goud te haalen
zoude zyn , als dezelve onder het Gebiedt
van de Staaten Geueraal waren gebragt, en
door derzelver hoog-wyze Regering wierden
beftiert , en tot nut en voordeel alles met
‚ maauwkeurig onderzoek wierd aangelegt.
4.
Ik heb ín myn Knie Verhandeling
over het Goud van America, zomtyds een
overflag gemaakt, wegens de geheele Ryk-
dommen , dewelke de Meynen aldaar jaar-
Iyks opbragten; ik zal uit de naauwkeurige
Heer Bofman mede deelen, hoeveel na zyn
oordeel de geheele Goud-kuft van Africa jaar -
Iyks
so8 _Natuur- en Konft-Kabinet,
Iyks aan Goud koomt uit te leveren. Ik
durf wel voor vaft (tellen, zegt die Heer,
dat deze Landen (in de tyd van Vrede on-
der dit Volk ) jaarlyks aan de Europianez uit-
reiken een fomme van zeven duizend Mar-
ken Goud, dat ís drie duizend en vyf hon-
dert Pondeg Goud.
35:
Het is wel een aanzienlyke fom, dewelke
jaarlyks aan Goud op de kuften van Guiree
verhandelt word ; maar, zegt de Heer Bof-
man , dezelve word onder te veel Natiez
verdeelt: want de Nederlandfche Weftindifche
Maatfchappy moet in haar aandeel van deze
zevenduizend Marken Goud maar gefchat
worden op vyftien hondert Marken Goud;
ende Engelfche Weftindifche Maatfchappy op
twaalf hondert marken goud, en zulks noch
ineen bloeyendetyd: De Zeeuwfche Enterloo-
pers of Lorrendrayers fleepen jaarlyks niet
minder weg alsde Nederlandfche Maatfchap-
PY, dat is ook vvftien hondert Marken; de
Engelfche Enterloopers of Lorrendrayers flee-
pen mede wel over de duizend Marken weg :
de Brardenbargers en Deenen fleepten
mede in de tyden van de Heer Bofiman wel
duizend Marken Goud van de Kuft. De
Portugeezen en Franfchen te zamen haar in-
koopfchat de Heer Bo/man op acht hondert
Mark Goud, het welk alles met malkander
zeven duizend Marken Goud uitmaakt.
ó.
De Zwarten, deva aande Zeekuft, en
aan de Forzen uit de afgelege hen 2
and-
mat in ee
Mey en Juny 1719. sog
Landfchappen koomen reizen, om haar Goud
aande Europianen te verhandelen, zyn 56
meenlyk de Heeren of de Meefters zelver
niet, maar derzelver befte en getrouw fte flaa-
ven: deze worden van de Meefters afgezon-
den , om te ruylen alle zodanige zaaken, als
haar zwarte Meefters uit Europa verlangen,
en dewelke meeft onder haar atie gewilt
zyn. Zodanig een by ons koomende, verhaalt de
heer Bofman , word van ons niet als een
flaaf , maar als een groot Koopman aangemerkt,
dewelke wy op alderhande wyze t'onswaarts
trachten te verplichten , vermits wy weeten,
dat zulk een, dewelke wel by zyn Meef-
ter laat, kan gaan handelen op wat plaat-
zen het hem gevalt, hetzy by de Engelfchen,
Deenen, Brandenburgers, of by de Hollan-
ders.
ze
_ Behalven dit edes, van Africa, het wel-
ke wy Guinde noemen, zyn in Africa veele
andere plaatzen ‚daar Goud gevonden word:
wantals wy Egypten na de hedendaagze wyze
mede onder Africa ftellen, konnen wy wel
begrypen, dat in dezelve Bergen, daar Dzo-
doris Siculus en andere van verhdalen, dat
de oude Egyptifche Koningen Goud uir lieten
raaven, nu noch overvloedig genoeg goud
te vinden zoude zyn; en wanneer wy in aan-
merking neemen , welk een grouwzaamen
Berg de groote Atlas is, dewelke door ge-
heel Africa heen loopt, kan de Lezer zich
genoegzaam verbeelden, welk een onnoeme-
Iyke
5to Natuur-en Konft-Kabinet,
lyke menigte Bergftoften, en onder die Goud-_
ertzen ‚in dezelve gevonden zouden worden.
8.
Op dat wy een bie: begrip krygen vande
overige Rykdommen van goud, dewelke in
Africa gevonden worden, zal het niet kwa-
Iyk zyn, dat wy een algemeen denkbeeld van
Africa vormen. Geheel Africa word, om zo
te {precken, byna rondom met Zee of Zee-
boezems omvangen, maar aan de ooflzyde —
heeft Africa het Land der oude Jooden of ’
Heilige Land, het ftenig en woeft Arabier,
als ook het roode Meer of de Arabifche Zee-
boezem, waar door het van gelukkig Arabie
en Afie word afgefcheiden; ten zuiden, en
daar het zich ftrekt mer een uitfpringende hoek
na de Kaap de Goede Hoop, word het door
de &thiophifche Zee vanhet onbekende Zuid-
land afgefcheiden ; ten weften heeft het de
grooten Oceaan, door dewelke Africa van
America afgefcheiden word; aan de noordzy-
de word Africa door de Straat van Gribralter
of ’t Naauw van de Straat, en door de Mid-
delandfche Zee, ftrekkende tot aan de //ih-
mus, of Land-engte die tuflchen % roode
Meer en de Middelandíche Zee legt, afge-
fcheiden van Exropa. Deze overgroote brok
Aarde, dewelke wy Africa noemen, is in
zyn grootfte lyn twaalf hondert mylen lang,
dat is, van het Naauw van de Straat tot aan
de Kaap de Goede Hoop. De grootfte breed-
te van Africa vouden wy moogen trekken
van Cabo Verde, daar de ontzachelyke Vloed
de Niger zyn uitwatering heeft, tot aan de
mond
Mey en Jùny 1719. SIi
mond van de Arabijche Golf of’t roode Meer,
daar Caap de Guardafuy na het Eiland Zoe
cotora uitfteekt, zynde een breedte van dui-
zend en vyftig mylen.
Het grootfte Ee van Africa is onder
de verzengde luchtftreek gelegen, en dewyl
de oude Geleerden oordeelden , dat op die
plaatzengeen menfchen konden woonen om
de hitte en de droogte , zyn deze Landen
by haar nooit onderzocht geworden , en, voor
zo veel wy uit haare Schriften weeten, on=
bekent gebleven. Zy kenden Africa 1. Aan
de kant en zyde van Egypten , en bezyden
hetroode Meer tot aan de Stad Rapta. 2.
Van Egypten af van de Stad Alexandrie
‚ langs de geheele Middelandfche Zee tot aan
Zingas, dat op de hoek van ’t Naauw van
de Straat leide, over Exuropa , of over de
Plaats, daar nu Gibralter legt. 3. Van de
hoek van ’t Naauw van de Straat tot aan
of een weinig boven de Cazarifche Eilanden,
aan de zeekant langs gerekent, en byna lan-
dewaart in gerekent omtrent op de hoogte
van de Cabo-verdifche Eilanden, dog maar
op zommige Plaatzen, dewelke by haar E#hto»
pien genaamt wierden, als by voorbeeld : het
Africader Aaloudenbeftond 1. In Mauritania
Tingitana, en Mauritania Cefartenfis of het
Keizerlyk Mauritanien, dat nu door de Keizer
van Marokko, Fez, Tafilet enz. beheerfcht word.
2. In’teigentlyk Africa, ouwelings zo genaamt,
het welk aan de Middelandfche Zee legt ,zynde
nueen deel van Barbarien, ende Republiguen
van Algiers „Tunis, sn een gedeelte van Zr:poli.
ah
3 In
512 Natuur-en Konft-Kabinet,
3. In de Luandfchappen van Cyrenaica, dat
tuffchen Zripoli en Marmorica in legt; in
Marmorica nu Barka geheten, en Lybia
exterior. 4. In Opper- en Neder- Egypten.
s. In de beide Lybren en de beide Ethropien,
maar niet de geheele Ethiopien van onze heden-
daagze tyd, Hier uit blykt, dat de Ouden het
grouwzaame groote Land der. Negers, een groot
gedeeltevan Abyfinte, het voornaamfte van
Etbiopie,de Kuften en grouwzame Landen van
Melinde , Zanguebar , *t laand der Caffers, het
Binne-land van Cabo de bona Efperance , Cim-
bera, Monomotapa, Mataman, Angola, Con-
go, Damat , Loango, Biafara, Zanfara ,
Guangara, de kuften van Berzin, de Goud-
kuft , Greinkuften, Tandkuften, of geheel
Guinea, benevens een ongelooflyk getal van
Koningryken en Landfchappen , en het groot-
fte gedeelte van de Woellyne van Lybie niet
gekent hebben ; welke alle na dezen door
de fcheepvaarten der Portugeezen, Hollan-
ders en andere Natiez ontdekt zyn geworden.
40.
De latere ontdekkingen hebben getoont,
dat het onbekende gedeelte van Africa, dat
de Oude oordeelden onbewoonbaar te zyn,
meeft overal door alderhande foort van Natte
word bewoont, hoewel het echter ook waar-
achtigis, dat in Africa veel Woeftynen, naare
Zanden en Wilderniffen worden gevonden.
Ik zal nu niet fpreeken van de zaaken, de-
welke wy overig hebben van de Reistogt van
den Carthaagfchen Hanno, dewelke langs de
Kut van Africa ver opgeftevent heeft ; noch
van de Reizen der Phen:ciers , dewelke ten
tyde
Mey en Funy- 1719: £13
tyde van Neho Koning van Egypten uit het
Roode Meer geheel Africa zouden hebben om-
gezeilt, en door ’t Naauw van de Straat wede-
rom. in Phegztsien touden aangekomén zyn ;
veel minder van het geen Merodoot vertelt in
zyn vierde Boek van de Reistogt van Sataspes
en eenige ândere, gelyk de Reizen te Land,
daar Herodoot van melt in zyn Euterpe , ge-
daan door de Nafumonen, een Volk, dat het
Ryk Zuzis bewoonde; dewyl alle deze Reis-
togten noch aan de aaloude Griekfche noch
andere Wereld-befchryvers eenig ander licht
van Africa hebben gegeven , als P/izias, Strabo,
Ptolomeus en Pomponius Mela daar van hebben
nagelaten,behalven dat wy van de zekerheid de-
zer togten zeer onvoldaanzyn. —_ 41.
De ontdekkingen , daar wy zeker op konnen
goan, van de onbekende Deelen van Africa,
zyn aan de zeekant ondernomen door de Por-
tugeezen. De Portugeezen ontdekten eer(t
het Eiland Madera in het jaar t4rgen 1420,
en in ’t jaar 1428 het Eiland de Heilige Haven ;
en in ’ jaar 1440 de Eilanden over Cabo Ver-
de, en in ’t jaar 1452 de Zeekuften van Gui-
aée, In ’ jaar 1486 ontdekten de Portugee-
zen de Koningryken van Axgola en van Coz-
go. In ’t jaar 1487 ontdektede Portugeeze Be-
velhebber Bartholomeus Dias de alderuirfte-
kentfte Hoek van Africa of de Kaapde goede
Hoop ; maar durfde de zelfde niet omvaaren :
gelyk de Barros , Raadsheer en Hiftorifchryver
van de Koning van Portugaal , alle deze Reis-
_— togten kortelyk heeft befchreven; en Maruel de
Faria y Soufa in zyn Afia Portugaefa, ge-
drukt tot Liflebon 1666. 47 Folio, een Werk
Kk 2 be-
si4 _Natuur=en Konft-Kabinet ,
benevens andere inzes Folianten , een verhaal
doet van alle deze zaaken der Portugeezen, en
begint van het jaar 14t2 , alles naauwkeurig
aanmerkende van ontdekking tot ontdekking.
41:
De derde Zoon van Dor Jan de eerfte van
die naam, Koning van Portugaal, genaamt
Don Henrigue, hadde in den Oorlog tegen
de Mooren in Africa zo veel bericht gekre-
gen van de Landen , dewelke gevonden
wierden achter de Koningryken van Fez en
Marokko, tot aan de Negers, en zelfs de
Guindefche Kuft, dat hy van yverbrandeom
de zelve aan de zeekant te ontdekken. De
eerfte ontdekking, dewelke Dor Hezrigue
lietdoen voor by Caap Nor, was door drie
_ Scheepen, iets meerder als 35 mylen verder
als Caap Guillo, deeze Caap Non was de
uiterfte Plaats, dewelke toen noch bevaaren
wierd;maar in een twedetogt kwamen de Sche-
pen, dewelke Dor Henrique uitzond , aan
de Caap Bojador, dewelke hondert en tach-
tig mylen verder leide, als debekende C'aap
Non. Na deze togt zond Dorn Henrique
weder ter ontdekking uit Dox Fuan Gonfalvaz
en Zrifkano Vaz, dewelke het Eiland Porto
Saxto ontdekten,en van daar ín een overtogt het
Eiland Madera. Na dientydondernameene
Gileanes op ordre van de Zufaut Don Hen-
rigne de Caap Bojador voor by teftevenen;
wederom thuis gekomen zynde, werd de
togt hervat door Alfonfo Gonfalvez Baldaya
en Gileanes, dewelke aan de vafte Kut ge-
raakten, negentien mylen voor by de Caap
Bojador, het welk wederom door een togt
her-
…_Mey en Juny 1719. st
hervat wierd ‚en geraakten gomylen verder,
als zy te vooren aan Lsand geweeft hadden,
en van daar noch 4o mylen verder. Eenige
jaaren daar na wierd Cabo Blanco ontdekt
door Nuno Triftano, en na dezen de Goud-
rivier, daar zy voor de eer{te maal Stof-goud
inruilden. Na -dien tyd-ontdekten de Portu-
geezen Cabo Verde, en daar: op Guinée, daar
zy met de Negers de Goud-handel oprichtten
in ’t jaar 1466. en-in ’t jaar 1471 wierd door
Juan de Santarenen Pedro Efcovar de Goud-
handelplaats Eluina eer(telyk gevonden,en na-
derhand de Eilanden Sz.’ Thomas en.Annoboz.
In ‘het jaar.148r zond Don Fan Koning van
Portugaal een. Vloot Scheepen, en zes hon-
dert koppen na Guiude ; en lietin ’tjaar 1482
het Kalteel S. George bouwen. 1488 voer
Diego Cam na Congo, en noch 6oomylen verder
als Congo. In het jaar 1485 ontdekte Bartholo-
meus Dias de Gaap de Goede Hoop.
43:
Na dedood van Dox Jaz Koning van Por-
tugaal wierd tot Koning verkoren Don Ma-
auel;, deze zond Vafco da Gamma omde Ia-
diën te ontdekken , en die hadde het geluk ,
om 1497 op den 2o November de Caap de
Gaede Hoopomtezeilen, aan Land komende
__aan Caap de St. Braz,1 80 mylen voorby Cabo de
bona Efperance,en kwam van daar tot Sofala, en
van daar tot Mombaza,en lande 1498 op paafch-
dag tot Melinde, en eindelyk na lang zeilen te
Calikut „alwaar geacht wierd, dat zy de Zudiën
voor de eerfte maal hadden ontdekt, ven by
veel fchikkelyker en beter lieden, en in gere-
guleerder- Landen en Steden kwamen; van
Kek gn waar
516 Natuur-en Konft-Kabinet ,
waar Vafco da Gamma weder in ’t jaar 1499
opden 29 Auguf(tus van deze gelukkige ontdek-
kinge der Zzdrên tot Liflebon t’huis kwam,
en wierd als een tweede Kolumbus van de Ko-
ning tot Graaf van Widigueira gemaakt. Waar
mede ik de vordere ontdekkingen enHeldendaa-
den der Portugeezen niet verder zal vervol-
gen, dewyl ik maar getracht heb te toonen ,
wanneer en door wie Africa voor de eerfte
maal is omgezeilt, en door welkeen wanneer
de Goudkuften van Grizée eerít zyn gevonden.
44
(a) Marmol een Spanjaard ‚geboren in de
Stad Grezade, isde voornaamfte Schryver van
de Binnenlanden van Africa,op dewelke wy van
de nieuwe Schryvers {taat moogen maaken ; hy
vertrok noch jong zynde uit zyn geboorte-Stad,
op de beruchte togt enonderneming met Keizer
Karel devyfde, na Tuzis in Africa in den}jaare
1536.,hy vervolgde de Overwinningen van deze
groote Keizer doordie deelen van Africa den tyd
van twintig jaaren lang;hy wierd na dien tyd ge-
vangen, en diende voor flaaf in’t Koningryk
of Keizerryk van Marokko , in de Landen Zaru-
dent , Tremeffen, Fez en Tunis. In dezen
tyd, zegt hy, heb ik gereilt onder de Site van
Ekerit Mahomet, ter ontdekkinge van de
grouwzaame groote woeltynen van Lybie, tot
aan een plaats, dewelke genaamt word Acen
guia El-hamara, leggende aan de grenspaalen
van Guinée. Behalven dit alles, vervolgt hy,
heb ik een menigte andere Reizen zo te land
als te water gedaan ; ik doorliep geheel Bar-
barien
(2) Ziet !'Afrique de Marmol dans la Preface.
Mey en Juny v71g. $17
barien en geheel Egypten; hier toe heb ik alles
gelezen, wat de Grieken, de oude Romei-
nen, de Spanjaarden myne Natte, en alle my-
ne geburige Europifche Natien, over Africa ge-
fchreven hebben : endewyl ik de Arabifche en
Africaanfche vaal prompt kende, hebik tegelyk
haarlieder Schryvers over Africa vlytiglyk door-
gekruift,en doorzocht , wat zy van haar Vader-
land mede deelden.
45.
Behalven deze beruchte Schryver hebben
wy ook Joanges Leo de Africaner, die zelfs
in Africageborenwas. Dezeis insgelyks een zeer
voortreffelyk Schryver , en naauwkeurig ont-
dekker van Africa geweelt, en bloeide om-
trent in de jaaren eenduizend vyfhondert en
tuffchen de tien en dertig; hy verhaalt zelfs
in zyn tweede Boek van zyn Befchryving van
Africa, dat hy 1513. uit zyn geboorte-land is
getrokken, om andere Landen te gaan be-
fchouwen en door te reizen, zo dat hy inde
voorige jaaren door Africa reeds haddegereift.
Deze twee voortreffelyke Mannen geven, als
ooggetuigen, aan ons de waare gefteltheid van
het binnenfte van Af7rtca,en deszelfs groote Ko-
ningryken, Landfchappen , Landsdouwen ,
Bergen, Rivieren, Vruchten, Dieren, alder-
hande Natier , Woeftynen , Wilderniffen ;
even gelyk de ontdekkingen der Zeevarende
aan ons hebben. geopenbaart de Hoedanighe-
den der Kuften, rondom aan verfcheide Zeën
gelegen.
46.
Ik zal alle Bergen en vermaarde Rivieren
kalf hier
s18 Natuur-en Konft-Kabinet ,
hier niet melden, daar in Africa alderhande
Mineralen in gevonden worden. 1. Omdat
zulks by andere gelegentheid van de natuurly-
ke Hiftorien der Bergen en Vloeden te pas
zal koomen. 2. Omdat Marmol , en wel
voornamentlyk Pobanzes Leo de Afrikaner,
berg voor berg met alle deszelfs bewoonde
fteden en vloeden zeer naauwkeurig hebben be-
fchreven, En 3. Omdat de Lezer veel van
deze zaaken by Olfert Dapper, in zyn Befchry-
ving van Africa, dewelke uit dezetwee Schry-
vers, eneenigeandere, als P.Dax Deförtf tion
de Barbarie, Gramay, Sanut, P. Davity Ro-
Jaume d' Alger, Olivarins, Pigafetus, Diego
Zorres, Aug. Kurio,Tzetzes, Alpinus, Fonfton,
lfaacus Voffins, en vommige, die niet auten-
treg zyn, als Kircherus enz. is opgemaakt,
zal konnen nazien. Hoewel de Lezer daar
niet in zal vinden, dat ik van het Goud der
Egyptenaaren in ’t Kabinet van Maart en April
1719. en in dít tegenwoordige van de Goud-
kuften heb mede gedeelt, maar wel veel zaaken,
dewelke niet al te naauwkeurig onderzogt zyn.
7
Ik wil alleenlyk RR in bedenking geven,
of de kleine en grooteregel Bergen, de groo-
te en kleine Atlas genaamt, die door geheel
Africa, gelyk de Zaurus door Afta, ftreeven,
de Bergen van’t Koningryk Cozgo, de Sälpe-
ter-Bergen, en de Berg der Zonne van Cor-
go ‚de grouwzaame Bergen van ’t groote Luand-
fchapAmara,de Maan-bergen in Ethiopien ende
Bergen der Zeekuften, zo wel aan de Oceaan,
Middelandfíche Zee, als aan Opper-Egypren,
als
Mey en Funy 1719. $19
als ook langs de Ethropifche Zee,en langs de punt
van Goede Hoop aan wederzyden, benevens een
ontelbaare menigte andere Bergen; of deze alle,
vraagik, niet een groote menigte Metalen, en
daar onder goud-erts belooven in haare boe=
zems en ingewanden 7 voeden?
48.
Johannes Leo, en Pieter Davity in zyn Be-
fchryving van Barbarien, verhaalen, dat de
Repabliguen, de Liandfchappen en Koningry-
ken der Barbaren zeer in rykdommen en goud
overvloeyen, dat zelfs het vaatwerk der Ko-
ningen en Vorften van louter Goudis. Het
Landfchap Hea, dat zeer omftandig van Fop.
Leo de Africaner, en Kurio in zyn Befchryving
van Marokko, befchreven word, en nu onder
* Keizerryk Marokko behoort, heeft zeerryke
Goud-erts-bergen, voornamentlyk op ’t Ei-
land , Mongador genaamt , dat onder dit Land-
fchap behoort. Uit deze Bergen laat de Kei-
zer van Zarokko veel Goud haalen, maar niet
zodanig als zulks zoude konnen gefchieden :
jazelfs verbiedt die Monarch dik wils „dat daar in
eenige jaaren niet aan gewerkt mag worden.
De re lj dewelke wy Barbarien
noemen, zyn de volgende, namentlyk, r,
MAROKKO en zyn Landfchappen, als Hea,
Sus, Dakkale, Efkure, Fidle, Gezule.
2. Het Koningryk Fez, en zyn Landfíchap-
pen, Zemecene, Azgar, Elbabat, Errif, Ga»
ret, Chanus. 3,Het Koningryk van ALGIERS
en deszelfs Landfchappen , als Zelenfin, An-
gad, Bens-razid, Mihane, Ananie, Labez,
Kk s Zenez,
s2o _ Natuur-en K. onft-Kabinet ,
Tenez, Teheca, Humanbar, Haresgol, Ho-
ran , Sargel , Bugie , Gigel , Konftaatine,
Bone, Baftion de France. 4. Het Koning-
ryk T uNis, daar oud Carthago eertyds was;
hedendaags zyn deszelfs Landfchappen, als
Golette, daar Carthago noch in legt; Bezer-
ze, Beggie, Soufe, Africa, Kayraaam,en het
Eiland faborka. $. Het Koninkryk T'riPo-
Lr en deszelfs Landfchappen, als het Eiland
van Zerby, het Land{chap Ezab, Mecellata,
Mefrata, Tourka, Barka, inwiens Woefty-
ne, die tegens hoog Egypten aanftoot, de
Tempel van Fupiter Hammon van zommige
Oude geftelt word. Het Goud en de Ryk-
dommen , dewelkeindeze Landfchappen en
Roofneften hedendaags gevonden worden,
koomen meerder van de roof op de herders van
den Atlas, en opde Scheepen der Chriftenen,
als ook door de Koopmanfchappen ‚dewelke
deze Landen uitleveren, als uit de Mynen ; be-
halven dat zy door de Karavaan-handel van Fez
verkrygen door Commercie: hoewel Joannes
Leode Africaner verhaalt, dat de Inwoonders
van Treyextuin,een (tad van’t Lendfchap Soufa,
geen ander geld gebruiken, als zuiver goud, het
welke zy uit haar eige gronden en myn-werken
uitmeubelen, en dat de vrouwen haar hoofden
met goud vercieren. Het is aanmerkelyk, dat de
Landen, daar wy goud in verneemen, zeer
onvruchtbaar zyn, gelyk dit geheele Land-
fchap insgelyks uitwy(t, Zedzt iseen andere
Stad van Suufa, en deze heeft veel gemeen-
fchap met de Kooplieden, dewelke uit de
Lianden der Zwarten koomen om daar tehan-
delen.
Mey en Funy 1719. S21
delen. Fok. Leo verhaalt, dat in deze Stad zeer
veel konftige Goudfimeden gevonden worden,
tot bewys dat in dezelve veel goud moer zyn.
so.
Niet tegenftaande geheel Africa onder Ko-
niugryken, Heerfchappyen en Landíchappen
verdeelt word, moet echter een Lezer aan-
merken, dat byna elke Berg in Africa byzon=
dere-Menfchen en Volkeren voedt, dewelke. -
als byzondere Natien zyn , en wel onder de
Heerfchappy van ’t eene of andere Koningryk
of Gemeenebeft behooren , maar alleenlyk
door ’t opbrengen van fchattingen gemeen{chap
mer dezelve hebben; behalven dat zommige
eu zeer veele Bergen bewoont worden van
Volkeren, dewelke (trydbaar zyn, en zich
zelven befchermen of door de wapenen, of
door de ontoegangkelykheid van de bergen,
die zy bewoonen, de welke meelt deelen van
den Atlas zyn.Onder deze Bergen die zeer groot
zyn, en onder deze Natien, dewelke magtig
zyu, worden zomtyds eenige Bergen gevonden,
dewelkeryk van Metalen zyn, en zommige van
dezelve hebben ook goud. Onder haare Kon-
ftenaars, worden ook Alchymiften of Goud-
zoekers gevonden; Joh. Leo de Africaner ver=
haalt in zyne zeer naauwkeurige Befchryving
van de Stad Fez, dat in dezelve een groote
menigte Alchymiften gevonden worden; het
zyn groote ydeltuiten, zegt hy, windbuilen,
dewelke zich met zwavel en alderhande (tank
bemorffen; zy koomen in een vergaderplaats
by malkander’, en difputeren over haare valfche
vpinien ; Dy hebben veel werkjes van zeer ge-
leerde
s22 Natuur-en Konfl-Kabinet,
leerde Lieden over deze Konft gefchreven.
Zelfs verhaalt Foaznes Leo de Africaner,
dat hy gehuisveft heeft in de Stad Delgumuha,
die op zodanig een Berg gelegen was niet ver
van de grenzen van Marokko, by een Alchymift;
en voorwaar dit is geen wonder , want de
krul van Goudmakery hebben de menfchen van
Europa, op ’t laatfte van de Regering van Coz-
flantyn, eerft uit deze hoek van Africa gekregen.
Voegt hier by de Goud-zoekers de gedurige
Graavers na begraaven oude Schatten, dewelke
daar in menigte zyn. ì
SL.
Onder de groote Schatten en Rykdommen
in Goud, de welke zommige dezer Barbaren
bezitten, telt Job. Leo de Africaner de maflif
goude halve Maan, dewelke tot Marokko geftelt
is door een Koningin, de Vrouw van Almar-
fer,op het {pits vaneen tooren, dieals een Py=
ramide gemaakt is,van vyfentwintig ellen hoog;
‚benevens de drie maffif goude klooten, de-
welke daar boven op (taan , en met malkander
aan waardy uitmaaken hondert en dertig dui-
zend goude rozenobels, Verfeheide Konin-
gen hebben al getracht om dezelve te lichten,
maar zyn of door haar Raaden of Vrienden daar
altyd in belet geworden, te meer om dat het
gemeen gepeupel een groote bygeloovigheid
omtrent deze goude Globen, van dewelke zy
vaft(telden , dat dezelve door geen menfchelyke
magt te verplaatzen waren,hadde;om dat zy vaa
eenige lucht-geeften door invloeyinge der fter-
ren befchermt wierden na haar lieder oordeel.
Maar de Heer van St. Oron, in zyn Befchry-
ving
Mey en Funy 1719. 523
ving. van de tegenwoordige ftaat van het
Keizerryk van Marokko, zegt , dat de Keizer
Mouley Ifmael , dewelke in zyntydregeerde,
teweten 1693 en veel volgende jaaren , de yde-
le voorzegging van vermaledyding in den wind
floeg, en deze vermaarde goude appels of
bollen heeft weggenomen, en in zyne Schat-
kamers opgefloten.
ora 52
Dit Keizerryk van (Marokko is tegenwoor-
dig zeer groot, dewyl daar onder begrepen
zyn Marokko, Tafilet, Fez, Sus, Tarndent
en meer andere; zelfs zouden wy niet kon-
nen bepaalen, hoe ver het gebied van dezen
Monarch zich uitftrekt in de Woeftyne van
Numidien. Als de Liezer aan de weftkant
“van Africa over de Carzarifche Eilanden be-
gint, zal hy in ordre zien volgen de Land.
{chappen van TeEssSET, SUS, DAR Ha,
TariLET, MAROKKO,en FEz,gren-
zende aan ’t Naauw vande Straat, recht over
Gibralter: en de Liezer met zyn gedachten uit
‚de groote Zee de Middelandíche Zee vor-
der ingaande, zal over de Eilanden Yvica en
Majorca op 33, 34, 35-graaden breedte, en van
20.tot 29. graaden lengte, het tegenwoordige
Koningryk Algiers vinden, en van daar noch
vorder Ooftwaart over ’t Eiland Sardaigze,
op de lengte van 3o. tot 35. graaden, en de
breedte van 30. tot 35. graaden, het Koning-
ryk T uNis: en vorder ooftwaarts over ’
Eiland Stcilie, het Koningryk TRriPori;
en over Candia en Rhodes het Koningryk
BARKA, beginnende in ’t weten met de 35
graad
s24 __Natunr-en Konft-Kabinet,
graad, en eindigende op de 6o graad lengte
by Alexandrie in Bgypter, en leggende door
malkander het Koningryk Barka op 29, 30,
en 31. graaden breedte; maar Zripoli op 27,
28, 29,en 30. graaden breedte. Als nu de on-
kundigeLezer land waart in zich inbeeldt,dat de
kleine en groote bergen Atlas, dewelke door
geheel Africa loopen, aldaar in’land de grens-
paalen zyn, zal hy in ’t rouw een denkbeeld
hebben, van ’t geen Barbarie genaamt word;
en om de natuur van Barbarsen welte ver-
ftaan, moet de Lezer begrypen, dat alle de-
ze Landen zo aan den Oceaan als de hoek
om door ’ Naauw van de Straat, en langs
de boorden van de Middelandfche Zee rot
aan de Nyl, met groene en vruchtbaare heu-
vels , en middelmatig hooge en bergachtige
Landen bezet zyn, en overal bewoont: dat
tuflchen deze Heuvels en den 4z/as veel groo-
te vlaktens zyn, daar de Berglieden van den
Atlas koomen weiden en geerft planten, daar
de Fanitfers van de gemelde Koningryken
Jaarlykze fchattingen van haalen, hoewel het
Gebiedt aan den Oceaan van de Keizer van
Marokko achter den Atlas zich verder uitftrekt
in de zandige Dadel-en Kameel-ryke Wildernif=
fen van Numidie , of het zogenaaamde Da-
del. land.
En
Wat de Rykdommen en Schatten van
Goud belangt, dewelke bezeten worden door
deze Barbaren, dezelve zyn om haar groote
gierigheid ongelooflyk groot. Toteen {taalt-
je van derzelver infcheurende gretigheid, laat
de
Mey en Funy 1719. ss
de Keizer van Marokko, zegt de Heer van
St. Olon , al het Goud, het welke hy in
een groote menigte inzamelt, fmelten en in
een heimelyke fchatplaars verbergen, en ge-
noegzaam als begraaven : en het is wel te _
denken, dat deze {chatten veel zyn, dewylde
Marokkyas en andere Barbaren gedurigen han-
del dryven met de Zwarten of Negers van
de Inlandze Koningryken en de Landen van
Guinde, trekkende en heen en weder reizende
met Karavanen door de Woeftyne van Numt-
die en een gedeelte van Lybie,inruilende Goud
voor yzerwerken, fpiegeltjes en voôr alderhan-
de Europifche {nufteryen , en dat zo wel ftof-
goud als ander goud,mitsgaders Olyfantstanden
en zwarte Slaaven. Dit Goud koomt op de vol-
gende wys in Europa: de Schepen van Vraukryk,
als van Rovaan , van St. dalo en Marfeille koo-
‘men tot Salde en Tetuan , brengen aldaar fran=
fche lywaaten en andere waaren „en ruylen daar
voor moorfche dukaaten , wafch, turkfch
leer, wolle, vogelftruis-veders , koper, da-
dels , amandelen , toetfteenen enz. Onze
Landslieden brengen aldaar lakenen, lywaa-
ten, fpeceryen enz. Jtalién brengt aluyn,
glas, en Wenettaanfche {nuifteryen. Uit de
Levant krygen zy Zyden, Katoen, Auripig-
ment , kwikzilver, roode Arfenicum en opium ;
van welk alles de Stad Fez het eigentlyke
Magazin is, daar alles eerft koomt en van
daan gaat: waaruit de Lezer genoegzaam kan,
bemerken, dat door dit Kanaal een groote
menigte moorfch Goud in Europa moet over-
gevoert worden , en dat zulks geen kleine
oor-
s26 __Natnur- en Konft-Kabinet ,
oorzaak zal zyn, dat de Handel van de Wefts
zadifche Compagnie op de Goudkuft niet beter
bloeit.
54:
Achter dat gedeelte van Barbarie , het welk
door de Keizer van Marokko beheerfcht word,
en aan de andere zyde van de grooten Atlas,
volgt het Landfíchap Numidie „ by die van
Africa Biledulgerid of Dadelland genaamt:
Dit Landfchap brengt een groote menigte
Dadels , dewelke zeer goed zyn, voort :
het is een zeer heet en te gelyk zeer droog
Landfchap, daar geen koren groeit, in het
zelve leggen zeer veel Steden dewelke Jo-
annes Leo de Afrikaner befchryft. Dit Da-
delland begint in ’t weften aan den Oceaan
over de Canarifche Eilanden , en eindigt
achter ’t Koningryk Zripoli, tegens de
Woeftyne van Barka, vande $ graad tot aan de
45 graad lengte, en tuffchende 25 en dertigfte
graad breedte. Deze zandigeen woefte Wil-
derniffen worden bewoont door Arabieren en
Afrikaanfche Herders en Rovers, wordende
van verfcheide Vorften geregeert, dewelke
by Marmolen Leo de Afrikaner wel het alder-
naauwkeurig(t van alle de Schryvers befchre-
ven worden. Het is ook op alle plaatzen niet
even onvruchtbaar, dewyl het zeer veel Ri-
vieren heeft. By deze Lieden behoeven wy
juift niet veel na het Goudte zoeken, behal-
ven in de Heerfchappyen, dewelke de Keizer
van Marokko hieren daar bezit.
55
Achter Numidie volgt de grouwzaame groo-
te
Mey en Funy 1719. $u7
te Wildernis Lybie. Het geen de Aaloude Lybie
noemden, koomt met het hedendaagze Lybie
nietovereen, wyverftaan nu door Lybie de
geheele Woeftyne, alle de Wilderniffen en Ko-
ningryken, die tuflchen ’ Land der’ Negers en
Numidie inleggen, en aan ’t weften van den
Oceaan beginnende, en in ’t ooften tegen hoog
Ezypten aanftootende, achter en gepaart met de
Woeftyne van't Landfchap Barka, byna van het
eene einde van Afrzca tot aan het andere‘door-
gaan. Zommige plaatzen zyn grouwzaame zan-
dige woeftenyen, andere zyn faverig en fteen-
achtig , en zommige zyn moeraflig, vochtig ‚en
enigzins vruchtbaar: het legt meeft onder de
Zropicus Cancri, op de 23, 24 en 2s{te graad
bfeêdre, en word in Buiten- en Binnen-Ly-
bre verdeelt.
dgk jd
„Dit groote Landfchap Lybie is in tien Land-
fchappen en Woeftynen verdeelt ‚en word van
zwervende Arabieren en zommige Africanen
bewoont, dewelke elk haar eigen Zerritoir be-
weiden, en zy hebben haar Steden en Dorpen
meeft aan de vruchtbaare Rivieren; zommige
plaatzen zyn zo doren droog , en heet, dat de
Reizigers en Karavanen,die van Fez en Zombut,
en Agades in t Land der Negers reizen, om
Goud, Olifantstanden enz. te haalen, omde
vyfde of zesde dag zich moeten behelpen met
putten van flecht zout put-water ,dewyl Lybie
vol zout-kuilen ís: onder veele andere, zegt
Johannes Leo de Afrikaner , is in Lybre een
Woeftyn, in dewelke om de hondertfte mv
noch water, noch eenige woonplaats van
Bid men-
\
s28 Natuur-en Konft-Kabinet,
menfchen te vinden is, waarom dikwils de
Menfchen en Dieren, dewelke hier door rei=
zen, door de hitte en de dorft verfmachten
en fterven. Uit welk alles blykt, dat het
Goud , daar de moorfche Dukaaten naderhand
van koomen, door de Kooplieden van Ma-
rokko en Fez ook zo geheel gemakkelyk niet
te krygen is.
SA
Achter Lybie Gore eindelyk Migrizta of
het Negers-land. Olfert Dapper zegt, dat
het zelve grenft tot aan de Nyl, beginnende
van den Oceaan; maar de Heer Ja:llot be-
paalt het met de oorfprong van de grouwzaa-
me groote Vloed Niger , met uitfluiting van
het Landfchap Amazen, en het groot Land-
fchap van Nubie, het welk Dapper mede in-
fluit. „Dit Land der Zwarten is aan de groo-
ten Oceaan op zyn breed{t, en begint by A0
d'Or, recht onder de Zroptcus Cancer: , en
legt met zyn uiterfte uitfpringende hoek op
de vierde graad noorder breedte ; het heeft in
de grooten Oceaan, daar de Niger zich met
veel takken in de Zee ontlaft by Cabo-ver-
de , de Cabo-verdifche Eilanden recht over zich
leggen op de qde graad ‚en eindigt op de
44fte graad, daar de Niger zyn oorfprong uit
en van bet gebergte krygt, en is dus 20 graa-
den breed, en_40 graaden lang. Aan weer-
kanten van de Vloed de Niger leggen, vyftien
Koningryken, behalven noch de Koningry-
ken aan den Oceaan, dewelke het befpoelt
van Ao d’Or tot aan het Land der Caffers,
zyude het uiterfte van Axgola ; en byaldien
aad A)
Mey en Juny ijr9. 529
wy, gelyk Dapper, het Landfchap en Ko-
Bingryk Nubie in het zelve befluiten, {pringt
het zelve noch twintig graaden verder, ja zelfs
over de Nyl, tot aan de 64 graad lengte,
na de verdeeling van de Heer Jatllot. Ik zal
alle de Koningtyken en Landfchappen van dit
onmetelyk groot Land niet optellen, maar
de Lezer eens in bedenking geven, welk een
grouwzaame Reis de Menfchen doen, dee
welke met haar karavanen reizen van het Ko-
ningryk Guala , dat in ’t welten aan den O-
ceaan by Caap Branco legt, om Koopman-
fehap te dryven met de Kooplieden van groot
„Cairo: deze Lieden reizen door de geheele
lengte van Africa langs de boorden van de
Niger, door alle de Koningryken en Matten der
Negers , dewelke aan deze Vloed gelegen
zyn: eu door den Handel dewelke Europa we-
derom heeft met Egypten,is dit het derde Cazaal;,
waar door het Goud van de Goudmynen uit
Africain Europagebragt word, vant welkede
grooten Heer Dukaatenin Cairo laat munten.
Î sö.
Ik zal ‚omdat myn beftek zulks niet toe-
laat, van de andere deelen van Africa, tewe-
ten Opper-Ethiopien of ’t Land van Abyfi-
zien, en alle deszelfs Koningryken, noch
Neder- Ethiopien, benevens het groote Koning-
ryk van Monomotapa en alle deszelfs Koning-
ryken, voor deze reis niets meer konnen aan=
haalen,veel min van de Landen der Zee-Kuften;
beginnende van Aggola om de Kaap de bon Ef=
… peranée, tot geheel binnewaarts in de Arabi-
fche Golf of t roode Meer; behalven dat uit
Abyflinie noch wel eenig Goud verhandelt
Ll 2 word
530 Natuur-en Konft-Kabinet,
word met de Turken, in welk Land, vol-
gens de aantekening van de Heer Fobus Ludol-
fus ‚in zyn Betchryving van Abyfinie „ook veel
Goud gevonden word.
so
Dat in veel verfcheide Landfchappen en
Koningryken van Afie Goudgevonden word,
het welk door verfcheide wegen en Kanaalen
in Exropagebragt word, zal niemant „dewel-
ke maar eenige kennifle van die zaaken heeft,
onbewuft zyn. Zelfs heeft onze Ed. Ooftin-
difche Maatfchappy Goud-mynen op Sumatra,
Dit Sumatra is een zeer groot Eiland, en legt
recht onder de Middag-lyn, en dewyl het Ei-
land van zyn eene uiterfte einde noordweft,
en met zyn andere uiterfte einde zuid-ooft
aanlegt, en zyn rechte lyn over de tweehon-
dert franfche mylen bedraagt, legt het zelve
vyf graaden ten noorden , en vyf graaden ten
zuiden de middaglyn, beflaande ook omtrent
een breedte van vyftig Franfche mylen.
6o.
In de Rivieren en Beekjes op Sumatra
worden zomtyds goude {tukjes en kor-
rels gevonden , dewelke door het water,
dat van het gebergte koomt afbruyzen,
afgefpoelt en mede gefleept worden. Dit
Goud word aldaar opgezocht en vergadert,
en door de Nederlanders ingekocht ; deze
vervoeren dan het zelve na de Kuft van Coro-
mandel, alwaar het zelve van de Moorenge=
munt word; behalven noch de Bexzoin, de
Campbher, en het Goud, het welke van Sx-
atra na Batavia word vervoert. rs
e
En
„Mey en Juny 1719. S31
ór.
De Ooftindifche Compagnie heeft op Suma-
tra een Bergwerk, omtrent twee uuren gele-
gen van haar Comptoir Paulo Chinco, niet ver
van Sillida een Stad of Plaats op Swumzatra,
de Sillidaifche Goud-myn T A MBA NG ge-
naamt: van dit Bergwerk is al zeer veel werk
gemaakt zedert den jaare 1669, en de Heer
Petrus Hartzing, in zyn leven Hof-en Berg-
raad vande Vorft van Brunswyk-Lunenburg,
heeft een byzonder Zraêaat van dit Bergwerk
gefchreven:, enhet zelve opgedraagen aan de
Heeren Bewinthebbers van de Nederlandfche
Ooftindifche Maatfchappy in het jaar 1678;
maar het is by de flukken gebleeken, dat de
Goud-erts van de Goudmyz Tambang op Su-
matra niet zo ryk was van Metaal, als de
Heer Peer, Hartzing voorgaf.
62.
Om van deze zaak naauwkeuriger bericht
te hebben , bezorgde de loffelyke Maatfchap=
py een ander zeer wakker en ervaren Heer,
te wetende Heer Benjamin Olitzfch, Raad en
Berg-Cormniffaris van de Keurvorft van Saxe,
Deze trad in het jaar 1681. opden 25 Decem-
ber tot Sumatra voor de eer{te maal aan land.
Na dat deze Heer de Bergen van Sumatra,
en te gelyk de Goud-myn, deszelfs Berg, en
de Hoedanigheden van dien, mitsgaders de
Goud-ertzen of Metaal aardens wel doorzocht
hadde , berichte Hy aan de hooge Rege-
ring op Batavia, dat de Bergen van deze
ontdekte Oorden niet lichtelyk voordeelig
zouden konnen zyn, om haare onbeftendig-
Ll 3 heid
532 Natuur-en Konft-Kabinet ,
heid en gebrokene on-aard; dat is te zeggen,
dat zy lang achter malkander niet veel zou-
den konnen uitleveren, maar zomtyds eeus
zeer kortelyk een ryke erts , en zomtyds we-
derom zeer lang een zeer arme en magere
erts, behalven dat om de verftikte lucht in
de Myn zelfs, en de ongetempertheid van de
Dampkring boven dit Land, gedurig de Myn-
werkers zouden wegfterven, gelyk de Erva-
rentheid reeds al genoegzaam hadde beveltigt
aan de oude Myn , daar reeds lang aan ge-
werkt was.
63:
‚De Heer Olitzfch wad als een eerlyk Man
de Compagnie van deze Bergwerken geheel
af tezien, omdat derzelver Ertzen ongemeen
weinig metaal bezaten, zynde dikwils geheel
ontbloot van Goud, en maar een weinig zil-
ver inhoudende ; alwaar noch by kwam, dat
de Erts zeer zwaar te bewerken was, gelyk
uit een Dag-regifter en Aantekening bleek , het
welk aan deze Myn dagelyks gehouden was,
en van de Heer Olitzjch aan de Ed: Compag -
zie overgelevert wierd ; uit het welk onder
andere bleek , dat uit een Ader, dewelke
noch een van de rykfte was, van den 4
tot den ro January niet meer als 135 ponden
Metaal-erts was uitgewerkt, in dewelke vol-
gens de proef der Effayeurs bevonden wierd
aan zilver te bezitten een Mark, zes loodt en
zeflien quintjens.
qe
Het Mineraal of de Metaal-aarde ver-
volgde in deze Berg-groeven geenzins, geljk
zulks
Mey en JFuny 1719. 533
zulks in andere Landen gewoonlyk gefchiet,
maar beide miernefts-gewys „ zodat na het
getuigenifle der graavers zomtyds in een zeer
korte Spatie een zeer ryke: Erts gevonden
wierd, en weer datelyk daar aan gan{che-
lyk geen Erts. In dit Bergwerk hebben de Ma-
leyers al voor lange jaaren gewerkt; en inde
aders, dewelke zy uitgegraaven hadden, en
beneffens dewelke zommige aders van de
Nederlandfche Myn voortliepen ‚ wierd zom-.
tyds wel eenige ryke erts gevonden, dewelke
zo van ter zyden als anderzins de Maleyers
hadden lasten leggen, miaar deze was ook al
van geen duur of gelyke voortgang.
6
5.
(a) Elias Heffe verhaalt,dat, terwyl hy aan de
Goudmyn op Sumatra was, vanden 1 January
1682 totden 20 Juny‚zynde omtrent zes maan-
den ‚aan ERTs uitgegraven was 18687 ponden,
en dit noemde hy noch al een tamelyke en
ryke guantiteit na den aard des Bergwerks,
dewyl uit deze 18687 ponden Erts van ver-
fcheide foorten , zo aan Zilver als Goud is ge-
levert 297 mark $ loodt en U7 guintjens, bez
dragende aan geld 14226 Hollandfche gul=
dens, waar mede de onkoften in zes maan-
den gedaan op geenderley wyze konden goed
gemaakt worden. 4
Det de lucht omtrent dit Bergwerk zeer
ongezond is, gefchiet , omdat het zelve
maar twee graaden bezuiden de middaglyn
Ll 4 legt,
(a) Ziet deszelfs Reisbefchryving gaen in Ooftin-
dien, zesde Hoofdítuk,
534 Natuur-en Konfi-Kabinet,
legt , want de Menfchen, dewelke midden
op dit Eiland woonen, hebben de Zon recht
boven haar hoofd, en dit Bergwerk legt op
twee graaden na in het midden van dít groote
Eiland Sxmatra. Voegt hier noch eens by,
dat deze plaatzen, daar de Mynwerken om-
trent leggen, overal met groote moeraffen
omringt zyn, en dat omtrent de regentyd al-
aar meelt dagelyks en alle avonden vrees-
Iyke donders, blixemen, en fterke {tormwin-
den koomen uit te barften en te woeden;
waar op darelyk weer groote (tilte volgt, en
groote broeying en hitte, door dewelke deze
moeraflen op een ongeloofiyke manier alom de
lucht met ftank vervullen, en als befimetten.
Hier by koomen zeer kwaade dampen en ftin-
kende nevelen, dewelke uit de dalen en va-
leyen gedurig tegen het gebergte opryzen, en
dewelke zulk een dikke mift veroorzaaken,
dat de menf{chen op een zeer korte afltand
malkander niet konnen zien.
67. .
Niet tegenftaande het Nederland{che Berg-
werk op Sumatra nier zeer ryk ís, ftaat ech-
ter aan te merken „ dat op het Biland andere
Bergwerken en Goudmynen gevonden wor-
den, hoewel dezelve niet in het bezit der
Hollanders maar van de Natie zyn, dewelke
haar Goud.aan de Comptoiren der Ed. Maat-
fchappy op Padang, Coulo, Chinco en Paros
verhandelen, De Koopliedeu, dewelke dit
Goud aan de Compagzie verhandelen, krygen
het zelve over de derde of vierde hand vande
Natien diep Landewaart in gelegen. Dit
Goud
Mey en Funy 1719. 535
Goud beftaat in korlen, en de inkoop van de
zelve is aan de Particulieren verboden, hoe-
wel echter zommige op een heimelyke wyze
wel zomtyds eenige groote goudkorlen en
ftukjes inruylen.
3 68.
William Dampier, een van de naauwkeu-
rigfte Natuur-befchouwers onder alle Reis-
befchryvers , preekt op de volgende wyze van
de Bergen van Sumatra, „ Het aardryk van
s dit Land verfcheelt naar de natuurlyke
» ftand, de Bergen zyn rotsachtig, voorna-
„, mentlyk die aan de weftkuft ; echter fchynen
» demeefte, die ik gezien hebbe, een zekere
» aarden-korft te hebben, die van zelfs eenig
„ klein geboomte, kreupelbofch of vry goed
» gras voortbrengt: de kleine Bergen zyn meeft
»„ bofchachtig, en fchynen de Boomen door
‚, hunne hoogte en wasdom uit een vrucht-
‚‚ baare grondt voort te koomen. Het veld-
» land, dat ik gezien hebbe; heeft een zwar-
» te, grauwe, roode en diepe aard-grond.
‚, Het Ryk van Achin (op Sumatra) is te-
»‚ genwoordig overvloedigít van Goud voor-
» Zien, en in Ooftindie is my geen plaats be-
s kent, dewelke zo veel Goud uitlevert als
» Achin, want op Japan ben ik nooit ge-
» weeft. Zy hebben hier ook gemunt Goud,
» zynde ftukjes van vyftien ftuivers, dewel-
» ke zy een mefs noemen, en eenige andere;
»s Zy munten maar een klein gedeelte van
‚, hun goud, enzo veel als noodig is om haar
‚‚ Onderlingen handel mede te verrichten ;
‚, maar wanneer een Koopman groote fom-
Ll s ‚‚ men
536 Natuur-en Konft-Kabinet,
„ men ontfangt, betaalen zy gemeenlyk by’
- ‚ gewigt, en doorgaans met ongemunt of
» onbewerkt goud, waarde voor waarde,
In de Stad van Ahin woonen zeer veel
Kooplieden, dewelke met de Berglieden, die het
goud graaven , handelen, aan dezelve over-
brengende diep in het land op, en by de onge-
zonde Bergwerken, alderhande waaren, als
Zyde, Chitzen , Neteldoeken , Katoenen,
Opium , Rys, en andere zaaken , dewelke
aldaar door de Engelfchen, Hollanders, Dee-
nen, Chinezen en andere gebragt worden ,
en brengen wederom Goud van daar, met zeer
groote winften.
7o.
William Dampier doet in zyn Reistogt om
den Aardkloot ook een naauwkeurige Befchry-
ving van het Eiland Mizedanao , zynde een
van de Philippynfche Eilanden ; dewelke meeft
onder de Spanjaarden ftaan, behalven Miz-
danao, dat onder zyn eigen Vorft ftaat, en
onder ’t Mahometaanfch Geloof is gebragt.
Het is het grootfte van de Philippynfche Ei-
landen, ( uitgenomen het Eiland Lukoria,
dat in het geweld der Spanjaarden is, en van
waar haar Akapulko’s-vaarders allerlei Ooft-In-
difche Waaren-. haalen ) leggende op de ze=
vende graad breedte. Dit Eiland is omtrent
zeftig franfche mylen lang, en veertig of vyf-
tig mylen breédt; op dit Eiland legt de
Hoofdftad , insgelyks Mindanao genaamt.
Doen Dampier in de Stad Mindanao was,
wierden daar twee Goud-fmeden ker
eze,
Mey en Juny 1719. $37
deze „ zegt hy , maakten alles, wat begeert
konde worden. Dit Goud ruilen en koo-
pen zy van de Lieden, dewelke diep uit het
land koomen, en in 't gebergte woonen,
daar zy het Goud uit haalen, en voor het
zelfde inkoopen van de Hollanders en ande-
re, dewelke aldaar van Zernate en Tydore
koomen, Katoenen, Neteldoeken, en Chi-
neeze zyden; gelyk ook van Magila, daar
zy zulks met de Spanjaarden gaan verhan-
delen.
71.
Twintig mylen van Mindanao leggen drie
kleine Eilanden, Meangis genaamt, Op deze
Eilanden vallen eenige nagelen, en zeer veel
Goud, na het zeggen van Dampier , hoewel
ik op het bewys, het welk hy daar van by-
brengt, niet veel ftaat zoude durven maaken ;
gelyk ook het geen die Schryver melt van het
geel Metaal, het welk hy voor Goud aanzag,
op de vyf Eilanden omtrent Formofa gelegen,
op 20 graaden 20 minuiten noorder breedte,
de Basje Eilanden genaamt: aan de zyden der
‚ Bergen, zegt hy, groeit kort gras; de Ber-
gen zyn zeer rotsachtig, en in zommige van
de Bergen zyn Mynen: want de Inboorlin-
gen toonden ons zeker geel Metaal, waar
van de Mannen en de Vrouwen kleine oor»
ringen droegen : of het Goud was of niet,
durft hy niet verzekeren, maar hy hielde het
daar voor, om dat het zeer zwaar van gewicht
was, en van koleur gelyk ons bleekfte Goud.
Veel meer zekerheid weeten wy , van het geen
Dampier verhaalt van het bekende Koningryk
Tan-
538 Natuur-en Konft-Kabinet,
Tunguin, het welk tuflchen Chiza en Coz-
chinchina geplaatft legt. De verkoopbaare
waaren van dit Ryk ( Zwnguin), zegt hy,
» zyn Goud, Muskus, gewerkte en ruuwe
» Zyde, als ook Katoenen, Drogeryen van
„, veelderhande foort, Verfhout, Lakwerk,
„ Porceleinen, Zout, enz. en daar is veel
‚‚ Goud in dit Land, en het gelykt wel na
„, het Goud van Chiza, het is zo zuiver
z, als dat van Japan, en veel fynder ( van
aloy. )
71:
In het magtig Koningryk Zuzguin word
wel veel Goud gevonden, en ook verkogt by
de Kooplieden, maar zy hebben zelver geen
Goud- noch Zilver-mynen. Het Goud , het
welk overvloediglyk by de Zuuguinfche
Kooplieden gevonden word, verkrygen zy
door haar overvloedt en handel in de Zyde,
en het Aloë-hout, Lakwerk en Mauskus,
gelyk daar van getuigt word door de Broeder
van de vermaarde }- Baptiff Tavernier, in
zyn nieuwe Befchryving van ’t Koningryk
Zanguin,
73:
Diergelyke Koningryken worden in Afia
meer gevonden, als by voorbeeld Perfiez:
hoe magtig en aanzienlyk dit Koningryk in
rykdommen van Goud ouwelings onder
Xerxes en Darius is geweeft, heb ik echter
tot-noch toe niet konnen opfpooren, dat ee-
nige Goud-mynen in Perfieg gevonden wor-
den: en wat de (taat van het tegenwoordig
Perfien belangt, de Heer de Thevenot, die de
naauw-
Mey-en FJuny 1719. 539
naauwkeurigfte van alle nieuwe Schryvers is,
en wien zy meeft alle {chynen gevolgt te heb-
ben, verhaalt, dat indit Kóningryk een groo-
te fchaarsheid van geld is. Inderdaad , zegt
hy „ de kragten, dewelke daar onderhouden
» worden, of liever de Legers, die in onze
‚ dagen tegens den Turk en andere Magten
» op de been gebragt waren, zyn ten aan-
„ zien van zulk een groot Land zo gering
‚ geweeft, dat de Perfianen onder ’t getal der
„ Ontzachelyke Magten niet geftelt worden,
» en de oorzaak dezer zwakheid is de fchaars-
„‚ heid van geld. Dit gebrek van geld fpruit
‚‚ uit de kleine handel, welke de Perfianen
» dryven, als hebbende zeer weinig waaren,
„ dewelke in andere Landen getrokken wor-
„ den, namentlyk eenige zyden, tapyten, en
‚ Brokaaden , en by na niets anders van be-
‚„ lang. Invoegen men van Perfien zeggen
‚ kan, dat het flegts gelyk een Karvan fera: is,
»„ dewelke tot een doortogt dient voor het
» geld, ’t geen uit Europa en Zurkyen na Iu-
;, diên gaat, voor de lywaaten, fpeceryen,
„ (en andere koftelykheden, ja zelfs juwee-
; len) dewelke uit Indiën in Europa en Zur-
„ Ayen koomen. Daar het Landfchap van
Perfien een weinig voordeel af geniet.
De ryke Pains borduuren haare Tul-
banden en klederen wel rykelyk met Goud,
en draagen veel koftelyke juweelen in haare
ringen als anderzins, dewyl zy zeer groote
Liefhebbers van edele Gefteentens zyn; ook
hebben de Perfiaanfche Koningen een ver-
maare
$40 _ Natuur-en Konf?-Kabinet ,
maarde Schatkamer van Goude Vaten, Ju-
weelen en andere koftelykheden; maar be=
halven dat zulks door lange tyden vergadert
is, word het zelve van buiten verkregen ,
daar Perfien zeer gelegen toe legt. De Ko-
ningen van Perfiez 7yn zulke overmatige Lief.
hebbers van Goud-Vaatwerk en Gefteente;,
daar zy een groote menigte van hebben, dat
zy door verfcheide Goudfmeden, dewelkezy
in haar dienft hebben, geftadig aan nieuwe
Konfìftukken van goud laaten arbeiden.
15
Tuffchen het groote Koningryk Perfien etí
Arabien {chiet de Perfiaanfche Zee-boezem;
gewoonlyk de Golf van Perfien genaamt ;
daar hy uit de groote Arabifche Zee koomt
vallen, en een engte by Ormus of de Straat
van Maflaxda maakt , en voorrfchiet tot daar hy
eindigt by Babylonien voorby de plaats, daar de
Eupbrates en Tigris zich in deze boezem ont
laften, Noch meerder aan de noordzyde word
Arabie geficheiden door Babylonie en Mefopota=
mie, Aan denoordweft en weftkaat word Ara=
bie gefcheiden door Syrie en Paleftina;, aande
welt en zuidweft kant door Egyptez en het
roode-Meer; aan de zuid en zuidooft zyde
door de Casp de Guardafzy en de Arabifche
Zee. Het midden van Arabten legt onderde
… Zropicus Caneri; het zuidelykfte deel van 4-,
rabie is, daar het roode Meer uit de Arabi
fthe Zee koomt fchieten by de Straat van Mos.
cha, op de twaalfde graad noorder breedte,
en het noordelykfte deel van Arabie, dat uf=
fehen Syrie infchiet, op de vierendertigite
graad
Mey en Juny 1719. S41
graad noorder breedte: het weftelykfte deel
van Arabie fchiet bove Trade meer tegen E-
gypten, en het ooftelykfte deel van Arabie is
by Caap Razalgate , van de vyfenzeftigfte graad
lengte tot de zesennegentigtte graad lengte,
waar uit de Lezer kan bemerken, welk een
grouwzaame brok lands Arabier moet zyn.
76.
Ik zal niet behoeven te verklaaren, dat dit
__grouwzaame groote Land onder drie verfchei-
de bynaamen bekentis; als 1. Het STEEN1G
ARABIE, dat in vergelyking van de andere
zeer klein is, en tegen Paleftina en neder-Egyp-
ten aanftoot. 2. Het WOEST ARABIE,
dat tegen Syrie, Mefopotamie en oud Chaldea
aanlegt, en omtrent tweemaal zo groot is als
het Steenig Arabie. En 3. Het GELUKKIG Ara-
BIE, dat alleen byna vier maal zo groot is ,
als de beide anderete zamengerekent. Want
dewyl myn voorneemen maar alleenlyk is, om
te handelen van de Rykdommen des Gouds
van de Landfchappen van Affa , zal ik kor-
telyk de Goudrykheid der hedendaagze Ara-
bieren. doorloopen.
Ate Sh
Dewy! de Turken van verfcheide gedeeltens
van Arabie aan de Perfiaanfche Golf meefter
zyn,en de Arabifche V orften meeft alle Maborme-
taanfch of woeft zyn, en de goede Letteren
by alle Mabometanen buyten gebruik zyn,
hebben wy geen andere kennifle van Arabie,
als door de Koopmanfchap in de Oceaan tot
FARTACH,MASCATE, en vooraan op het
__toode Meer tot ADEN, Mocna, endoor
RE, de
SAL Natuur-en Konft-Kabinet ,
de Reizigers van Mecca,MeEpinNa,deE
graafplaats:van Mabomet , en in de Perfiaanf
Golt tot BassoRraA, behalven de oude J
fchryvingen en eenige vertellingen van nieu
Franfche Reizigers.
78.
De oude Griekfche Schryvers, als Pz
meus, Diodorus, Strabo, Stephanus, Aga
chides, Martianus , en meer andere, ge
ik getoons (a) hebbe voor dezen, getuigen e
Parig, dat de Arabijche Volkeren aan ’tr:
de Meer gelegen, dewelke zy Dena,
weer andere, dewelkezy KASSANITEN noe
den, veel Goud hadden, het welk zy gr
ven uit haare Goudmynetr, en uit haare ]
vieren uitvochten , maar tegenwoordig koo
de meefte rykdom van Goud in Arabie dt
Bedevaart na Mecca en Medsna , door
Paarde-handel en Dadel-handel op Baf/ö
en door de ongelooflyke grooten handel
de Koffy-boonen ; behalven dat tot [Mocht
Aden ,benevensanderekoftelykezaaken , «
veel Dukaaten uitgeleverten verkogt worde
Baflora, in de Pelfaanl!be Golf geleg.
is ook een zeer groote Koopftad van Arab:
hier van daan ,zegtde Heerde Thevenot, g
ettelyke Milioenen geld jaarlyks in de ma
Oftober met de Schepen, dewelke daar p:
den, dadelen enz. koomen inkoopen, u:
Indiën; dit Baffora is een Hoofdftad van
Baffaadfchap van die zelve naam „en legt o}
uiterfte grenzen van woelt Arabie. ft
(a) Ziet Natuur- en Konft-Kabinet , Maart en
pril z71g. pag. 266,
Mey en Juny 1719. EEE:
80.
Voor aan in ’t Roode Meer legt in geluk-
kig Arabie de Stad Mocha : deze Stadt is binnen
de tyd van hondert en vyftig jaaren van een
flegt viffers dorp aangegroeit tot een medege-
zellin van de vermaartfteKoopfteden van geheel
Afie. Na Mocha zyn gevloeit alderhande Na-
tien ‚dewelke dezelve Stadt bewoonen,als Aras
bieren, Benjanen ,Fooden , Turken , Indianen,
Perfianen , Armeniers , ent. Op Mocha is
tegenwoordig een groote vaartuit Afia, Afri=
ca en Europa. Behalven deze fcheepsvaarten
koomen jaarlyks tot Mocha van Aleppo als el-
ders verfcheide Karavanen te lande, dewelke
twee a drie duizend Kameelenfterk zyn; daar
brengende, Fluweelen, Sarynen , Damaften,
Armozynen, “T'urkfche goude Lakenen, Ka-
melotten, Saffraan, Kwikzilver, Vermitioen ,
maar wel in ’t byzonder (dat ook deze onze
Verhandeling raakt) zeer veel Venetiaanfche en
Moorfche Dukaaten , en een groote menigte
van alderhande waaren uit alle geweltein des
Werelds. Mocha levert wederom uit aan an=
dere overvloedig veel G oup, Ambergrys,
Paarlen, Aloës, Bezoar-{teen , Koraal, Myr-
rha;, en wel (a) RN, Korry.
ie Wen,
Als wy Arabie verlaaten , en uit de Golf
van Ormus de Perfiaanfche Kuft langs Reve-
nen, koomen wy in de Golf van Cambaye,
dewelke ons leidt tot aan Swratte , de vers
maartfte Koop-ftadt van geheel Zudiën , onder
de Heerfchappy en het groot Keizerryk van
m den
(a) Ziet Voyage de Arabie heureufe , avec la Relation
particuliere d'un Voyage du port de Moka &vc,
544 Natuur-en Konft-Kabinet ,
den grooten Mogol. Als wy ook te lande
reizen door Perfsen ooftwaart aan tot aan Caz-
dohar , koomen wy insgelyks in de ongeloof-
Iyke groote Heerfchappy van de grooten
Mogol. s
2.
Zommige Schryvers noemen dit groot mag-
tig Keizerryk van de grooten Mogol eigentlyk
INDIEN ‚ om dat na haar zeggen het zelve
befloten legt tuflchen de twee grouwzaame
groote Rivieren, de INDpus en de GANGES,
hier legt ons niet aan gelegen ; maar het is mis-
getaft, dat het gebiedt van de Mogol tuffchen
deze twee Rivieren zoude bepaalt zyn, de-
wyl het-zelve aan weerzyden zeer ver over
die Rivieren uitfpat, zo buiten de Gauges als
aan deze zyde van den Zzdus. Het groot
Keizerryk van de Mogol word in ’t noor-.
den bepaalt door de bergen Caxucafus of de
Taurus, die het zelve van Zartarie af{cheiden,
ten zuiden door de groote Indiaanfche Zee,
dewelke om Kaap Komori, de Kuft van Ko-
romandel en Malabar aan wederzyden heen
fpoelt; in ’*weftendoor Perfien ende Golf,
en in ’t ooften door de Koningryken, de-
welke leggen tuflchen China en het Keizer-
ryk van degrooten Mogol. Uit de Bergen
Caucafts koomtde Rìvier de INpus, en loopt
zuidwaart aan door ’t Keizerryk, zichont-
laftende in de Indiaanfche Zee by TOURE-
BANDER Een SORET, en uit de zelve Bergen
na ’t ooften de Rivier de GANars zuide-
Iyk aanloopende, en ontlaft zich by BENGALE
in de golf van Bengale of Indiaanfche Zee.
De naauwkeurige Heer de Zhevenotzegtvan
des-
Mey en Funy 1719. s45
dêszelfs Luanden het volgende. „ Ik hebmy
„ van een Indiaan, die de Kaart van zyn.
„, Land pretendeerde te verltaan, laaten zeg-
„gen , dat in ’t Gebiedt van de grooten
„ Mogol twintig Landfchappen zyn, maar
„ ik zoude haar liever Gouwvernementen noe-
»„ men, en zeggen, dat yder Gouvernement
» verfcheide Provintien begrypt.
82
In geheel Zudiën zyù geene Plaatzen, de=
welke meer van rykdom overvloeyen, als
SURATTE en BENGALE, beide Steden onder
de Heerfchappy van de grooten Mogol.
Suratte word bewoont door Indianen, Per=
fianen, Arabieren, Turken, Benjanen, Ar-
meniers, Engelfchen, Hollanders en andere
Chriftenen. DeEngelfche hebben het algemeen
Comptoir van hun Koophandel geveftigt tot
Suratte. In Suratte zyn uitftekende ryke
Lieden; een Bezjaan , die van myn Vrien-
den'was, zegt de Heer de Thevenot , wierd ge-
fchat op acht Milioen.
84.
In de Stad Suratte is een onnoemelyke
Koopmanfchap van alderhande Stoffen, Ka-
toenen, Lywaaten, dewelke in Indiën ge-
maakt worden: als ook alle Waaren van
Europa, mitsgaders alle Waaren van Chira,
als Porceleinen, Kabinetten, Koffers ver-
ciert met Turkooizen, Agaaten, Koralynen,
Yvoor: daar worden verkogt Diamanten,
Robynen , Paarlen, en alderhandekoftelyke
en edele Gefteentens, ook Muskus, Amber,
Myrrba , Wierook, Manna, Sal armoniac,
Kwikzilver, Liaakmoes, Indigo, Speceryen,
| Mm 2 Dro-
546 Natuur-en Konft-Kabinet ,
Drogeryen; daar word ook veel gehandelt in
Goud: ook laaten de groote Heeren voor zich
ftukken flaan van zeafif goud , ter waarde van
zeventieu holland{cheguldens, dewelke Aoz-
pien genaamt worden.
ss
Van al het Goud, dat in Sxratte ingebragt
word van Sumatra, geheel Zzdiën, Perfien,
Arabien, Africa en Europa , moet twee ten
hondert betaalt worden aan de tol, en dit is
de oorzaak, dat het meefte Goud ter fluik in-
gebragt word ; ook is het voordeeliger , het
Goud in Szratte te brengen aan {taaven of
klompen ‚als aan gemuntefpecte , dewylalder=
hande fpectez în de Landen van de Mogol wor-
den aangetaft , enjin de gangbaare Munt-fpectes
van ’ Land door daar toe geftelde Muntmee-
fters vermunt. Deze Indianen zyn zo naauwkeu-
rig in het ontvangen van’t gemunt Goud, dat
zy ’tzelve door ’t vuur beproeven en weegen,en
ook op de fpecien,die maar twee a drie jaaren ge-
munt zyn geweeft , willen zy datelyk een half
ten hondert korten. Van aldit Goud , dat
zy verfinelten, maaken zy goude Roupiez,
behalven de Dukaaten , want deze verhande=
len de Indianen aan de Kooplieden uit Tar-
tarien, die van de noordkant koomen om te
handelen; hoewel het meefte Goud, het welk
in deze Landen gebragt word, aan de Goud-
draad-trekkers , Goudimeden en alderhande
Goud-verwerkers word verkogt, Maar de-
wyl myn beftek niet toelaat, verder van de Ryk-
dommen desGouds van de Mogo/,als ook van de
Rykdommen van Bengale,en van de vermaarde
maf]f goude Rykstroon des Mogels , en dier-
gely-
Mey en Funy- 1719. 547
_gelyke zaaken te fpreeken , zullen wy na de
overige anderen plaatzen overgaan „ daar he-
dendaags in Afia Goud gegraaven en gevon-
den word. Ik zal alleenlyk eerft noch maar
een Weinig aanmerken van de Hoofdfteden
des Ryks, Deurr en AGRA, en het overry-
ke BENGALE.
86. ú
Debhli is de Hoofdítad van het geheele Kei-
zerryk des grooten Mogols. In Agra, daar
voor dezen de Mogols hun Hof hielden’, is
een Koninglyk Paleisen Hof, wiens weêrgaa
van koftelykheid en rykdom in geheel Afia
niet gevonden word. In dit Hof ís onder
een groot getal andere pragtige Gebouwen
te zien des Konings of des Mogels fchathuis,
in wiens gewelfde kelders alle de onnoemelyke
fchatten des grooten Mogols bewaart worden,
De Schryvers verhaalen, dat onder deze kel«
ders twee kelders gevonden worden, dewelke
met affif Goud opgeftapelt zyn , volgens aan-
tekening van Dapper ; behalven het Zilver ,
de Juweelen, Rariteitenen Gefchenken, de-
welke noch in zes andere kelders opgefloten
zyn; En nech andere Pragt en Rykdommen
in Goudt en Juweelen, dewelke de AZogol
op andere Plaarzen vertoont, en dewelke
ik niet derve bybrengen volgens het fchry-
ven der Auteurez. De Heer BERNIER, de=
welke zelfs tot Del: gewoont heeft in dienft
van de Mugol , {preekt ook van deszelfs
Hof tot Debli op de volgende wys. Chab
Jehan liet omtrent over veertig jaar een
nieuwe Stadt bouwen, en begeerde, dat de-
zelve de Hoofdftadt des Ryks zoudezyn, in
Mm 3 de
548 Natuur-en Konft-Kabinct,
de plaats van Agra; ik zal, zegt de Heer
Bernier, het Hof befchryven, gelyk ik het
zelfde op zommige feeftdagen gezien heb.
De Koning zat op zyn Throon zeer heerlyk
bekleedt; de T'hroon wierd onderfteunt door
zes voeten van mafif Goud, bezet met Ro-
bynen,Smaragdez en Diamanten ;deze Throon
word op zeftig Milioenen hollandfche gul-
dens gefchat , behalven de goude en andere
Cieraaden vande Koninglyke zaal: deze Stadt
vloeit ook over van goude ftoffen, en Goud by
de Goudfmeden en Goudwerkers.
87.
Zeltig Franfche mylen van Dehli na het
zuiden legt de Vorlteiyke Stadt Agra, de-
zelve is veel grooter als Debl:, en metveel
trotzer gebouwen en ook met groote ryk-
dommen verrykt. Het Landfchap van Ben-
gale , dat door geweld van wapenen on-
der ’t gebiedt van de grooten Mogol ge-
bragt is, geeft tegenwoordig aan dien Prins
en deszelfs ingezetenen, om de goede gele-
gentheid van deszelfs Steden aan de Gazges,
ofdichtaan de Zee gelegen, en om de door-
ftroomingen van de vermaarde Rivier de Gaz-
ges door ’t geheele Landfchap zelfs, een on-
uitfprekelykerykdom ; dewyl deze Oord door
duizende van Vremdelingen, als Nederlan-
ders, Engelfchen, Franfchen,Deenen, Por-
tugeezen, Arabieren, Perfianen , Suratters en
alderhande Indianen gedurig bezogt word, om
daar in te koopen Katoene Lywaaten, Chit-
zen, alderhande Stoffen, Salpeter, Indigo,
Borax enz., voor welke Koopmanfchappen
deze Vremdelingen daar zeer veel Goud en
an=
Mey en Juny 1719. 549
andere Rykdommen brengen; al het welke de
reden is, dat het Ryk van de {Mogol van Goud
overvloedig voorzien is, hoewel in de Bergen
en Gronden van dit land zelfs weinig Goud
gevonden word: maar dat aanmerkelyk is,
de Luanden van de Mogol vloeyen over van
edele Getteentens, gelyk in ‘t Landfchap $x-
vatte worden in de Mynwerken en Bergen ge-
vonden Miacinthen, Diamanten, Granaden ,-
Topazen, Safiren , Chryfoliten, Efmarauten,
Kornalynen, Spinellen, Amatbiften, Albaft,
rood. Marmer , Bloedfteen, en 'Fafpis (van
dewelke de Ingezetenen fchotelen en Pateelen
maaken,) ook zeerfchoone Agaaten , van de-
welke de Konftenaars in de Stad Cambaye raa-
re koppen, hegten van meffen, fignetten,
en andere fraaye werken maaken, behalven
dat noch in de Koningryken van VrsAPOUR
en GOoLKONDA, nagebuuren en dikwils on-
derdaanen vanden Mogol, de ftapel van Dia-
mant-mynen is.
8.
Onder de Landen van Afia ‚daar zelfs Goud-
mynen, en Goudryke Bergen, en ryke Me-
taal-ertzen zyn ‚ munt het magtig Keizerryk
Cui Na by uitftekentheid uit. In de Provin-
tien van China, namentlyk CHENSI , HONAN,
CANToNen FoxIEN , worden zeer ryke Bergen
en Ertzen gevonden van Goud, Zilver, Kwik-
zilver ,Kooper, Tinen Yzer; hoewel in Chi-
na, volgens de aantekeningen van de zeer
naauwkeurige le (a)Cumte, het meefte Goud uit
de Rivieren , en Sleuven en Goud-waffchingen
Mm 4 word
ze) Ziet Nouweaux Memoires fur 'Etat prefent de la
BAE,
sso _ Natuur-en Konft-Kabinet ,
word vergadert. De Rivieren en Vloeden,
dewelke in Chiza van het hooge gebergte koo-
men afrollen, fleepen zeer veel Goud mede,
en verfpreiden het zelve over de groote vlak-
tens, dewelke zy by groote regentyden over:
ftroomen , daar het zich in het zand inwelt,
en door duizende Chineezen wederom word -
uitgezogt, opeen wyze, dewelke deze Lieden
meerder eigen is als andere , dewyl zy door
dezelve hun koft moeten winnen. Daar is
geen Land in de wereld, daar door malkan-
der fynder Goud gevonden word, als in Ch:-
na, zynde het Chineeze Goud gemeenlyk van
het befte Aloy. De Goudmynen in Chiza
moogen niet geopent worden , om de fchade-
lykheid, dewelke na haar oordeel de dampen
dezer Bergen veroorzaaken aan de Berg wer-
kers; zy oordeelen het leven van haar arinfte
Ingezetenen meer als het Goud, maar het
Goud te zoeken taat ydereen vry, anderzins
vind men in het Landfchap Ktang fi zeer ryke
Goud-ertzen in de Bergen: in Zingcheufulegt -
de Berg Kin, dewelke een uitftekend ryke
Goud-erts befluit. In de Bergen van Queicheu
word ook zeer veel Goud gevonden , maar
deze Berglieden zyn niet onder de gehoorzaam-
beid der Chizeezen te brengen, hoewel zy met
dezelve handelen, en haar Goud voor Eer-
waaten inruilen.
Even gelyk in China ‚ word ook in het
magtig Keizerryk JAPAN, behalven het Zilver
en het Kooper enz, een groote rykdom van
Goudmynen gevonden, maar deze Natie is zo
jalours omtrent haar Goud, dat het zelve niet
als
Mey en Juny 1719. ssr
als ter fluik daar uitgebragt kan worden ; maar
als wy de werken, dewelke uit dit Land koo-
men, befchouwen, konnen wy haar Konft en
Overvloedt in Goud genoeg befpeuren. In
het Keizerryk van Japax is een groote over-
vloed: van Goud en van Goud-erts, en ande-
re Metalen, maar smyn beftek laat niet toe,
alles naauwkeuriger van de Goud-fchatten van
Afia te melden, anders zoude ik veel zaaken
konnen aanmerken „en onder andere de groo-
te Goud-ftukken , dewelke gemunt uit Ja-
pan gevoert worden, en van zeer fyn aloy zyn ,
waar van zommige derdehalf loodt, een loodt,
of van minder gewigt zyn.
go.
In Afia word het Goud zeer veel gebruikt
tot de goude ftoffen en Konftftukken,en word
ook veel verkogt in ftaaven en klompen by ’t
Bewigt ; en in zommige Koningryken word
geen goude munt geflagen ; als by voorbeeld in
Perfienis geen goude Munt, als de Dukaaten,
dewelke uit Exropa koomen , en de ftukken
uit de Zudiën. Jn de Landen van de Koning
van Golkonda gaan ftukken Goud, dewelke
Pagoden genaamt worden ; dit Goud is van
een flegt aloy, en word in de Diamantmynen
verkogt. De Koningen van Achiz op Suma-
tra munten goude {tukjes van tien grein; en
de Koningen van Macaf/er of Gelebes munten
ftukken Goud van twaalf grein, bedragende
een gulden hollands, De Koning van Stanze
heeft een goude Munt, die zeer fyn is, en
omtrent zeftehalve gulden ín waardy bedraagt.
De Koning van Pegu heeft ook een Munt van
kleine (tukjes, wegende zeven grein, hoewel
Mm s vauet
ssz Natuur-en Konft-Kabinet,
het Goud van zeer flegt aloy is , dat in Pegu
valt. De Koning van Arakaz heeft geen
Munt van Goud , maar heeft Goud in ftaafjes
of klompen , dog het Goud van Arakaz is
zo flegt van aloy, dat het zelve niet boven de
14 karaaten kan haalen. De Volkerenvan
China en Tunguin handelen meeft metbrok-
ken Goud , dewelke fchuitjes genaamt worden,
zy hebben groote brokken Goud of fchuit-
jes, dewelke twaalf hondert guldens hollands
bedraagen, ende kleine brokken juift net half
zo veel. Als de vreemde Kooplieden deze goude
ftaaven of brooden van de Chineezen koopen,
_ Ínyden zy dezelve in ’t midden door, dewyl
zy dikmaal door de Chineezen bedrogen zyn,
dewelke deze brooden van binnen met kooper
of Zilver hebben gevult. In Goadoen ook de
Portugeezen munt flaan , of goude lukken
van byna vyf guldens; de bekent{te naamen
der groote goude ftukken zyn de Roupien, de
Pagoden , de Coepans en de Seguizs. Ziet
}. B. Tavernier en de Thevenot, by aldien
gy over de munten van Afe breeder berigt
belieft te hebben,
92.
Ik hadde noch voorgenoomen, van de
Goudmynen van Europa te handelen, als
ook een Ambagt in het Goud onder deze
twee Maanden Mey en Juny mede te dee-
len, maar myn beftek zulks niet toelaaten-
_de, heeft de Lezer in de volgende Maanden
van July en Auguftus 1719. twee Ambagten
van het Goud met haar behoorlyke óphelde-
ring en Plaaten te verwachten.
Einde van het eerfte Deel.
KORTEN INHOUD
Van’ Eerfte Deel , of van ’t Half Jaar , bee
ginnende met de Maanden January en
February 1719. en eindigende met de
MaandenMey enJuny 171 9.incluis.
E } Pe tot het Natuur-en Konft-Ka-
binet ‚ waarin getoont word. 1. Dat Godt
Schepper en Onderhouder van de Natuur, en de
Menfch van de Konft is. 2. Dat de Natuur door de
__Konft word verbetert en gepolyf(t. 3. Dat doorde
Konft onuirputtelyke Rykdommen in de Natuur
ontdekt worden. 4. Dat een Menfch zyn Konft in
de Natuur niet kan oefenen , of hy moer de Natuur
eerft onderzoekenen leeren kennen. s. Datde Na-
tuur door de ftrikken en fynheden der redenkundi-
ge Wysgeeren uiet ontdekt kan worden. 6. Dat de
eerfte Wereofchap der Natuur is, dezelve te begrypen
als een Schepzel , *t welke een Schepper onderftelt.
7. Dat de tweede Kennifle der Natuur verkregen
word door de natuurlyke Hiftorie, of naauwkeu-
rige Befchryving der natuurlyke Dingen. Ziet Na-
tuur- en Konft-Kabinet January en February 1719.
_ van pag. 1. tot pag. 7. 3
II. Zen kort Uittrekzel van Gajus Pli-
nius Secundus, waar in het vermaart fterf-ge-
val van dien Schryver verkaalt word, en getoont:
dat, Plinius meer een nieuwsgierig geleert Man,
als een voorzichtig en verftandig Hiftorifchryver
der Natuur is geweelt. Ziet 't zelfde Natuur- en
Konft-Kabinet ‚ van pag.7.tot pag. 84.
III. Werbandeling van het onbepaalbaar
Voorwerp eener algemeene natuurlyke Hifto-
vie. In deze Verhandeling word aangetoont.
1, Dat
KORTEN INHOUD.
1. Dachet niet mogelyk is voor de Menfchen, een
volftrekte algemeene Hiftorie te fchryven vau de
groote Natuur. 2. Welke de vier Hoofd-voorwer-
pen van een algemeen natuurlyke Hiftorifchry-
ver moeten zyn, 3. Van wie de Lucht-pomp is
uitgevonden, en wanneer, en door wie verbetert.
4. De verfcheide Gewelten des dampkringachtigen
Luchts , bewezen door de Bergen van Peru, en de
Piek van Cararie. s. War een natuurlyke Hiftori-
fchryver heeft aan te merken in de Srerren-hemel,
in de Dampkring , in den Oceaan, en op het Aard-
ryk. Ziet 't zelfde Natuur-en Konft-Kabinet , van pag
85 tutpag. 146.
IV. Verhandeling van de Wetten der
natuurlyke Hiftorifchryvers. Ziet bet zelfde
Kabinet , vanpag.147 tot ISS.
V. Verhandeling vande Steffcheidkunde.
Waar in aangedrongen word. 1. Dar de Stof{cheid-
kunde een zeer noodzakelyke Hulp-wetenfchap
voor een Natuur-ontdekker is,2. Dat dezelve heden-
daags mishande): word van Se&arifJen en Cabaal-
poltrons. 3. Datdezelve de Moeder en Voortkweek-
fter van veel Konften en Handwerken is. 4. Dat
de Werkdaaden der Stoffcheidkunde van de Werk-
daaden der Natuur ontleent zyn. Ziet'tzelfde Ka-
binet, vanpag.1ss tot 165.
VL Verhandeling van de Glasblazery
aande Lamp. Hier in word getoont. 1. Dat
deze Konft zeer dienftig is veor een Onderzoeker
en Befchouwer der Natuur. 2. Dat deze Kontft by
de Venetianen zeer lang in ‘t gebruik is geweeft,
3. Dat de Beginzels , daar ’t Glas uit geboren word,
metalyn van natuur zyn, dog dit is maar aange-
merkt voor de Kenders, die recht verftaan , wat
metalyn in de natuarlyke Hiftorie te zeggen is.
4. Dat de Glas-maaking een byzondere daad en
e
pe
KORTEN INHOUD.
de uiterfte kragt des Vuurs is. 5. Waarin hee
„Smelt-glas beftaar. 6. Op welk een wyze he: Glas
gekoleurt word. Ziet 't zelfde Kabinet , van pag.
165 fot pag. 176.
IL. Man de order , dewelke de
Lezer zich moet woorftellen , omtrent de
verdeeling der zaaken, dewelke in ’t Na-
tuur- en Konft. Kabinet verhandelt zullen
worden. Waar in aangewezen word. r. Dat
de meelte Menfchen in *t leeren zich onbedacht-
zaam by de neus laaten leiden, 2. Dat de Geleer-
de van de Leer-order dikwils zelfs zeer onkundig
zyn in de Kennifle der natuurlyke Geftelcheid en
Hoedanigheid der zaaken. 3. Dat geheele Natien
door de Leer order van de naauwkeurige Kenniffe
der zaaken- ontbloot , en dikwils zeer dom wor-
den. 4. Zes byzondere zaaken, dewelkede Sch1y-
ver belooft te zullen mededeelen. Ziet Nasuur-en
Konft-Kabinet,Maart en April 1719 vanp.197 tot 182.
VIII. Verhandeling vande verfcheide
foorten der natuurlyke Hiftorien „ en van het
onderfcheidt der natuurlyke Hiftorifchryvers.
Hier word getoont. 1. Waar in alle naruurlyke
Hiftorifchryvers overeenkoomen. 2. Waar in
alle natuurlyke Hiftorifchryvers verfcheelen. 3.
Hoedanig een algemeen natuurlyke Hiftorifchry-
ver moet begreepen worden. 4. Welke byzondere
natuurlyke Hiftorifchryvers zyn. Ziet 't zelfde
Kabinet van pag. v82totpag. 186.
IX. Eerfte Verhandeling van de algemeene
natuurlyke Hiftorifchryvers. Waar in mede
gedeelt word een uitrekzel van de Werken van
Ulyfles Aldrovandus, Ziet'tzelfde Kabinet, van pag,
186. tufpag. 209.
X. Eerfle Werbandeling van de Oud-
beid
KORTEN INHOUD.
heid der-natuurlyke Hiftorie. Waar iv aan-
gewezen word. zr. Dar Mofes de oudfte natuur! yke
Hiftorifehryver is. 2. Waar , wanneer en door
wie her Boek Jobs gefchreven fchyat te zyn. 3.
Dat alle oude Geleerde of Schryvers, dewelke wy
overig hebben, jonger zyn als de Boeken van Mo-
fes, en al haar Geleertheid en Wetenfchappen uit
de Boeken van Mofes ontleent hebben. 4. Wan-
neer Mofes geboren is. s. Welke Volkeren ten
tyde van Mofes hebben beginnen te bloejen. 6.
Wat merkwaardig by andere Natien is voorge-
vallen by *t leven van Mofts. 7. Hoe lang de Kin-
deren Ifraëls in Egypten gewoont hebben. 8. Van
het leven van Mofes. 9. Hoelang Mofës in Egyp-
ten gewoont heeft, en hoe lang in Arabien. 1o.
Welke Mofis Vrouw , Zoonen, Bloedverwanten
en aangehuwde Vrienden geweeft zyn. 11. De
geheele togt en alle de verblyfplaatzen der Kin-
deren Jfraëls in de Woeftyne, 12. Mofis dood:
13. Van de gedaante en van de uitbeelding van
Mofès. 14. Dat Mofes geenzins met hoorensofop-
gaande lichtftraalen moet verbeeldt worden. 15,
Waar de uitbeelding met hoorens ‘haar oorfprong
van gekregen heeft. Ziet Natuur-en Korfl-Kabinet
Maarten April 1719. vanpag. 209. totaan pag. 254.
XI. Eerfle Verhandeling van het Goud,
Waar in getoont word.1.Dat het Goudeerft van Mo-
Jes is befchreven, 2. Welk een Kennifle de Aalonden
van 't Goud hebben gehad. 3. Uit welke Landen ou-
welings het Goud is gehaalt en gevonden geweelt,
4-Van de Goud-mynenen Erts-bereidingen der aal-
oude Egyptenaars,en aaloude Spanjaarden, en ande-
re zeeroude Volkeren. Ziet het bovengemelde Kabinet
van pag. 254-tot pag. 288.
XM. Tweede Verhandeling van het Goud.
Waar in geleert word. 1. Het Goud van America.
2, Wie America eerftontdekt heeft , op wat dagen
DE
KORTEN INHOUD.
op. wat plaats. 3. Door wie hergroot Keizerryk
van Mexico eerft ontdekte en ingenomen is, bene-
vens de groote Schatten, die daar gevonden zyn.
4. De doorluchtige Daaden van Ferdinandus Cortes.
s.De ontdekkinge van ’t zilverryke Peruen goudry-
ke Chili. 6.De daaden van Francifcus Pixarrus. 7.Van
de verfcheideMetalen dezerLanden,en de wafiching;
berg-graaving » en bereiding van het Goud in 4-
merica. Ziet 't boven gemelde Kabinet, van pag.
288 tuf pag. 338: .
XIII. Derde Verhandeling van bet Goud.
Waar in het Bladgoud-{lagers Handwerk naauw-
keurig befchrevenword. Ziet vanfag.338tot3sz.
XIV. Aanhangzel van Brieven, in het
gemelde Kabinet , van pag. 353 tof 366.
XV. Tweede Verhandeling van de alge-
meene natuurlyke Hiftorifchryvers. In de-
welke wurd befchreven. 1. Het Leven en Dood van
_Conradus Gefnerus , benevens deszelfs groote Ge-
leertheid en fraaye Hoedanigheden. 2. Dat Hy isde
Vader der ordentelyke natuurlyke Hiftorikunde.
3.Derechte Uitvinder der onaffcheidelyke Geflacht -
merkteekens der Plantgewaffen. 4. Verfcheide Uit-
trekzels van verfcheide geleerde Werken over de na-
tuurlyke Hiftorien van Conradus Gefnerus. Ziet Na-
tuur-en Konft-Kabinet, Méy en Juny 1719. van pag.
369 tot pag. 417.
_XVL. Tweede Verhandeling van de Ond-
beid der natuurlyke Hiftorien. Waar in gehan-
delt word. 1. Van de natuurlyke Hiftorikunde der
Hebreërs en der zelver Voorzaaten: 2. Vande Ken-
niffe, dewelke Mofts van ’t Water heeft gehad, en
byzonder van de Rivieren en haaren loop. 3. Wan-
neer het Water gefchapenis, en wanneer tot Zen
en Rivieren geworden. 4. Dat het Water deal
gemeene Laftdraager is van alderhande Lichaamen,
en
KORTEN INHOUD.
eh ook de aanbrenger der Voedzelen. s. Vanden
Hof in Eden of het Paradys 6. Van devier Hoofd-
vloeden , dewelke voortkwamen uit de algemeene
Hoofd-bron, dewelke het Paradys befproeide. 7. De
waar{chynlykfte gevoelens der geleerde Lieden , we-
gens de {tand des Paradys , en dezer vier Hoofd.
Vloeden. 8 Datde twee beroemde Vloeden de Eu-
porates en Hiddekel buiten alle twyfel twee Vloeden
vande vier Hoofd-Rivieren van Mofës zyn geweetft,
9. Naauwkeurige Befchryving vande Vloed Phafis,
To.Naauwkeurige Befchryving vande Vloed Araxes,
ir. Naauwkeurige Befchryving van de Vloed Eu-+
pbrates, 12.Naauwkeurige Befchryving vandeVloed
Tigris. 13. Dathet wel meeft waarfchynlyk geoor-
deelt word van de Heer Reland , dat deze vier boven-
gemelde Vloeden zouden zyn geweelt de vier
Hoofdvloeden , daar Mofés van fpreekt. 14. Des
Schryverszwaarigheid, om dit voor onfeilbaar waar
aan te neemen, en antwoord op die zwaarigheid,
15. Korte Befchryvingvan Afia. 16. Naauwkeu-
rige Befchryving, en veel byzonderheden van de
groote Bergen de Taurus , derzelver lengte , breed-
te, verfcheide benaamingen,en uitfpringende tak.
ken, als ouk van de beroemde Poorten en Doore
togten van de Berg Taurus. 17. Van Armenie,
28. Van de Arke Noë en de Cafpifche Bergen. 194
Van het Land(chap Colchis. Ziet Natuur-en Konff=.
Kabinet Mey en Juny 1719. van Pag 417.tot Pag.487.
„XVII Vierde Verhandeling van het
Goud. Waarin gehandelt word. 1. Vande he-
dendaagze Kennifle en Wertenfchappendes Gouds , | /
en der Goudmynen van Africaen Afia. 2. Inleiding
tot het Bergwerkers Ambacht. 3. Het onderfcheide
der Goud-ertzen of Goud-meraal-aardens. 4. Waar
de Ultramarinvan gemaak: word. 5. Welkede ryk=
fte Goud-ertzen zyn. 6. Verfcheide manieren om,
de gehalte der nieuwelyksontdekte Erts te beproe-|
ven.
_ KORTDEN INHOUD
ven. 7. Waar in alle Metalen van malkander ver-
fcheelen. 8. Het onderfcheidt tuflchen Goud en
Goud. 9. Van het afdryven der onreine Meralen.ro,
‘Van de voorproeven om het Goud-erts door middel
‚ van glas voor te beproeven. 11, Dat deze Proef °
naauwkeuriger is als die van de Capel, en zelfs her
Goud in de wilde Mineralen of Ertzen kan aanwy-
zen. rz. Van de verfcheide Koleuren, dewelke de
verlcheide Meralen aan her glas mede deelen. 13. Van
de, voorproef der Metaal-estzen door Salpeter. 14.
Dat door de Salpeter Goud gehaalt word uit de Meta-
len,’t welk door het Loodt ondoenlyk is. 15. Dat het
Loodt de onfeilbaare Proefmeefter der Metalen niet
moer geacht worden. 16. Dat inalle Tin, Kooper,
euzelfs Yzereen weinigje Goud is. 17. Vande ver-
fcheide wegen om de Meralen te {cheiden, 18. Van
de Goudwaffcheryen van Guinea.19. Vande verfcheix
de Land{chappen, daar het Goud valt, het welk
aande Comptoiren van de Weftindifche Compagnie ver-
kogt word. zo. Vande verfcheidenheid des Gouds,
nasde ver(cheide Landfchappen » daar het zelve van
daan koomt. 21. Van de Bedriegeryen der Negers
in?t vermengen en vervalfchen vanhet Goud, 22e
Het Goud word op driederhande plaatzen in Guinea
gevonden. z3. Het Stofgoud en het Berg-goud. 2 4.
Vande Fetiches en Kakeraas. 2.5. Daar gaat in Guinea
doorde onkundeder Zwarten veel Goud verlooren.
26. Hoeveel rykdom aan Goud Guin?e jaarlyks uit-
_ levert, en het aandeel van elke Natie int zelve. 27.
Korte Belchryving van geheel Africa. 28. Door
welke de Zee-kulten van Africa eerft omge-
zeilten ontdekt zyngeworden , en op welke tyden.
29. Marmolen Leode Africaner , de twee naauwken-
rigfte en befte Schryvers over Africa. 30. Van de
groote en kleine Atlas. 31. Van de Goud-bergen des
Keizers van Marokko. 32, Van alle de byzondere
Land(chappen, dewelke Barbarien uitmaaken, en
haar Goud-rykdommen . 33. Van de Akchymiften van
Nie Fez.
KORTEN INHOUD.
Fez. 34. VanalledeLandfchappen des Keizers van
Marokko. en derzelver Goud-handel mer de Negers
en Europianen. 35. Van de Land{chappen, Ko-'
ningryken, Wilderniflen en Woeftynen van Numi-
dieen Lybie. 36. Van Nigritia of het Land der
Zwarten. 37. Van het Goud van Ethiopien, 38. Van
de Rykdommen des Gouds van #ffa. 39. Van de
Goudmyn van Sumatra , en't Goud van 4chin. 40.
Befchryving van de Ertzen vit de Bergwerken van
Sumatra. 41. Van de natuurlyke gefteltheid deraar-
de en des luchts van Sumatra. 42. Van het groot
Eiland Mindanao en deszelfs Goud. 43. Van het
Koningryk Tunguin, en wat Goud daar ingekoge
word. 44. Van de Goud-rykdommen der Perfiaan-
fthe Koningen. 45. Vande Goudrykheid der Ara-
bieren, 46. Befchryving van de Stad Mocha. 47.
Suratte de vermaartite Koopftad van geheel Indiën.
48. Befchryving van her mag:ig Keizerryk van den
« grooten Mogol. 49. Debli Hoofdftad van het Ryk
des Magols. so. Rykdommen des Megols, sr. De
groote Goudrykheid, en Goudwaffchery , en Goud-
bergen vaat groote Ryk van China 52. De Over-
vloedigheid van't Goud van Japan. 54 De verfchei-
de goude Munt-{pecien van Afse. Ziet 'tzelfde Kabi-
net vanpag. 487. tut bet einde,
vlohidn, 4 laschig Kav 2F-n0-5g Fy |
rar en junt jE
rd
ne
COorCHrs,
Em mi ‘an
ÜGepzerre vaN CAP] 2
24
mag TE Bs
pe: Sin à
ze GELUKKIG «
BS ARABIE,
Ei
70 7e 72 75
me E Ve 5
ES
vol gens de Heer Reland KEE — de(Arhe Noe
75 zó) =>
BNS.
afde l
RIB ERI
B) lt
En
En
Oz NCT
E bee afche Bergen
Plaats van t Pa radys OA arrie Berg
Er
ien MED EN.
Bers -Abos Je
Ne D
EEN OE: Eren
ee
Ee
Ens lj
WorEsT ARABIE-
Min C. “HALDEA
A 4
br opn
2 d
Ô Ess
ER ok el ef
EPD
\ FAA
eld veh d